Nadat Nederland jarenlang de ambitie tot duurzaamheid vooral met de mond beleden heeft, en met knap reputatiebeheer de illusie in stand heeft weten te houden dat we met ons klimaatbeleid vooroplopen, staat er met het huidige regeerakkoord echte ambitie in de boeken. Maar verder dan 2030 wordt niet gedacht, en daarmee zouden we ons wel eens goed in de nesten kunnen werken.

De doelstelling van 49% emissiereductie in 2030 ten opzichte van 1990, en bereid zijn tot 55% te gaan als andere landen mee willen, is zo ongeveer in lijn met de temperatuurdoelen van Parijs. Nederland zou daarmee wel eens een van de eerste Europese landen kunnen zijn die belijden wat Parijs voorschrijft. De meeste EU lidstaten hebben geen plannen om verder te gaan dan de 40% reductie die binnen de EU is afgesproken. Nederland neemt weer verantwoordelijkheid.

Wat ook opvalt, en waar het bij eerdere ambitieuze doelstellingen steevast aan ontbrak, is dat er al een indicatie wordt gegeven waar die emissiereducties vandaan moeten komen. In een tabel staat per sector een ‘indicatieve toedeling’ van emissiereducties opgesomd die optellen tot de benodigde 56 miljoen ton broeikasgasreductie.

Binnen die 56 miljoen springen de 20 miljoen ton van CO2 afvang en opslag (CCS, naar de Engelse afkorting) in de industrie en afvalverbrandingsinstallaties in het oog. Over CCS wordt in Nederland al zeker 15 jaar vooral heel veel gepraat en geruzied. Wetenschappers geven aan dat het nodig is, zeker in de industrie en in combinatie met biomassa, maar proefprojecten ketsten af op publieke weerstand of economische onhaalbaarheid. In de jaren na het in 2010 afgeschoten Barendrecht-project durfde geen politicus zich openlijk te associëren met CCS. En nu staat het, zeer prominent, in het regeerakkoord.

Eindelijk dus aandacht voor CCS, maar moet het meteen zo veel? Het regeerakkoord wedt wel erg op één paard. Nog afgezien van ondergrondse opslagcapaciteit, is voor nog lang niet alle grote CO2-bronnen duidelijk hoe die afvang gaat werken. Het vergt een enorme inspanning, die onmiddellijk moet beginnen, om in 2030 tot die 20 miljoen ton te komen. De minimumprijs voor CO2 in de elektriciteitssector gaat niet helpen; de industrie blijft buiten schot terwijl je juist daar met een hogere CO2-prijs de prikkel voor CCS en andere opties zou willen versterken. CCS in de elektriciteitssector hoeft voorlopig niet; de kolencentrales worden immers gesloten. Pas na 2030 hoef je serieus aan CCS op biomassa- en gascentrales te gaan denken, al zou onderzoek en demonstratie vòòr 2030 misschien wel raadzaam zijn.

Er is al veel gezegd over CCS, maar wat de meeste zorgen zou moeten baren is het gebrek aan langetermijnvisie. In tegenstelling tot het regeerakkoord van 2012 zwijgt dat van 2017 in alle talen over de energiehuishouding in 2050. Dat is pas écht een risico. De lijst maatregelen voor 2030 zijn lang niet allemaal geschikt voor de vrijwel nul-emissie maatschappij die we in 2050 moeten hebben, als we het Parijsakkoord eerbiedigen, maar hebben wel terugverdientijden van decennia. Een voorbeeld is CCS in raffinaderijen. Nederland is niet het enige land dat na 2030 geen nieuwe benzineauto’s meer op de weg wil. Dat betekent dat er in al in 2040 beduidend minder raffinagecapaciteit nodig is. Een substantieel deel van de 20 miljoen ton aan CCS zal in de raffinagesector worden toegepast. Door in te zetten op 2030 maar niet te denken aan 2050 lopen we dus het risico dat niet alleen de raffinaderijen, maar ook de CCS-installaties waardeloos blijken.

Indien een klimaatminister inderdaad de verantwoordelijkheid krijgt voor de uitvoering van de klimaatdoelen, zal deze zeggenschap moeten krijgen over de elektriciteitssector en over de industrie. Een goedbedoeld advies in het belang van de Nederlandse industrie, het klimaat en gericht aan alle mensen die in de energie-intensieve industrie werken: herzie de ‘indicatieve toedeling’ in het regeerakkoord om de risico’s van teleurstellende resultaten van CCS, het niet toekomstbestendig maken van de industrie en het grandioos missen van doelstellingen voor 2050 te vermijden.

> De Wiardi Beckman Stichting vroeg wetenschappers en deskundigen uit haar netwerk om een reactie op het Regeerakkoord. Lees ook de analyses, van onder anderen Flip de Kam, Marith Volp, Klara Boonstra, Rinda den Besten, Menno Hurenkamp, Bob Deen, Bart van Bruggen, Marco Florijn en Wim Derksen.