Twintig jaar geleden lieten Paul Scheffer (Het multiculturele drama) en Felix Rottenberg (De Akbarstraat) het debat over integratie ontvlammen. Nu, twee decennia later, komen ze allebei met een ‘update’. Jan Willem Duyvendak meent dat beide opiniemakers zich rond 2000 gedroegen als drama queens. ‘Rottenberg lijkt geleerd te hebben van de afgelopen twintig jaar, Paul Scheffer is hardleerser.’

Door: Jan Willem Duyvendak
Hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van NIAS-KNAW

Het was een fraai tweeluik, de uitzendingen Terug naar de Akbarstraat, gemaakt door Felix Rottenberg en geregisseerd door Gülsah Dogan. We leren een snel veranderende buurt kennen, waarin de bewoners met een migrantenachtergrond nu de langst-ingezetenen zijn. Zij verwachten van de nieuwe instroom van witte middenklasse-bewoners dat zij zich zullen aanpassen aan hun gewoonten, want zij wonen daar het langst.

Het is de omgekeerde wereld vergeleken met de situatie die Rottenberg vastlegde in zijn eerste film die hij, in dezelfde Kolenkit-buurt, in 2002 draaide. Toen werd van migranten geëist dat zij zich moesten aanpassen aan hun nieuwe buurt, overwegend bewoond door witte Nederlanders met een laag inkomen.

Een stadssocioloog zou zeggen: interessant, maar ‘what is the point?’, want snelle veranderingen in de bevolkingssamenstelling zijn eigen aan het wonen in wijken in grote steden. Maar in dit geval was en is er meer aan de hand. Rottenberg ging in 2002 op zoek naar de plek waar het door Paul Scheffer ontwaarde 'multiculturele drama' zich zou afspelen. En hij toonde inderdaad een tamelijk dramatisch beeld.

Voor 2002 waren veel witte Nederlanders al uit de buurt vertrokken omdat ze hun slechte huizen konden inruilen voor betere woningen, elders in Amsterdam of in omliggende dorpen, groeikernen of steden. De hoge instroom van migranten speelde bij hun vertrek vaak een rol: de wijk werd armer en 'zwarter'. De Kolenkitbuurt bevond zich naar het oordeel van bewoners en politici in een negatieve spiraal.

In het kader van 'stedelijke vernieuwing' werd daarom besloten om de buurt, samen met andere 'Vogelaarwijken', aan te pakken. Dit kwam in de praktijk neer op de sloop van sociale huurwoningen en de bouw van koopwoningen, resulterend in een nieuwe in- en uitstroom van bewoners. Het netto-effect is dat de wijk nu weer wat rijker en witter wordt.

Rottenberg laat in zijn nieuwe serie reportages de sloop- en bouwactiviteiten uitgebreid zien omdat de wijk in twintig jaar een heuse metamorfose heeft ondergaan. Hierin heeft de politiek – en zeker ook de PvdA ­ – een grote rol gespeeld. Allerlei beleidsideeën over menging, sociale cohesie en sociale mobiliteit moesten in de Kolenkitbuurt en in vergelijkbare wijken in de praktijk worden gebracht. Rottenberg wil achterhalen hoe dat heeft uitgewerkt en keert daarom terug naar de Akbarstraat.

De inzet van de serie is daarmee hoger dan zomaar een portret van een willekeurige buurt in Amsterdam. De ambitie reikt verder want aan de hand van de Akbarstraat raakt Rottenberg aan grote thema's: hoe gaat het nu écht met het samenleven in multi-etnisch Nederland? Bestaat het multiculturele drama? Sinds de publicatie van Scheffers essay waren veel politici en opiniemakers ervan overtuigd geraakt dat zich een stil drama voltrok in 'achterstandsbuurten'. Dat drama zou decennialang over het hoofd zijn gezien en dat zou nooit meer mogen gebeuren. Sindsdien worden in alle media, ook de serieuze, eindeloos veel witte Nederlanders geïnterviewd op levensechte plekken (vooral de markt is heel populair bij journalisten) met de vraag wat zij van ‘de integratie’ vinden. Geen emotie mag onopgemerkt blijven in deze genoegdoening voor veronderstelde politieke verwaarlozing.

Rottenbergs eerste uitzending in 2002 paste naadloos in deze aandacht voor ‘het alledaagse leven’. Geen hoogdravende beschouwingen van wetenschappers over de multiculturele samenleving maar een direct verslag van het ‘echte leven’, vol emoties, vol drama. Rottenberg, vooraanstaand lid van de Partij van de Arbeid, leek het alarmistische ‘gelijk van Scheffer’ met zijn uitzending nogmaals te bewijzen. Nu het exact twintig jaar geleden is dat Scheffer zijn essay publiceerde, brengt Rottenberg een nieuw tweeluik uit. Enerzijds kiest hij weer voor het centraal stellen van spanningen tussen groepen. Anderzijds ontstijgt Rottenberg dit keer een louter dramatische lezing van het leven in de Kolenkitbuurt. Laten we kijken hoe hij dit doet.

Blindstaren op de buurt

De portretten die Rottenberg schetst van talloze buurtbewoners en lokale 'instituties' van de sportschool, de middenstandswinkel, de basisschool geven tezamen een goed beeld van de grote veranderingen in de buurt. Naast verandering, valt ook de continuïteit op: de etnische achtergrond van bewoners mag dan niet meer dezelfde zijn als voorheen, velen leiden nog steeds een moeizaam bestaan.

De buurt wordt door gentrificatie gemiddeld weliswaar welvarender, maar de armste bewoners worstelen met schulden, taalachterstand, verslavingen en gebrek aan perspectief. Toch zijn de uitzendingen van 2020 positiever gestemd dan die in 2002. Terwijl toen de somberte overheerste, zien we nu veel bewoners met wie het beter gaat, ook al hebben ze lang niet allemaal bereikt waarvan ze in 2002 droomden.

De verbetering van de buurt wordt vooral in beeld gebracht door de nieuwbouw, die soms heftig contrasteert met de resterende sociale woningbouw. Rottenberg laat zien dat het bouwen zelf, het loutere feit dat er in de buurt geïnvesteerd wordt, een belangrijk mentaal effect heeft. Bewoners van de Kolenkitbuurt hebben het gevoel dat ze er weer toe doen (hierbij zal overigens meespelen dat relatief veel bewoners van sociale huurwoningen in de buurt kunnen blijven wonen of er terug kunnen keren). De politieke aandacht voor de 'achterstandswijk' vertaalt zich in aanzienlijke investeringen - ook al heeft dit kostbare proces van stedelijke vernieuwing door de financiële crisis vertraging opgelopen.

Naar aanleiding van de fysieke veranderingen in de Kolenkitbuurt gaat het in de interviews voortdurend over 'menging'. Dat leidt soms tot spraakverwarring: over welke menging hebben we het nu precies? De menging van oorspronkelijke bewoners met nieuwkomers? Maar wie is oorspronkelijk en wie is nieuw? De witte bewoners van het eerste uur blijken nu net zoveel kritiek te hebben op de instroom van 'witte yuppen' als dat ze dat eerder op migranten hadden. De migranten noch de witte yuppen hebben hen veel te bieden, vinden ze. Hun komst leidt nauwelijks tot sociale contacten en de laatste buurtwinkels houden ze ook niet overeind.

Rottenberg laat de mokkende witte oudere bewoners uitgebreid aan het woord maar zegt weinig over wat hun teleurstelling betekent voor de hoogdravende beleidsambities: was het een goed idee om de sociaal-culturele diversiteit te bezweren door in te zetten op sociaaleconomische menging? Rottenberg blijft ver van dergelijke discussies. Hij vindt blijkbaar dat de alledaagse consequenties voor zich spreken.

En inderdaad, door de werkelijkheid zo op de huid te zitten, krijgen we prachtige beelden van klaverjassende witte ouderen en migrantenvrouwen die op cursus leren voor zichzelf op te komen. Hoe dingen gaan, zien we, maar waarom gaan ze zo? We krijgen veel beelden voorgeschoteld van een klein gebied maar door Rottenbergs aanpak zien we ook veel niet. Want de Akbarstraat staat niet op zichzelf, net zomin als de Kolenkitbuurt in haar geheel dat doet. Wie er komt te wonen, wordt bepaald door woningbouwcorporaties en door nieuwe investeerders in de wijk.

Of bewoners perspectief hebben, wordt maar in zeer beperkte mate door de buurt beïnvloed. De kansen op arbeid hangen sterk van opleiding en economische conjunctuur af en, in het geval van migranten, van de mate van discriminatie. Banen zijn er nauwelijks in de buurt vandaar ook dat Rottenberg met een bewoner naar buiten de buurt moet als de laatste trots wil laten zien welke hoogbouw mede onder zijn leiding uit de grond is gestampt.

Of bewoners rond kunnen komen, wordt evenmin in de buurt bepaald. Niets is belangrijker voor de sociaaleconomische zekerheid van buurtbewoners dan het bestaan van een nationale verzorgingsstaat. Dat Rottenberg in de wijk armoede en schulden tegenkomt, heeft dan ook vooral met landelijk beleid te maken en weinig met de wijk zelf. Om te kunnen begrijpen wat we in de reportage over de buurt zien, moeten we dus buiten de wijk kijken: hoeveel (extra) geld gaat er naar de achterstandsscholen in de buurt? Hoeveel uitkeringen worden overgemaakt en hoe hoog (of laag) zijn die in de loop van de tijd? Hoe zit het met allerhande toeslagen? Naast deze financiële stromen gaat het ook om de fysieke bewegingen in en uit de buurt: hoeveel bewoners gaan er buiten de buurt naar hun werk? En omgekeerd: welke mensen komen van buiten om in de buurt te werken: leraren, politieagenten, huisartsen, wijkverpleging? Dit zijn ook empirische kwesties maar Rottenberg is daarin minder geïnteresseerd. Hij houdt zijn reportage letterlijk klein.

Daarbij richt hij zich sterk op de onderlinge verhoudingen tussen bewoners, die hij vooral lijkt te zien als deel van een groep: de nieuwe, witte yuppen, de oude klaverjassende witte buurtbewoners, de assertiever wordende migrantenvrouwen. En wat blijkt? De verhoudingen binnen deze groepen zijn vaak uitstekend, terwijl de relaties tussen hen bepaald niet warm zijn. Daarvan krijgen we talloze voorbeelden te zien, ook van onbeholpen pogingen van bewoners om juist hun beste beentje voor te zetten en zich open te stellen voor anderen.

Een groep witte ouders die de basisschool meer gemengd wil maken, raakt diep gefrustreerd, met name als ouders met een migratieachterstand hun bedoelingen en de uitvoer van de mengingsplannen licht racistisch vinden. We zien hele boze ouders, maar bar weinig analyse van wat er precies misgaat. Terug naar de Akbarstraat is in die zin een echte dramaserie: collectieve emoties lijken de belangrijkste argumenten te zijn geworden. Dat zorgt voor mooie televisie, maar het is en blijft wel emotietelevisie.

Met het verstrijken van de tijd

Dat is echter niet het hele verhaal; Rottenbergs recente tweeluik graaft soms wel dieper. Zo komen we wijkbewoners tegen die in 2002 ook al in de uitzending zaten. Hoe is het hen vergaan? Hier zijn de verhalen individueler. Het meest schrijnend is de buurtbewoner die per ongeluk met groot materieel wordt aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij terrorisme. We zien welke enorme impact dit op zijn leven heeft gehad.

Opvallend is echter dat dit het enige moment in beide uitzendingen is dat islamitisch geïnspireerd terrorisme aan de orde komt terwijl dit in de afgelopen twintig jaar toch een enorme invloed heeft gehad op de publieke beeldvorming (en afkeuring) van ‘de islam’. Leven de aanslagen helemaal niet bij de buurtbewoners? Wordt hun alledaagse leven echt uitsluitend bepaald door wat er in de buurt gebeurt? Dat is onwaarschijnlijk. Socioloog Paul Mepschen laat in zijn proefschrift Everyday Autochthony zien dat de taal waarin buurtbewoners over elkaar praten en de emoties die zij beleven, sterk samenhangen met wat er op nationaal gebeurt en gezegd wordt.

Door 2002 en 2020 te vergelijken kan Rottenberg veel laten zien van de ontwikkeling van individuele bewoners. Zo worden zij meer dan louter groepsleden. Tegelijkertijd gebeurt er door de tijdsafbakening iets anders: veranderingen binnen die 18 jaar komen wel in beeld, maar het lijkt nu alsof de geschiedenis van migratie en integratie pas in 2002 begint, toen ‘de politiek wakker was geworden’ na Scheffers interventie. Maar dat klopt natuurlijk niet.

We springen in de uitzending nu van de opbouwfase van Amsterdam Nieuw-West begin jaren zestig, met vrolijk ogende witte bewoners, naar de instroom van migranten die er sloverig en ‘anders’ uitzien in de jaren tachtig, en dan is het al snel 2002. 'Stedelijke vernieuwing' wordt door deze chronologie gepresenteerd als de eerste ingreep van overheidswege om iets aan de buurt te doen, waarbij Rottenberg voorbij gaat aan de talloze initiatieven in de jaren tachtig en negentig om problemen in dit type buurten aan te pakken. Dat er voor 2002 al veel in en aan deze wijken is gebeurd, bijvoorbeeld als onderdeel van het Grote Stedenbeleid dat in de jaren negentig voor veel extra aandacht en geld voor probleemwijken zorgde, moet de kijker er zelf bij bedenken.

Door die geschiedenis weg te laten, lijkt het net alsof Scheffer in 2000 als eerste (na Bolkestein) problemen durfde te 'benoemen' en de politiek moest wakker schudden. In dat beeld past ook het onjuiste idee dat ‘linkse politici hadden weggekeken’ of, nog erger: ze hadden met hun 'multiculturele politiek' de oorspronkelijke Nederlanders in de steek gelaten. ‘Ze knuffelden allochtonen’ en zagen niet welk drama zich onder 'gewone Nederlanders' voltrok.

Vooral PvdA’ers trokken vanaf 2000 het boetekleed aan: zij hadden het drama niet alleen gemist, misschien was het wel aan hun beleid te wijten. Als ware flagellanten gingen ze mee in de kritiek op hun 'relativistische politiek' die de problemen van de Akbarstraat zou hebben veroorzaakt.

Sociaal-democraten hebben sinds 2000 een onnodig sterke zelfhaat ontwikkeld. Onnodig omdat hen veel minder te verwijten viel dan ze zelf gingen geloven. Zo is er weinig enthousiast 'multicultureel beleid' geweest.[1] Ook zijn echte cultuur-relativistische PvdA'ers volgens mij een schaars soort (ik kom zelf uit een sociaal-democratisch nest en herinner me vooral veel moralisme en het opgeheven vingertje van ‘Nederland gidsland’). Doordat Rottenberg de geschiedenis van migranten eigenlijk pas in 2002 laat beginnen, toont hij in zijn eerste uitzendingen een foto, waarop staat wat er allemaal niet deugt, zonder oog te hebben voor de vooruitgang die dan al is geboekt.

Hij laat geen ontwikkeling, geen film zien. Scheffer en Rottenberg zijn rond 2000 beiden drama queens: ze overdrijven de problemen, hebben geen adequate kennis van het integratieverleden en extrapoleren uit het veronderstelde heden dramatische toekomstbeelden. Van de feiten moeten ze weinig hebben. Als de commissie-Blok nota bene mede opgericht als reactie vanuit de Kamer op Scheffers essay constateert dat het met 'de integratie' redelijk vlot, dan kan dat niet waar zijn. Er was immers een drama...?

Maar misschien moet ik Rottenberg en Scheffer niet helemaal op één lijn plaatsen, want ook in 2002 al sloot Rottenberg niet uit dat er mogelijk reden was voor enig optimisme, voor een betere toekomst. Zo vraagt hij in die toenmalige uitzending aan migrantenkinderen welke aspiraties ze hebben voor de toekomst: welke beroepen willen ze vervullen? Zullen ze later, als zij groot zijn en zelf kinderen hebben, thuis Nederlands spreken? Rottenberg lijkt op zulke momenten te onderkennen dat 'integratie' tijd kost, veel tijd, en dat hij zijn oordeel eigenlijk zou moeten opschorten. Op andere momenten kan hij de dramatisering echter niet weerstaan.

In de uitzendingen van 2020 kan hij die neiging ook niet altijd onderdrukken, maar dit keer wordt hij gecorrigeerd door een welbespraakte antropoloog, Sinan Çankaya. Hij wijst Rottenberg erop dat hij van individuen steeds weer groepsdieren maakt, waarbij de verschillen tussen collectiviteiten sterk worden aangezet, en dan met name de sociaal-culturele.

Hij vindt Rottenberg nog steeds iemand die dramatiseert. Het siert Rottenberg dat hij deze kritiek zo openlijk toont. Want niks is ondermijnender voor drama dan een nuchtere, onderbouwde blik van een échte insider Çankaya is niet alleen antropoloog maar ook nog eens buurtbewoner en dat laatste geeft hem in deze dramaserie een grote geloofwaardigheid: hij kent immers ‘het echte leven’!

Sentimentaliteit

Sinan Çankaya probeert Rottenberg vooral af te helpen van zijn 'culturalistische' blik, de neiging om te denken dat de scheidslijnen in de samenleving tussen etniciteiten en religies lopen. Daar stelt hij tegenover dat de oorspronkelijke witte bewoners en migranten veel gemeenschappelijk hebben, met name hun zwakke sociaaleconomische positie. Waarom benadrukte Rottenberg dat in 2002 niet veel meer, zo vraagt hij zich af. En hebben de migranten van weleer nu niet vooral last van rijke witte 'yuppen' die bijdragen aan de gentrificatie van de buurt?

Çankaya stelt, wat mij betreft terecht, sociaaleconomische ongelijkheden centraal, vooral in contrast met de culturalisering van het debat door Scheffer en Rottenberg in 2000 respectievelijk 2002. Maar is die gedeelde positie van de 'onderklasse' het hele verhaal? Hebben de buurtbewoners vooral veel gemeenschappelijk? Uit angst voor culturalisering lijkt Çankaya hier wel heel snel de relevantie van etniciteit en religie af te doen. Dat terwijl hij in de rest van de uitzending zelf ook het multi-etnische karakter van de wijk benadrukt en spreekt over een diverse buurt, waar blijkbaar meer aan de hand is dan alleen sociaaleconomische (on)gelijkheid.

In Rottenbergs tweeluik komen verschillende mensen te spreken over de vele nationaliteiten (wel 148) die Amsterdam herbergt. Voor de één is dit een schrikbeeld, terwijl anderen deze diversiteit niet per se onaantrekkelijk vinden, ze noemen de buurt zelfs vrolijk 'superdivers'. Maar hoezeer hun waardering ook uiteenloopt, ze delen een onterechte veronderstelling, namelijk de toename van verschillen.

Dat is verrassend: zijn in de loop van de tijd de overeenkomsten niet belangrijker geworden en de verschillen juist minder groot? Die overeenkomsten liggen zeker niet alleen in gedeelde sociaaleconomische belangen maar ook in convergerende opvattingen en gedragingen op talloze gebieden (leeftijd, huwelijk, aantal kinderen, arbeidsparticipatie mannen en vrouwen, opleidingsniveau, taalvaardigheid, et cetera).

Het benadrukken van 148 nationaliteiten doet geen recht aan het feit dat de grootste groepen migranten van weleer behoorlijk gevestigd zijn geraakt. Superdiversiteit suggereert veel te veel alsof er geen mainstream in Nederland is die voortdurend nieuwe groepen in zich opneemt. Superdiversiteits-denkers als Maurice Crul, hoogleraar sociologie aan de VU, bevestigen ten onrechte dat beeld door te suggereren dat 'witte mensen' zich nu moeten aanpassen aan de andere groepen in de buurt, alsof migranten niet zelf tot de mainstream zijn gaan behoren en alsof ze maar weinig met witte Nederlanders gemeenschappelijk zouden hebben.[2]

Deze ‘toegenomen diversiteits’-mythe is tamelijk hardnekkig. Misschien is het daarom goed om in herinnering te roepen wat Menno Hurenkamp, voormalig hoofredacteur van S&D, in 2009 schreef in een themanummer naar aanleiding van de resolutie Verdeeld verleden, gedeelde toekomst: ‘We verschillen steeds meer van elkaar, qua herkomst en afkomst maar ook qua levensstijl en gezinssamenstelling, heet het al in de eerste alinea van de PvdA-resolutie. Maar het is alleen al gezien de bandbreedte van de politieke meningen over integratie de vraag of daar iets van klopt. En wie te beroerd is dat toe te geven, steke zijn licht ’s ochtends of ’s avonds op in de buurt van de A12, om daar te kijken hoe we met zijn allen verschillen “qua levensstijl”. Het kan zijn dat dit land in verwarring is, maar dan wel met z’n allen tegelijk over hetzelfde onderwerp, met min of meer dezelfde oplossingen. Is dat verwarring of blikvernauwing?’

Superdiversiteits-denkers leggen, net zoals de drama queens van de PvdA, een zwaar accent op verschillen en miskennen de overeenkomsten. Misschien komt dat ook wel omdat die overeenkomsten veel te omvattend worden gedefinieerd. Zo gaan veel beleidsmakers uit van al te hoogdravende en onhaalbare doelstellingen, bijvoorbeeld dat mensen enerzijds zoveel mogelijk moeten mengen terwijl zij zich anderzijds ‘thuis’ zouden moeten voelen.

De buurtbewoners die Rottenberg interviewt, lijken in dit mengen tekort te schieten, bijvoorbeeld wanneer hij suggereert dat een geheel wit-Nederlandse klaverjasclub toch eigenlijk geen goed idee is. De nieuwe eigenaren van een koopwoning hebben al evenveel buikpijn van de roomwitte samenstelling van hun eetclub. Dit ongemak komt voort uit een verkeerd idee over waar en wanneer menging zin heeft en waartoe.

Het lijkt me dat we mensen overvragen als ze zelfs in zelfgekozen groepen per se altijd moeten streven naar maximale diversiteit. Dat bewoners vrijetijdsactiviteiten organiseren voor anderen met een vergelijkbare smaak of levensstijl lijkt me niet alleen onproblematisch maar eigenlijk tamelijk vanzelfsprekend. Dat is geen alledaags drama, dat wordt het pas als er hoge politieke eisen aan worden gesteld.

Natuurlijk ligt dat een slag anders voor publiek gefinancierde activiteiten, hoewel Nederland ook daar een lange traditie kent van gesubsidieerd 'verkeren in eigen kring'. Maar omdat mensen de neiging hebben om gelijkgeaarden op te zoeken, kan het bij bijvoorbeeld de schoolgang geen kwaad om te stimuleren dat kinderen van verschillend pluimage bij elkaar in de klas komen. Hetzelfde geldt voor activiteiten waardoor buurtbewoners niet geheel vreemden voor elkaar blijven.

Dat klinkt misschien nogal minimaal, maar dat is al heel wat. Maximalistische, bestuurlijke doelen als ‘sociale cohesie’ bevorderen of ‘je thuisvoelen met anderen in de buurt’ miskennen de eigen aard van buurt- en burenrelaties. Je echt thuis voelen doe je maar met weinig anderen en op heel bepaalde plekken; het is dan ook een volstrekt irreëel beleidsdoel dat nooit gehaald zal worden.[3]

Buurtbewoners moeten het met elkaar zien uit te houden en dat is vaak al heel wat: over het samenleven bestaan veel te rozige ideeën. Een stad is geen dorp. Om nogmaals Hurenkamp aan te halen: ‘Men wil in de oude wijken of elders niet meer contact met wie dan ook, zoals de PvdA-resolutie wel herhaaldelijk veronderstelt, clichés uit het sociale beleid herkauwend. Men wil een comfortabel leven leiden en voorspelbaarheid speelt daar een grotere rol in dan hand-in-hand met de hele buurt de straat door op elke mooie zomeravond. Mensen moeten ongeveer weten wat hun buren bezighoudt, zodat ze hen verder met een gerust hart kunnen negeren.’

Een geïnterviewde in de reportage had daarvan een veel realistischer beeld dan Rottenberg zelf: ‘Je hoeft toch geen vrienden of vriendinnen met elkaar te worden?’ Het is mooi als buurtbewoners elkaars gedrag kunnen ‘lezen’ en elkaars gevoeligheden kennen (om daar een beetje rekening mee te kunnen houden). Maar ze hoeven niets voor elkaar te voelen.

En dat is wel waar Rottenberg eindeloos naar vraagt: in deze korte dramaserie overheerst het gevoel. En dus gaan mensen ook driftig op zoek naar hun emoties (‘dat raakt je bij je gevoel’) want blijkbaar draait het daar om. Maar dat lijkt me een grote vergissing. Nu moeten buurtbewoners zich in allerlei bochten wringen om uit te leggen dat het hen echt niet lukt om bij de muziek van nieuwkomers iets te voelen (‘In hun muziek zit geen melodie’) terwijl ze eigenlijk best snappen dat nieuwkomers ook niet echt warmlopen voor hun liederen. In plaats van de bewoners te eisen dat ze meer voor elkaar voelen, kunnen ze beter leren om op een verstandige manier om te gaan met de resterende verschillen. Hoe sentimenteler de samenleving, hoe moeilijker het samenleven wordt.

Daarom ook is dramatisering als stijl en strategie problematisch. Overdrijving roept op haar beurt immers heftige emoties op – bijna geheel losgezongen van de feitelijke situatie. Politici en opiniemakers zijn als geen ander bedreven in dramatisering – bijna net zozeer als televisiemakers. Misschien moet ik daarom Rottenberg en Scheffer ook niet te hard aanvallen, het hoort bij hun vak. En Rottenberg lijkt ook geleerd te hebben in de afgelopen twintig jaar: hij probeert veel genuanceerder te zijn en laat ruimhartig anderen aan het woord die die nuance kennen.

Paul Scheffer is wat dat betreft hardleerser: zelfs als hij in zijn recente terugblik op twintig jaar ‘multicultureel drama’ moet toegeven dat hij er op bijna alle punten naast heeft gezeten, matigt hij zijn toon niet maar komt opnieuw met apodictische uitspraken. Hij schetst een nieuw drama met apocalyptische beelden over de toekomst, in deze variant door ‘ongeremde immigratie’. Sociaal-democraten zouden wat mij betreft geen onheilsprofeten moeten zijn – paniek zaaien gebeurt er al genoeg, met name door extreemrechts.

En dat brengt me bij mijn laatste punt. Eén van de belangrijkste ontwikkelingen in de afgelopen twintig jaar – de doorbraak van extreemrechtse partijen - blijft bijna geheel onbesproken in Terug naar de Akbarstraat. Eén keer valt de naam van Fortuyn maar verder horen we vooral de bekende argumenten van Wilders en Baudet uit de mond van buurtgenoten. Politici geven taal aan het ongenoegen van bewoners maar Rottenberg vraagt in de uitzending niet naar waar de geïnterviewden politiek staan.

Al even opmerkelijk is dat Paul Scheffer in zijn recente terugblik geen woord besteedt aan de doorbraak van PVV en FvD (partijen die, andersom, voortdurend benadrukken hoezeer ze schatplichtig zijn aan het idee van ‘een multicultureel drama’). Doordat het niet over de nieuwe partijen gaat, komt het lot van de oude ook niet ter sprake. Zelfs de teloorgang van de sociaal-democratie blijft onbesproken. Terwijl dat me toch het echte drama van de afgelopen decennia lijkt.

Noten

  1. Duyvendak, J. W., R. van Reekum, F. El-Hajjari & C. Bertossi (2013), ‘Mysterious multiculturalism. The risks of using model-based indices for making meaningful comparisons’, in: Comparative European Politics 11 (5), pp. 599- 620.
  2. Alba, R & J. W. Duyvendak (2019), ‘What about the mainstream? Assimilation in super-diverse times’, in: Special issue Ethnic and Racial Studies “Super-diversity in Everyday Life” 42 (1).
  3. Duyvendak, J. W. (2011), The Politics of Home. Nostalgia and Belonging in Western Europe and the United States, Basingstoke: Palgrave Macmillan; Duyvendak, J.W. (2017), Thuis. Het drama van een sentimentele samenleving, Amsterdam: Amsterdam University Press.

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2019)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik de Boer, Meike Bokhorst, Wimar Bolhuis, Klara Boonstra, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [hoofdredactie], Wiljan Linders [eindredactie]

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl