Herman Bernard Wiardi Beckman was tijdens de Tweede Wereldoorlog een van de belangrijkste mensen uit het geestelijk verzet. Vrijheid, verdraagzaamheid en rechtsgevoel moesten volgens hem de weerbaarheid tegen de Duitse bezettingsmacht stimuleren.

Door: Becker & Becker
Auteurs van De oorlog van Wiardi Beckman (hier te bestellen); Tamara Becker is historica; Frans Becker is politicoloog en was adjunct-directeur van de WBS.

Op 10 mei 1940 zegde Herman Bernard Wiardi Beckman, Stuuf voor vrienden, zijn lidmaatschap van de Eerste Kamer op en trad als reserve-eerste-luitenant toe tot de persdienst van de Generale Staf in Den Haag. Vijf dagen later was de strijd voorbij. De capitulatieverklaring die generaal Winkelman op 15 mei via de radio aan het Nederlandse volk voorlas, was mede door Beckman opgesteld. Namens de opperbevelhebber bracht hij op 20 mei bij de Grebbeberg een laatste groet aan de daar gevallen Nederlandse militairen. Op 25 juni werd hem groot verlof verleend en keerde hij terug naar huis in Overveen. Nu de bezetting een feit was, aarzelde hij geen moment: hij ging in verzet.

Een jaar lang zijn we bezig 75 jaar vrijheid sinds de Tweede Wereldoorlog te herdenken en ons opnieuw rekenschap te geven van wat zich toen afspeelde. Zou dat niet ook moeten gaan over de vraag welke vrijheid, om welke reden toen verdedigd werd? Wat was de geestelijke grondslag van het verzet tegen de Duitse bezetting? Wiardi Beckman had daarover een uitgesproken opvatting. Aan Sal Witteboon, redacteur van Het Volk die begin juli ontslag nam bij de krant, schreef hij: ‘Alle gepraat over “aanpassing” aan een nieuwe wereld die blijvend zou zijn ergert mij als ontrouw, …. én oppervlakkigheid. Het kán lang duren – maar wij zullen er stellig onderuit komen. In de tusschentijd is onze eerste plicht: het zuiver bewaren van de vrije, Nederlandsche geest.’[1]

Het ging hem om het behoud van vrijheid, verdraagzaamheid en rechtsgevoel. Deze zag hij als typisch Nederlandse karaktertrekken. Zij hadden vorm gekregen in de vrijheidsstrijd die leidde tot de Republiek en in de daaropvolgende hoogtij van culturele bloei. Daarmee greep hij terug op een periode in onze geschiedenis die inmiddels kritischer wordt bekeken. In het huidige beeld lijken de schaduwzijden, zwarte bladzijden en ernstige misstappen te overheersen. Het Amsterdam Museum nam in dat verband zelfs afscheid van de term ‘Gouden Eeuw’.[2] Voor Beckman bood de erfenis van de jonge republiek juist de grondstof voor het geestelijk verzet en een positieve kracht in de strijd tegen de bezetter. Maar zonder te idealiseren, dat zou ‘dwaasheid’ zijn. Hij was zich, zoals we verderop zullen zien, terdege bewust van de donkere bladzijden van de geschiedenis.

De beslissende meidagen

Wiardi Beckman was in de jaren dertig een van de grote beloften geworden van de SDAP en de Nederlandse politiek. Geboren op 4 februari 1904 in Nijmegen, had hij na een studie geschiedenis bij Johan Huizinga in Leiden, zijn werk als secretaris van Pieter Jelles Troelstra bij het schrijven van diens Gedenkschriften en zijn promotie in 1931 bij Huizinga over het Franse syndicalisme gekozen voor de politiek. Hij werd in datzelfde jaar adjunct-hoofdredacteur van Het Volk en in 1937 hoofdredacteur van alle bladen van De Arbeiderspers. In datzelfde jaar was hij toegetreden tot de Eerste Kamer. Binnen de SDAP behoorde hij tot een generatie vernieuwers die met het Plan van de Arbeid en het beginselprogramma van 1937 een wending markeerde naar een doorbraak, die uiteindelijk in de oprichting van de PvdA in 1946 gerealiseerd werd.

Voor Wiardi Beckman betekenden de oorlogsdagen een breuk in zijn bestaan. Hans Warendorf, zijn mederedacteur bij het illegale Parool, schreef later aan Loe de Jong: ‘Jij hebt Stuuf niet gekend zoals ik hem gekend heb: na de verloren 5-dagen oorlog. Hij, de vroegere, zachtmoedige Remonstrant, had […] het geweld van heel nabij gezien en beleefd […]. Hij had “bloed” geroken en daarmee was hij, van de ene dag op de andere, als persoonlijkheid volgroeid.’[3] Zelf schreef Wiardi Beckman daarover in juni 1940: ‘Als ik straks, na zes of zeven weken slechts, in Overveen terugkom, ben ik een totaal ander mensch, – griezelig.’[4] Zijn reactie op de bezetting was een totale afwijzing van het nieuwe regime: ‘Je kunt niets verwachten. Het enige is alles volstrekt af te kappen, volstrekte tegenstand en nergens aan meewerken.’[5]

Hij keerde na de meidagen niet terug bij Het Volk. Besprekingen daarover waren op niets uitgelopen.[6] Wiardi Beckman was ervan overtuigd dat in de nieuwe omstandigheden de krant niet gemaakt zou kunnen worden naar de maatstaven die hij hoog wilde houden. Hij keerde evenmin terug in de Eerste Kamer. Toen de mogelijkheid daartoe zich voordeed in mei 1941, werd een verklaring geëist dat hij noch zijn echtgenote ‘geheel of gedeeltelijk van joodschen bloede zijt’. Hij weigerde: een dergelijke discriminatie was in strijd met het Nederlands recht.[7]

In verzet

Wat was Wiardi Beckmans rol in het verzet? Warendorf schreef aan De Jong: ‘Waar het mij om gaat is de in alle opzichten grote figuur van “Stuuf” Wiardi Beckman recht te doen wedervaren. Want hij was ’t en niemand anders, die zowel op politiek gebied als in het contact met de illegale groeperingen de leidende rol heeft gespeeld.’[8] Maar Wiardi Beckman zelf was uiterst discreet – hij hield zijn kaarten tegen de borst. ‘Een echte professional in het verzet’, zo typeerde geheim agent Peter Tazelaar hem, die de opdracht had hem naar Londen te laten oversteken.[9]

Degene die misschien wel het meeste zicht had op zijn illegale activiteiten was Herman Friedhoff, de zoon van een vriend van de familie Wiardi Beckman. Hij werd koerier en secretaris-in-oorlogstijd voor Wiardi Beckman. Hij maakte ontmoetingen mee tussen Wiardi Beckman en een Duitse officier, die tot het anti-nationaalsocialistische kamp behoorde. Hij was er bij toen Wiardi Beckman gesprekken voerde tussen de politieke en de semimilitaire kant van het verzet. Hij discussieerde met hem over de oprichting van het illegale Parool, waarbij Wiardi Beckman een rol speelde.[10]

Wiardi Beckman was ook betrokken bij de samenwerking van de politieke groeperingen, bij de zogenoemde groep-Scholten, de oprichting van het Groot Burger Comité[11] en bij de illegale activiteiten van de SDAP. Onder meer schreef hij een nota over de toekomst van de partij en over de politieke verhoudingen na de oorlog en sprak hij op clandestiene bijeenkomsten. Maar Friedhoff stelde terecht vast: ‘Weinig mensen weten precies wat oom Stuuf allemaal uitvoerde, zelfs het RIOD niet.’[12] En hijzelf wist ook lang niet alles.

Wat duidelijk was: Wiardi Beckman was geen man ‘om rails op te breken’, om zelf sabotage te plegen. Zijn illegale activiteiten waren er vooral op gericht ‘de mensen niet te laten inslapen’ en hun weerbaarheid tegen de bezettingsmacht te stimuleren. Dit is een typering van advocaat Freek van Hattum, met wie Wiardi Beckman bevriend was en bij wie hij bijna een jaar ondergedoken was.[13] Zijn collega-journalist bij Het Volk, Levinus van Looi, schreef:

‘Hij was in 1940 reeds, een van de belangrijkste mannen uit het geestelijk verzet. Het geestelijk verzet, dat de zin vormde en de basis legde van het daadwerkelijk verzet, dat zonder geestelijke inhoud weinig waarde zou hebben gehad. Samen met andere mannen uit politieke, industriële en wetenschappelijke kringen, werkte men aan plannen, die de bedoelingen van de bezetter tegenwerkten, hield men zoveel mogelijk het volk in de goede richting, beraadslaagde over hoe te gelegener tijd het geestelijk verzet zou moeten overgaan in daadwerkelijk verzet. In deze beraadslagingen was Wiardi Beckman waarschijnlijk de jongste, maar stellig één naar wiens bezonken oordeel en onwrikbaar vast richtingwijzen, vele besluiten zijn vastgesteld.’[14]

Die geestelijke grondslag was natuurlijk niet voor iedereen dezelfde en speelde niet voor iedereen dezelfde rol. Sommigen hadden een impulsieve dadendrang, een gevoel van vanzelfsprekende plicht. Voor anderen speelde loyaliteit aan Oranje en het vaderland een hoofdrol, voor weer anderen het vooruitzicht van een radicaal andere maatschappelijke en politieke orde na de oorlog. Wiardi Beckman formuleerde zijn credo in een tweetal lezingen, die in de bezettingstijd een ruime verspreiding kregen dankzij de publicatie ervan door uitgeverij Tjeenk Willink in Den Vaderlant ghetrouwe (1940) en Dat, wat blijft (1941). Van Den Vaderlant ghetrouwe werden in 1940 zevenduizend en in 1941 vierduizend exemplaren verkocht.[15]

Grondslag voor het geestelijk verzet

De eerste lezing, ‘Onszelf blijven!’, schreef Wiardi Beckman voor een bijeenkomst van de Amsterdamse afdeling van de Liberale Staatspartij op 14 september 1940. Hij zou er samen met de juridisch hoogleraren Ben Telders (tevens voorzitter van de Liberale Staatspartij) en Paul Scholten (behorend tot de CHU) spreken, maar als gevolg van nieuwe maatregelen van de bezetter ging de bijeenkomst niet door.

Op 23 maart hield Wiardi Beckman een voordracht voor de Remonstrants-Gereformeerde Gemeente in Haarlem, waar hij en zijn echtgenote Riet bij waren aangesloten, onder de titel ‘Blijvende waarden in de geschiedenis’. In ‘de warreling van feiten, verordeningen en schallende woorden’, in de omstandigheden van oorlog en bezetting dus, zo hield Wiardi Beckman zijn gehoor in Haarlem voor, is het nodig om het wijdere verband te blijven zien ‘opdat wij onder onze voeten houden den vasten grond van dat, …. wat blijft’.[16] De vaste grond zocht en vond hij in zijn geloof én in het verleden van de Nederlandse natie, waarbij hij natie opvatte als een gezamenlijkheid van maatschappelijke gebruiken, taal en cultuur, van een saamhorigheid gegroeid en bevestigd in een historische lotsgemeenschap.

Het Nederlandse ‘volkskarakter’ was, aldus Wiardi Beckman, voortdurend in ontwikkeling, maar beslissend voor de vorming ervan was ‘de geschiedenis van de eerste eeuw van ons zelfstandig volksleven; in die jaren van strijd en snelle ontplooiing, in die periode, toen het kleine Nederland zijn grote rol vervulde in de Europese samenleving, heeft de Nederlandse natie ook in geestelijke zin haar definitieve vorm gevonden’.[17] Er ontstond toen een cultuur die wezenlijk afweek van het heersende patroon in het zeventiende-eeuwse Europa.

Al voor de Tachtigjarige Oorlog waren bepaalde karaktertrekken aanwezig: Wiardi Beckman wees op de betekenis van het humanisme van Erasmus, dat verdraagzaamheid en individualisme vertegenwoordigde. Zij zouden tijdens de Opstand verder worden gevormd. Daarbij speelden zowel de ‘rekkelijke’ Erasmianen als de ‘precieze’ Calvinisten een sleutelrol, soms elkaar bestrijdend, soms elkaar stimulerend. Hij hield het verzet van toen ten voorbeeld aan het verzet in zijn eigen tijd: ‘Hoeveel gelegenheden om op veelzins redelijke gronden het verzet op te geven, hebben zij voorbij laten gaan!’[18]

Het verzet in de Nederlandse gewesten richtte zich tegen bestuurlijke centralisatie en godsdienstig fanatisme, tegen absolutisme en geestelijke gelijkvormigheid. Daartegenover plaatste de Republiek vrijheden van stad en adel, die uitmondden in een gedecentraliseerd bestuurlijk stelsel waarin de maatschappelijke en politieke krachten elkaar in een zeker evenwicht hielden en verscheidenheid werd gewaarborgd. De vrijheidszin was de kern: ‘Geestelijke vrijheid, vrijheid van godsdienstige en van staatkundige overtuiging.’[19]

Bij deze vrijheid hoorde de zin voor recht en rechtvaardigheid én verdraagzaamheid: ‘Wie immers voor zichzelf de vrijheid vraagt, zijn oprechte overtuiging te belijden en te dienen, kan dit in redelijkheid aan een ander niet ontzeggen.’[20] Wiardi Beckman vatte in maart 1941 samen

‘De vrijheid – de vrijheid van geest zoowel als de staatkundige vrijheid –, zij is bij ons van ouds inheemsch. Dit is wel het sterkste van de fundamenten, waarop het Nederlandsche volksleven is opgetrokken. Wij stellen haar voorop, als wij ons zetten, om in de geschiedenis van onze natie te zoeken naar dat, wat blijft. En bij deze vrijheid, die onafhankelijke critiek en speelruimte voor ieders ernstig persoonlijk oordeel insluit, behoort de zin voor recht en rechtvaardigheid. […] Anderzijds behoort onverbrekelijk bij den Nederlandschen vrijheidszin het respect voor de menschelijke persoonlijkheid; óók voor de persoonlijkheid van den ander, welke ook zijn kleur, zijn overtuiging mogen zijn. En zoo komen wij nogmaals tot de tolerantie, tot de verdraagzaamheid, zonder de welke het leven van het geestelijk zoo verscheiden Nederlandsche volk zou verstikken. […] Blijvende waarden uit de Nederlandsche geschiedenis, waarop wij fier mogen zijn. Blijvende waarden, die verplichtingen opleggen aan wie zijn volk trouw wil zijn.[21]

Natuurlijk waren er ‘vele staaltjes van onverdraagzaamheid, van ergerlijke onverdraagzaamheid soms’. Zeventiende-eeuws Nederland zou niet passen in een twintigste-eeuws begrip van verdraagzaamheid. Wiardi Beckman besefte heel goed ‘dat de geschiedenis van dit oude Nederland donkere bladzijden heeft; binnenlands waren vele ongerechtigheden aan te wijzen, er is onrecht gepleegd’.[22] Middeleeuwse ‘vrijheden’, privilegiën eigenlijk, voldeden niet aan moderne vrijheidsbegrippen. Maar de kern was volgens Wiardi Beckman dezelfde, al was de inhoud van het begrip vrijheid ‘met de ontwikkeling van maatschappelijke toestanden en opvattingen […] ongetwijfeld veranderd’.[23]

Naar de maatstaven van die tijd, ‘gemeten met de betrekkelijkheidsmaatstaf van den geschiedkundige’ was de Republiek ‘een toonbeeld van tolerantie’ en een Europees ‘centrum van vrijen geest en vrij wetenschappelijk onderzoek’.[24] Voor Wiardi Beckman ging het om dit algemene beeld. Hij stelde: ‘en wie dit onbevangen beschouwt, zal toegeven, dat voor de verhoudingen van die dagen, de vrijheid van geest en geweten op Nederlands gebied thuis waren’.[25]

De verpersoonlijking van wat de vrijheid van de Hollandse wetenschap betekende was Hugo de Groot, ‘alzijdige Erasmiaan’, een ‘ongeëvenaard veelzijdige geest: jurist, historicus, actief diplomaat; man van een verbluffende geleerdheid, die zijn gaven in dienst stelde van de beginselen van vrijheid en recht; grondlegger van het volkenrecht. Huig de Groot, de humanist, zowel in de oude als in de moderne betekenis van het woord.’[26]

Zo zette Wiardi Beckman het beste van de Nederlandse traditie in tegen de willekeur, terreur en aantasting van het recht door de Duitse bezetter. Wij moesten onszelf blijven, trouw aan de ‘eigen instellingen en eigen tradities, aan het eigen wezen’ van Nederland.[27] Daarbij keerde hij zich scherp tegen de vernieuwers en hervormers, zoals de mannen van de Nederlandse Unie, die het Nederlandse politieke bestel op de schop wilden nemen onder de voorwaarden van de Duitse bezetting. Hij wilde geen hervormingen, geen vernieuwingen in bezettingstijd, want: ‘In tijd van vreemde bezetting doet men beter, de critiek op het goede, eigen nest binnen de wal van zijn tanden te houden.’[28] Beckman pleitte voor het behoud van ‘het wezen van ons nationaal bezit’, van onze verworven vrijheden.

Van Scheveningen naar Dachau

Op 23 november 1941 landde geheim agent Peter Tazelaar op het strand van Scheveningen met de opdracht van koningin Wilhelmina en minister-president Gerbrandy om Wiardi Beckman te vragen naar Londen te komen. Wilhelmina was er op gebrand om mensen uit bezet gebied in het kabinet te krijgen. Voor Wiardi Beckman had zij grote bewondering. ‘Zij achtte hem de ideale man: christelijk, vooruitstrevend en van goede familie’, aldus Herman Friedhoff, die na zijn Engelandvaart kennis had gemaakt met de koningin.[29]

Tazelaar was door Erik Hazelhoff Roelfzema, Chris Krediet en Bob Goodfellow afgezet. Het was de bedoeling dat zij hem en Wiardi Beckman op dezelfde plek zouden komen ophalen. Dit waagstuk was bijna gelukt, maar liep uiteindelijk – als gevolg van verraad – fataal af. Wiardi Beckman werd samen met twee andere verzetsmensen opgepakt. Na een lange tocht door gevangenissen en kampen was hij nog ongebroken. In Dachau sprak hij de woorden uit: ‘Ik ben er trots op niet geschikt te zijn voor een concentratiekamp.’[30] Daar overleed hij op 15 maart 1945 aan vlektyfus. Zijn kampgenoot Bekkie de Loos schreef dat Wiardi Beckman ‘gedurende zijn gehele gevangenschap eigenlijk niet opgehouden heeft om, waar mogelijk, en zonder onderscheid des persoons, geestelijk voedsel te schenken als tegengif, als wapen tegen de verderfelijke invloed, die door de SD, SS en kampbeulen op de gevangenen werd uitgegoten’.[31]

Dit artikel is grotendeels ontleend aan Becker & Becker, Op verzoek van Hare Majesteit. De oorlog van Wiardi Beckman, te verschijnen bij Boom uitgevers Amsterdam, 15 maart 2020. In aanloop van de boekpresentatie schrijven Tamara en Frans Becker elke week een blog op www.wiardibeckman.com.

Het boek van Becker en Becker is hier te bestellen.

Noten

  1. Brief van Wiardi Beckman aan Sal Witteboon, 15 juli 1940. Familiearchief Wiardi Beckman (FA), Map J.
  2. Amsterdam Museum gebruikt term 'Gouden Eeuw niet meer. Geraadpleegd van https://www.amsterdammuseum.nl/nieuws/gouden_eeuw.
  3. Brief van Hans Warendorf aan De Jong, 3 maart 1973. NIOD, Fiches De Jong behorend bij L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog V, maart ’41 - juli ’42, tweede helft (’s-Gravenhage 1974) hoofdstuk 9.
  4. Brief bevindt zich in FA, Map I.
  5. Hans Daalder, Verslag van het gesprek met Wil Wiardi Beckman, 1 augustus 1955. FA, Map D.
  6. Typoscript van Sal Witteboon, ‘Enkele zeer persoonlijke herinneringen aan de krant (gebeurtenissen, gesprekken en personen) in de eerste maanden van de oorlog (mei-juli 1940)’, 1945. Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Archief S. Witteboon, Arch 02233.
  7. Brief van de secretaris van het Centraal Stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal aan H.B. Wiardi Beckman, 13 mei 1941; kopie van de brief van Wiardi Beckman aan de secretaris van het Centraal Stembureau te ’s Gravenhage, 16 mei 1941. FA, Map H.
  8. Brief van Warendorf aan De Jong, 3 maart 1973. NIOD, Fiches De Jong behorend bij Idem, Koninkrijk V 2, hoofdstuk 9.
  9. Brief van Joh.S. Wijne aan Marijke Halbertsma-Wiardi Beckman, 29 juni 1981. FA, Map D. Wijne refereert aan het gesprek dat hij met Peter Tazelaar heeft gehad.
  10. Herman Friedhoff, Talk to the Intelligence and Politics Study Group at Oxford University about Requiem for the resistance at Balliol College, 27 February 1989. FA, Map D.
  11. Het Groot Burger Comité was een combinatie van de samenwerkende grote politieke partijen (in het Politiek Convent) en de groep-Scholten (een groep vooraanstaande politiek betrokken jongeren rond de Amsterdamse hoogleraar recht Paul Scholten), aangevuld met twee personen van buiten de politiek: de bankier E.E. Menten en regeringscommissaris belast met de wederopbouw J.A. Ringers.
  12. Brief van Friedhoff aan Halbertsma-Wiardi Beckman, 24 oktober 1987. FA, Map D. Friedhoff, Requiem for the resistance. The civilian struggle against Nazism in Holland and Germany (Londen 1988), p. 49.
  13. Hans Daalder, Verslag van het gesprek met F.W.D.C.A. van Hattum, 10 augustus 1955. NIOD, Parool, 185c, inv.nr. 204.
  14. Levinus van Looi, ‘Herinnering aan een groot mens’, Voormalig Verzet Nederland, 1965.
  15. Johan S. Wijne, Stuuf Wiardi Beckman. Patriciër en sociaal-democraat (Amsterdam/Brussel 1987) 146.
  16. Zijn lezing ‘Blijvende waarden in de geschiedenis’ werd gepubliceerd onder de titel ‘Geschiedenis als opdracht’. H.B. Wiardi Beckman, ‘Geschiedenis als opdracht’, in: W.R.M. Noordhoff, H.B. Wiardi Beckman en F. Kleijn, Dat, wat blijft (Haarlem 1941), pp. 34-64, aldaar p. 34.
  17. Ibidem, p. 35.
  18. H.B. Wiardi Beckman, ‘Onszelf blijven!’, in: H.B. Wiardi Beckman, B.M. Telders en Paul Scholten, Den vaderlant ghetrouwe (Haarlem 1940) 7-18, aldaar p. 9.
  19. ibidem, p. 13.
  20. Ibidem.
  21. Wiardi Beckman, ‘Geschiedenis’, pp. 63-64.
  22. Wiardi Beckman, ‘Onszelf blijven!’, p. 10.
  23. Ibidem, p. 9.
  24. Wiardi Beckman, ‘Geschiedenis’, p. 54 resp. p. 56.
  25. Wiardi Beckman, ‘Onszelf blijven!’, p. 10.
  26. Wiardi Beckman, ‘Geschiedenis’, p. 52.
  27. Wiardi Beckman, ‘Onszelf blijven!’, p. 8.
  28. Ibidem, p. 13.
  29. Madelon de Keizer, Verslag van het gesprek met H. Friedhoff, 2 februari 1985. NIOD, Parool, 185c, inv.nr. 214.
  30. Toespraak van Pim Boellaard, 8 september 1960, erebegraafplaats Loenen. FA, Map C1.
  31. Tekst, mogelijk van een toespraak, van Bekkie de Loos, ‘Dr. H.B. Wiardi Beckman’, augustus 1960. FA, Map K.

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2019)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik de Boer, Meike Bokhorst, Wimar Bolhuis, Klara Boonstra, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [hoofdredactie], Wiljan Linders [eindredactie]

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl