De Derde Weg, de sociaal-democratische politiek van de jaren negentig, wordt vaak bestempeld als een knieval voor het neoliberalisme. Historicus Maarten van den Bos betoogt dat in de Derde Weg juist gemeenschappelijkheid en actief burgerschap centraal stonden. Nu de dominantie van het neoliberalisme langzaam afbrokkelt, heeft de PvdA meer aan een herwaardering van de Derde Weg dan aan negativisme over afgeschudde ideologische veren en andere romantiek over het vroege socialisme.

Op maandagavond 11 december 1995 sprak Wim Kok vanaf het podium van De Rode Hoed in Amsterdam de achtste Den Uyl-lezing uit. In een breed uitgezet betoog liet hij iets zien van een nieuwe koers voor de sociaal-democratie. Het waren echter niet de passages over de rol en functie van de Partij van de Arbeid, het belang van een investering in infrastructuur, de toekomst van de rechtsstaat en de Europese samenwerking of de samenhang in de samenleving die de aandacht van het publiek op langere termijn wisten vast te houden. Uiteindelijk zou vooral dat ene beruchte tussenzinnetje eeuwigheidswaarde verkrijgen. In een passage waarin Kok wees op de strijd tussen liberalisme en sociaal-democratie die de komende jaren het aangezicht van Nederland zou bepalen, stelde hij vast dat de aloude socialistische ideologie niet altijd afdoende antwoord had op de ‘sleutelvragen van deze tijd’. Enige heroriëntatie was derhalve nodig, waarbij het ‘afschudden van ideologische veren’ niet alleen een probleem was, maar soms ook ‘een bevrijdende ervaring’ kon zijn.[1]

Deze uitspraak van Kok lijkt symbool geworden voor de politiek van de PvdA in de jaren negentig: de Derde Weg. Een periode waarin de ideologische basis werd geofferd op het altaar voor het geloof in de oplossende kracht van de markt. Die Derde Weg heeft weinig goede pers, dezer dagen. De Derde Weg, dat was ‘het geloof dat de markt in alle behoeften van de burger kan voorzien’, aldus Lodewijk Asscher in een recent interview.[2]

In zijn boek Opstaan in het Lloyd Hotel breekt Asscher de staf over het al te grote geloof in de markt als model. Dit ‘neoliberale denken’ was in de jaren negentig van (te) grote invloed op de sociaal-democratie.[3] Die conclusie is nog terughoudend vergeleken bij de analyse van de Amerikaanse socioloog Stephanie L. Mudge. In haar boek Leftism Reinvented stelt zij vast dat het politieke denken in sociaal-democratische partijen de afgelopen honderd jaar twee keer fundamenteel veranderde: in de jaren dertig toen de leer van Marx werd ingeruild voor de economische theorie van Keynes en in de jaren negentig toen met de Derde Weg de sociaal-democratie ‘geneoliberaliseerd’ werd. Mudge wijst economisch en politiek experts binnen sociaal-democratische partijen aan als verantwoordelijken voor deze ideologische verschuivingen.[4]

De gedachte dat de Derde Weg weinig meer was dan neoliberalisme onder een andere noemer – of toch op zijn minst een denken over politiek inhield waarin veel te weinig afstand gehouden werd van het geloof in de heilzame werking van de markt – kleurt het oordeel over het recente verleden van de PvdA. In veel kritiek binnen en buiten de partij op het kabinet-Rutte/Asscher kwamen de afgeschudde veren, de Derde Weg en het verwijt van neoliberale politiek terug.[5] De Derde Weg is volgens critici dan een voorbeeld van hoe het niet moet: meebuigen met of zelfs incorporeren van (neo)liberale politieke inzichten, samenwerken met politieke tegenstanders, meewerken aan privatisering van belangrijke overheidsdiensten en bezuinigen op kwetsbare mensen.

‘Derde Weg’ is een etiket geworden dat te plakken valt op alles wat we eigenlijk niet willen, maar waarvoor ruim baan geboden werd sinds Kok met het afschudden van de veren als het ware de sociaal-democratie bij het grofvuil zette. De vraag of dat ook was wat er daadwerkelijk gebeurde, lijkt vervolgens niet langer relevant, terwijl mijn stelling zou zijn dat het denken van de Derde Weg ons vandaag de dag meer te bieden heeft dan het pronken met de veren die Kok zeer terecht wenste af te schudden. 

Weifelend etatisme

De meest fundamentele verschuiving in het politieke denken in de Nederlandse sociaal-democratie van de jaren dertig van de vorige eeuw was de veranderende omgang met de rol van de staat. Die verandering was het gevolg van een lange worsteling. In het klassieke denken van Marx was de staat immers een van de instituties van de onderdrukkende klasse, zij zou derhalve na de revolutie verdwijnen. Maar in het befaamde Plan van de Arbeid dat de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij in 1935 lanceerde om de problemen van de economische crisis het hoofd te bieden, kreeg juist de staat een hoofdrol. Het was de staat die zorg moest dragen voor ‘bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil’. Dat was, zo werd nog omstandig uitgelegd, dan wel geen socialisme maar men moest ergens beginnen.[6]

Die terughoudendheid verdween vervolgens al snel. In het onder leiding van dominee en partijbestuurslid Willem Banning geschreven beginselprogramma van 1937 werd bestaanszekerheid als centrale doelstelling van het democratisch socialisme aangemerkt en werd de staat daarvoor als het ware leveringsverantwoordelijk gemaakt. De vraag wie de staatsmacht naar zich toe zou weten te trekken zou in de toekomst dan ook een steeds belangrijker uitgangspunt van politieke strijd worden, schreef Banning een jaar later. En nog in 1959, nadat onder zijn leiding opnieuw een beginselprogramma was geschreven, nu voor de Partij van de Arbeid, stelde hij opnieuw ‘de positieve betekenis van de democratische staat ter wille van de vrijheid van allen’ centraal. De staat was en bleef een ‘machtig en onmisbaar middel’ in de sociaal-democratische strijd voor gerechtigheid en vrijheid.[7]

Het zou tot de jaren tachtig van de vorige eeuw duren voor die redenering echt fundamenteel ter discussie zou komen te staan. In het rapport Schuivende panelen – op verzoek van de toen net als partijleider aangetreden Wim Kok geschreven door een commissie onder leiding van Jan Pronk – werd expliciet verwezen naar de heroriëntatie van de jaren dertig. Waar toen de nationale staat ‘als mechanisme van maatschappelijke leiding, coördinatie en vernieuwing’ was aangewezen, werd die taak nu elders belegd: zowel op bovenstatelijk als op lokaal niveau.

De centrale rol van ‘de overheid’ leek uitgespeeld, die hoefde nog slechts ‘randvoorwaarden’ te scheppen.[8] Wat volgde was een periode waarin verwarring de boventoon voerde; een doorslaggevend antwoord op de vraag hoe de sociaal-democratie nu de relatie tussen markt en overheid zag, bleef uit. Pas eind jaren negentig schreef politicoloog Jos de Beus dat nu wel duidelijk was dat de ‘marsroute’ van de PvdA sinds 1987 een ‘principieel afscheid van etatisme’ liet zien. In hoeverre dat inzicht breed in de partij gedeeld werd valt echter moeilijk te beoordelen. Een aanwijzing dat dit toch niet het geval was, is dat de rapporten op basis waarvan De Beus deze conclusie trok door het partijcongres werden afgewezen als basis voor een nieuw beginselprogramma.[9]

Sinds begin jaren negentig werd geworsteld met het puntig formuleren van een nieuwe koers. In een rapport uit 1991 constateerde een commissie onder leiding van Jos van Kemenade dat er in de jaren tachtig dan wel een diepgravende ideologische heroriëntatie op gang was gekomen, maar die was volgens de opstellers nog te weinig in politieke conclusies samengevat. De auteurs deden het partijcongres dan ook de suggestie aan de hand om te gaan nadenken over een nieuw beginselprogramma om zodoende een aantal aanzetten nog eens systematisch te doordenken.[10] Daar kwam het niet van.

Welke veren Kok nu precies wenste af te schudden werd dan ook nooit helemaal duidelijk. In zijn lezing bracht hij bijvoorbeeld naar voren dat de sociaal-democratie stond voor ‘een actieve publieke sector’ die zich ‘op vele terreinen mag begeven’. De gedachte dat de klassieke sociaal-democratie werd ingeruild voor een al te groot geloof in de heilzame werking van de markt, de kern van de latere kritiek op de Derde Weg, lijkt dan ook niet zonder meer juist. 

Hartverwarmende werkelijkheidszin

Toen de kritiek op overheid vanaf de tweede helft van de jaren zeventig als een grondzee kwam opzetten, had de PvdA hierop geen goed antwoord paraat. Dat is op zichzelf niet zo verwonderlijk gezien de manier waarop de sociaal-democratie weifelend vasthield aan de centrale rol van de staat in het economische en politieke leven. De opkomst van die kritiek noopte uiteraard wel tot het zoeken naar een antwoord.

In een uitvoerige verkiezingsrede, gehouden in de hoofdstedelijke poptempel Paradiso in 1981, sprak Joop den Uyl al van de noodzaak de strijd aan te vangen met ‘nieuw rechts’, een politiek die ‘onder het mom van individuele verantwoordelijkheid en inzet’ pleitte voor een kleinere overheid die zich slechts bekommerde om ‘rust en orde’.[11] De vraag welke maatschappij-analyse de sociaal-democratie hier tegenover zou moeten zetten bleek echter niet zo gemakkelijk te beantwoorden, terwijl de ideologische traditie hiervoor toch voldoende handvatten bood. Het probleem was echter dat die eigen traditie medio jaren zestig tot voltooid verleden tijd verklaard was. In 1977 had de PvdA een nieuw beginselprogramma aanvaard dat volgens een van de opstellers de neerslag beoogde te zijn van ‘het nieuwe denken dat de partij in de jaren zestig overspoelde.’[12]

Dit nieuwe denken blonk echter niet uit in consistentie. Het begrip gemeenschap – sinds de jaren twintig een van de kernbegrippen in het sociaal-democratische denken – was uit het beginselprogramma geschrapt. De vraag hoe de nieuwe nadruk op het individu, ruimte voor zelfontplooiing en authenticiteit zich verhielden tot idealen als solidariteit en gelijkheid werd noch gesteld, noch beantwoord.

Bij het aanbieden van het beginselprogramma van 1959 had Banning nog eens uitgelegd aan welke voorwaarden een dergelijk programma in zijn ogen moest voldoen. Het diende te starten vanuit een heldere visie op mens en samenleving, werkte die vervolgens uit in min of meer concrete politieke strijdpunten en bevatte ten slotte gedachten over de institutionele verankering en praktische uitvoerbaarheid van een en ander.[13] Wanneer het programma van 1977 langs die meetlat werd gelegd, scoorde het zonder twijfel een onvoldoende. Anders dan zijn voorgangers ontbrak het aan echte richtinggevende ideeën. Bovendien werden de verschillen met voorgaande programma’s niet langer beschreven en verklaard. Al met al leek de tekst meer op een wat lang uitgevallen verkiezingsprogramma dan op een beginselprogramma.[14]

Wat in het document evenzo ontbrak, was enige continuïteit met het verleden. Dat was volgens een nieuwe generatie in de PvdA ook niet nodig, eerder onwenselijk. In 1963 werd Banning, onder wiens leiding de beginselprogramma’s van 1946 en 1959 tot stand waren gekomen, ter gelegenheid van zijn vijfenzeventigste verjaardag in een hoofdredactioneel commentaar in Het Vrije Volk geëerd. De krant omschreef hem als een van de mensen ‘die aan het Nederlandse socialisme allure hebben gegeven’ en als een man met ‘een hartverwarmende werkelijkheidszin’. Juist aan dat laatste had een nieuwe generatie binnen de PvdA weinig behoefte.

Banning werd weggezet als zendeling van het vrijzinnig protestantisme wiens ‘personalistisch socialisme’ slechts een vernisje was over een weinig verheffend pragmatisme dat met socialisme vrijwel niets meer van doen had. Tegelijkertijd radicaliseerde de partij. De door Banning in 1919 opgerichte Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers, op wiens vormingscentrum te Bentveld nabij Haarlem sinds de jaren dertig menig lid van SDAP en PvdA de basis van de sociaal-democratische beginselen was bijgebracht, verloor langzaam maar zeker het contact met de PvdA.[15]

In de ideologische heroriëntatie die vanaf begin jaren tachtig werd ondernomen, werd de Arbeidersgemeenschap echter opnieuw als mogelijke partner geaccepteerd. In 1982 kwam het tot een convenant tussen de besturen van de Arbeidersgemeenschap en de PvdA, daarin werd uitgesproken dat de Arbeidersgemeenschap een rol zou kunnen vervullen in de te voeren debatten over de toekomst van de sociaal-democratie.

In de jaren die volgden verschenen in de kolommen van het door de Arbeidersgemeenschap uitgegeven blad Tijd en Taak tal van beschouwingen over de stand van het debat. Te Bentveld werden verschillende bijeenkomsten en zomercursussen georganiseerd. Ook daar werd eind jaren tachtig wel gepleit voor een nieuwe bezinning op de verhouding tot de overheid, een herwaardering van een moreel geladen visie op mens en samenleving en een hernieuwde oriëntatie op het verleden van de partij. Al te veel effect had dat allemaal niet. Belangrijker bleken de ontmoetingen – eveneens in Bentveld – met leden van het CDA en de VVD. De kortste weg terug naar politieke relevantie zo leek, was het verwerven van regeermacht. Voor het zoeken naar inzicht was relatief weinig tijd, voor een grondige analyse van de historische ontwikkelingsgang van de sociaal-democratie geen belangstelling.

Nieuwe gemeenschappelijkheid

Of die historische analyse een basis had kunnen zijn voor een beter weerwerk ten opzichte van het neoliberalisme dat vanaf de tweede helft van de jaren zeventig begon aan een opmars richting ideologische dominantie is moeilijk te zeggen. Maar het ontbreken van een grondig gefundeerde visie op mens en samenleving zal weinig hebben geholpen, zeker omdat het neoliberalisme meer was dan de economische paragraaf uit het politieke programma van Margaret Thatcher en Ronald Reagan.

De Franse filosoof Michel Foucault heeft in een nog altijd indrukwekkende serie lezingen uit 1979 over het ‘hedendaags’ of ‘modern’ liberalisme uitgelegd dat het hier niet zozeer ging om een verandering in de economische politiek, maar om het opdringen van het discursieve model van de markteconomie aan de staat en de publieke sfeer. Het betrof een manier van spreken en schrijven over de samenleving, de politiek en de intermenselijke verhoudingen die telkens teruggreep op de gedachte dat het op al die terreinen in de kern ging om de berekening van winst of verlies. Deze manier van spreken had grote invloed, zo groot dat het vrijwel ondoenlijk zou worden om er als het ware omheen te denken. De gedachte dat mensen in essentie te allen tijde zelf verantwoordelijk zijn voor winst of verlies, de omgang met tegenslag en het verwerven van succes maakte elk individu als het ware tot zijn eigen kleine onderneming.[16]

De sociaal-democratie had het met deze omslag bijzonder moeilijk. In retrospectief was de analyse van Den Uyl over de nieuw rechtse politiek betrekkelijk scherp, maar ook hij kwam niet tot een echt antwoord op de vraag wat sociaal-democraten daar nu tegenover dienden te stellen. In tal van landen had deze verwarring bovendien tot gevolg dat sociaal-democratische partijen zich maar moeilijk wisten te ontworstelen aan een matig doordacht conservatisme.

In het debat over de verzorgingsstaat was behoud van wat er was het devies. Een offensieve, eigenstandige politieke visie op de toekomst was ver te zoeken. In deze context ontstond de Derde Weg, als een beweging die de ruimte zocht tussen de oude linkse politiek enerzijds en de nieuwe rechtse politiek anderzijds.

De Britse socioloog Anthony Giddens – ideoloog achter de opkomst van de toenmalig Labourleider Tony Blair – gaf in verschillende publicaties aan dat die tegenstelling overstegen diende te worden door een nieuwe analyse te maken van de samenleving van de toekomst. Daarin werden aspecten van het neoliberale denken opgenomen, maar werden deze evenzo voorzien van tegenwicht door een grote nadruk op een nieuwe gemeenschappelijkheid en een herwaardering van actief burgerschap.[17]

Mudge ziet de Derde Weg als een door sociaal-democratische partijen bewust nagestreefd incorporeren van de ideologische tijdsgeest. Het lijkt er echter meer op dat de schrijvers, denkers, experts en politici die Mudge hiervoor verantwoordelijk houdt een hele andere bedoeling hadden. We kunnen de Derde Weg beter begrijpen als een poging een antwoord te vinden op de ideologische verwarring in verschillende sociaal-democratische partijen. Die verwarring werd enerzijds veroorzaakt door de hand over hand toenemende dominantie van een neoliberaal spreken over mens en samenleving, maar anderzijds ook door het doorsnijden van de verbinding met het eigen verleden.

De Nederlandse situatie was wat dat betreft geen uitzondering. Ook elders leek de sociaal-democratie de jaren zestig slechts met grote moeite te boven te komen. De gedachte dat verjonging en vernieuwing per definitie te verkiezen zouden zijn boven een verder voortbouwen op bestaande inzichten domineerde de beweging in heel Europa. De ineenstorting van het communisme na 1989 maakte de verwarring eigenlijk alleen maar groter.[18] De Derde Weg mag dan vervolgens zijn doodgelopen in een verdere ontsporing van het kapitalisme, dat wil nog niet zeggen dat alles wat in deze periode gedacht en geschreven werd per definitie waardeloos is of dat de sociaal-democratie via de Derde Weg als het ware een soort synoniem werd voor neoliberalisme.

Bovendien is het maar geheel en al de vraag hoe invloedrijk dit denken in Nederland nu daadwerkelijk was. Kok opende zijn lezing met een verwijzing naar een artikel van Den Uyl uit de jaren vijftig, waarin een zekere mate van pragmatisme werd verkozen boven het geloof in de utopie van de heilstaat. En wel vaker positioneerde Kok zich in een lange traditie van programmatisch, op concrete problemen gericht bestuur. Die traditie, die zich ontwikkelde van het wethouderssocialisme tot het plan- of ingenieurssocialisme, was net zozeer onderdeel van de geschiedenis van de Nederlandse sociaal-democratie als het heftige ideologisch debat dat was. Met Den Uyl wees Kok er vervolgens ook op dat dit niet betekende dat vergezichten moesten worden vergeten.

In de passages over de samenhang van de samenleving en de rol van de publieke sector klonk vervolgens iets door van de wens na te denken over een andere wereld. Het was een beeld waar Kok na zijn lezing overigens weinig woorden meer aan vuil wenste te maken, het dagelijks werk ging voor. Het is niet voor niets dat na de grote verkiezingsnederlaag van 2002 binnen de PvdA geconstateerd werd dat de ideologische vernieuwingsslag van de Derde Weg in Nederland te weinig expliciet was gemaakt, waardoor onvoldoende duidelijk was geworden waar de PvdA nu precies stond en waartoe al haar werk eigenlijk gediend had.[19]

Een Derde Weg

‘Het plan-socialisme is een Derde Weg en als zodanig de overwinning der verouderde tegenstellingen’, schreef Banning in 1935. ‘Naarmate socialistische structuurveranderingen plaats grijpen, en de gemeenschap de taak der particuliere ondernemers overneemt; of: naarmate zij de particuliere ondernemingen onderwerpt aan een rechtsorde, waarin de mede-verantwoordelijkheid der arbeiders is vastgelegd, naar die mate wordt de productiechaos en de ekonomische verscheurdheid (klassenstrijd) overwonnen door een nieuwe binding.’[20] Die nieuwe binding was vervolgens het voornaamste vraagstuk voor een vernieuwde sociaal-democratie. Het zijn woorden die wel enige overeenkomst hebben met de gedachten zoals Kok die formuleerde. Diens nadruk op het belang van werkgelegenheid, niet alleen vanwege de inkomsten maar ook omwille van de structuur die werk aan het leven geeft, paste ook wel in het vocabulaire van Banning. Dergelijke paralellen worden echter aan het oog onttrokken door het lawaai dat Nieuw Links maakte in de jaren zestig. Het geluid van Nieuw Links wordt als maat van goede, ideologisch gedreven politiek beschouwd. Alles wat daarvoor kwam werd lange tijd versleten voor saai pragmatisme.

Dat deed het verleden geen recht, net zoals het de jaren van Kok geen recht doet door deze te bestempelen als de finale capitulatie van de sociaal-democratie voor het neoliberale geloof in de markt als de maat van alle dingen. Er valt ongetwijfeld veel negatiefs te zeggen over de Derde Weg, maar met haar nadruk op het herontdekken van het gemeenschapsbegrip en het opnieuw zoeken naar een evenwicht tussen rechten en plichten, noden en wensen, gedeelde en individuele verantwoordelijkheden in de moderne verzorgingsstaat, werd een aantal vragen opgeworpen die ook vandaag nog om een antwoord vragen. De urgentie hiervan mag  blijken uit de bijdrage van Lodewijk Asscher aan de recente Algemene Politieke Beschouwingen waarin het begrip gemeenschap weer eens een paar keer viel, zij het nog zonder heel scherpe uitwerking. Het is dan ook spijtig dat de ‘begripvolle herwaardering’ van de Derde Weg, waartoe Wouter Bos in zijn Den Uyl-lezing uit 2010 opriep, eigenlijk nooit echt van de grond is gekomen.

Provocatief gezegd zijn twee hoeraatjes voor de Derde Weg wellicht wel meer op zijn plaats dan al het negativisme. Denkers van de Derde Weg dachten na over het opnieuw centraal stellen van het gemeenschapsbegrip, pleitten voor een zekere mate van redelijkheid en gematigdheid en wilden werken aan een doordacht verhaal over de publieke sector. Veel was wellicht nog onvoldoende uitgewerkt en soms ook naïef in het geloof dat het kapitalisme te temmen viel met goede bedoelingen in plaats van harde restricties. Geen drie hoeraatjes derhalve, veel had achteraf beter gekund en wellicht ook gemoeten. Eén hoeraatje voor de wens de verbroken verbinding met de sociaal-democratische traditie weer te herstellen en één voor de naar mijn overtuiging oprechte poging een antwoord te formuleren op de dominantie van het neoliberale denken. Dat is, het moet gezegd, al meer dan we vandaag de dag lijken klaar te spelen.

Het huidige beginselmanifest van de PvdA is alweer vijftien jaar oud. Nu de dominantie van het neoliberale beeld van de samenleving lijkt af te brokkelen doordat de schaduwzijden ervan steeds zichtbaarder worden, is het de hoogste tijd dat de Partij van de Arbeid opnieuw gaat nadenken over de eigen uitgangspunten. Daarbij zouden juist die perioden en die tradities uit de sociaal-democratische geschiedenis die wat minder nostalgische gevoelens oproepen, wel eens van meer waarde kunnen blijken dan de romantiek van het vroege socialisme of de reuring van de jaren zestig.

Noten

[1] Wim Kok, (2009), ‘Wij laten niemand los’, in: In het spoor van Den Uyl. Den Uyl-lezingen 1988-2008, Amsterdam, pp.187-216, daar p.192.
[2] Interview Lodewijk Asscher, ‘De PvdA is weer een relevante partij’, op: https://www.nu.nl/weekend/5967635/interview-asscher-de-pvda-is-weer-een-relevante-partij.html (laatst gezien op 22-7-2019).
[3] Lodewijk Asscher, (2019), Opstaan in het Lloyd Hotel, Amsterdam, pp.127-128.
[4] Stephanie L. Mudge (2018), Leftism Reinvented. Western Parties from Socialism to Neoliberalism, Cambridge.
[5] Vgl. voor een aantal voorbeelden Wilco Boom, (2017), De neergang van de PvdA. Prominente sociaaldemocraten over de crisis en de weg omhoog, Amsterdam.
[6] Het Plan van de Arbeid. Rapport van de commissie uit NVV en SDAP, (1935), Amsterdam, p.9, pp.18-19.
[7] Willem Banning, 1962 [1938]), Hedendaagse sociale bewegingen. Achtergronden en beginselen, Arnhem,. pp.163-164; Willem Banning, 1959, Kompas. Beginselprogramma 1959. Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Toelichting op het Beginselprogramma van 1959, Amsterdam, p. 40.
[8] J. Pronk e.a. (1987), Schuivende panelen Continuïteit en vernieuwing in de sociaaldemocratie, Amsterdam, p.59, p.18.
[9] Jos de Beus, ‘Twee claxons op de Nederlandse derde weg’, S&D 2001/2. pp. 31-34. 
[10] J.A. van Kemenade, (1991), Een partij om te kiezen. Partijvernieuwing en PvdA, Amsterdam, p.58.
[11] Joop den Uyl, (1981), Tegen de stroom in. Verkorte weergave van een 2.5 uur durende rede, gehouden op 3 mei 1981 in Paradiso, Amsterdam.
[12] Wouter Gortzak, (1980), Alledaags socialisme. Ontwikkelingen in de PvdA, Amsterdam, p.84.
[13] Willem Banning, (1959), ‘Het beginselprogramma van 1959’, S&D 1959/17, pp.204-211.
[14] Vgl. Bart Tromp, (2010), ‘Hoe bruikbaar is nog het sociaaldemocratisch program?’, in: Geschriften van een intellectuele glazenwasser. De draagbare Tromp, Amsterdam, pp.239-250.
[15] Zie, ook voor het hiernavolgende, mijn in november te verschijnen boek over de geschiedenis van de Arbeidersgemeenschap: Maarten van den Bos, Geloven in het ideaal. Geschiedenis en actualiteit van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers.
[16] Michel Foucault, (1979), De geboorte van de biopolitiek. Colleges aan het College des France, Amsterdam, 2013; Yascha Mounk, (2017), The Age of Responsibility. Luck, Choice and the Welfare State, Cambridge. 
[17] Anthony Giddens, (1998), The Third Way. The Renewal of Social Democracy, Cambridge.
[18] Tony Judt, (2010), Ill fares the land, Londen.
[19] F. Becker en R. Cuperus,  (2002), ‘Alarmfase 1! Zonder grondig zelfonderzoek gaat het niet’, S&D 2002/ 5-6, pp.82-89.
[20] Willem Banning, (1935), Geloof en arbeid. Een inleiding tot het Nederlands religieus-socialisme, Amsterdam, p. 60.

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2018)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [hoofdredactie], Wiljan Linders [eindredactie] en Reinier Tromp

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl