Over de relatie tussen de buurtsamenstelling enerzijds en burencontact en integratie anderzijds bestaan verschillende sociale theorieën. Maakt onbekend onbemind of nemen vooroordelen juist af door dagelijkse contacten? Bewoners met een tweede generatie migratieachtergrond vinden dat integratie een gedeelde verantwoordelijkheid is van alle Nederlanders.

Door Emily Miltenburg
Politiek socioloog en onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau

De Amsterdamse Kolenkitbuurt is een van de meest onderzochte en besproken buurten in Nederland. Deze naoorlogse buurt lag in de jaren vijftig aan de rand van de stad en maakte deel uit van het uitbreidingsplan van Van Eesteren. Ontworpen naar het ideaal van een groene, open stad met licht, lucht en ruimte, werd de Kolenkit een ‘walhalla voor Hollandse arbeiders’ genoemd.

Maar als Felix Rottenberg de buurt in 2001 bezoekt voor zijn documentaire De Akbarstraat constateert hij dat de buurt een ‘geïsoleerd dorp’ is geworden. Veel van de oorspronkelijke bewoners zijn vertrokken, negen op de tien inwoners zijn van Turkse of Marokkaanse komaf. Hij stelt vast dat er veel moslims wonen, veel portiekflats met schotels zijn en hij windt zich duidelijk op over het afval in de straat. Achtergebleven autochtone Nederlandse buurtbewoners zien het met lede ogen aan en verkondigen dat ‘de integratie mislukt is’. Het imago van de wijk kreeg nog een extra knauw, toen het tien jaar geleden op de eerste plek prijkte in de lijst met veertig Nederlandse probleemwijken van Ella Vogelaar (toenmalig minister voor Wonen, Wijken en Integratie).[1]

Multiculturele samenleving onder vuur
Rottenbergs observaties pasten in de tijdsgeest. Hij maakte zijn documentaire in een periode dat het thema integratie het publieke debat op scherp zette. Waar het eerder nog vaak ging over sociaaleconomische participatie en kritiek op 'andere culturen' werd vermeden, agendeerde VVD-leider Frits Bolkestein in de jaren negentig een nieuwe denkrichting: integreren is je aanpassen aan de Nederlandse samenleving. Na de eeuwwisseling braken Paul Scheffer en Pim Fortuyn het debat verder open en kreeg het integratievraagstuk politieke urgentie. Integratie is sindsdien veel meer dan een sociaaleconomisch vraagstuk: de roep om culturele aanpassing klonk steeds luider.

Sinan Çankaya, cultureel antropoloog en wijkbewoner, levert in de nieuwe documentaire in academische volzinnen helder commentaar bij de observaties van Rottenberg en de buurtbewoners van twintig jaar geleden. Hij deelt rake klappen uit in het integratiedebat. Zo merkt Çankaya op dat Rottenberg ‘etnische concentraties’ eenzijdig problematiseerde: op momenten dat migranten samenleven zoals in de Kolenkitbuurt is dat een probleem, terwijl bekend is dat er aan de onderkant van de woningmarkt weinig keuzevrijheid is. Hij hekelt ook dat de documentaire het bestaan van enclaves van witte Nederlanders niet ter discussie stelde.

Çankaya benadrukt dat het in de Kolenkitbuurt vooral om een sociaaleconomisch probleem gaat: veel bewoners leven in armoede en kunnen niet in een andere buurt terecht. Het gaat vaak om grote gezinnen en er is veel achterstallig onderhoud in de buurt. Tegelijkertijd verlieten veel witte Nederlanders de buurt, de buitenwereld projecteerde vervolgens de problemen op de achtergebleven migranten in de wijk. Waar Rottenberg twintig jaar terug vooral een gebrek aan culturele aanpassing en onderling contact zag, belicht Çankaya nu de achterliggende oorzaken, zoals de armoede onder de bewoners.

De buurt als belemmering?
Een van de hoofddoelen van Ella Vogelaars krachtwijkenbeleid was om de sociale stijging in aandachtswijken te stimuleren. De Kolenkit moest vooral een buurt worden waar mensen kansen hebben en graag willen wonen. Segregatie, ofwel ruimtelijke concentraties van mensen met beperktere kansen, diende bestreden te worden. Het wonen in eenzijdige buurten met veel mensen die laag op de sociaaleconomische ladder staan, zou de ontplooiingskansen en integratie namelijk niet ten goede komen.

Er is veel wetenschappelijke discussie over de vraag of het wonen in wat in de volksmond ‘migrantenwijken’ heten, nadelige gevolgen heeft voor de arbeidsmarktperspectieven van haar inwoners. De meer pessimistische theorie benoemt dat wonen in deze buurten ervoor zorgt dat de taalbeheersing achteruitgaat en dat ‘minderheidsgroepen’ ook minder contact hebben met de ‘meerderheidsgroep’. Dit kan een sociaal isolement opleveren. Anno 2020 is die theorie in een stad als Amsterdam overigens al enigszins gedateerd: mensen met een migratieachtergrond zijn hier veelal geboren en getogen en beheersen de Nederlandse taal, ook vormen autochtone Nederlanders in Amsterdam niet meer de meerderheidsgroep.

Een andere meer optimistische benadering stelt dat migrantennetwerken in de buurt voor veel onderlinge steun kunnen zorgen en dat welgesteldere personen van dezelfde herkomst de minder gestelde buurtgenoten vooruit kunnen helpen. Er is veel internationaal onderzoek dat laat zien dat het wonen in een ‘migrantenbuurt’ geen nadelige gevolgen heeft voor de sociaaleconomische positie van haar inwoners, en zelfs positieve effecten kan hebben.[2] Toch blijft de vrees bestaan dat door een opeenstapeling van problemen in achterstandswijken de maatschappelijke kansen voor de bewoners achterblijven. Het gaat dan niet alleen om het samenwonen van veel mensen met een migratieachtergrond, maar voornamelijk om hoge werkloosheidscijfers en veel armoede.
Voor deze zogenoemde buurteffecten van buurten met een zwak sociaaleconomisch profiel is in Nederland echter weinig bewijs gevonden. Mijn eigen onderzoek naar buurten laat zien dat het wel belangrijk is om hierbij verschillende buurtbewoners te onderscheiden.[3] Verschillende groepen bewoners verhouden zich namelijk op een verschillende manier tot hun buurt. Zo hebben moeders met een jong kind wél beperktere arbeidsmarktperspectieven als ze in slechtere buurten wonen.[4] Of dat aan de buurtgenoten ligt is echter sterk de vraag: ook een gebrek aan voorzieningen in de buurt, zoals betaalbare kinderopvang kan deze achterstanden verklaren. Het loont dus vooral om ook te investeren in de voorzieningen in de wijk.

Herstructurering
De laatste jaren is er veel veranderd in de Kolenkitbuurt. Veel sociale huurwoningen zijn gesloopt en vervangen door koop- en dure huurwoningen. De oude bewoners zijn vaak mensen met een migratieachtergrond en de nieuwe bewoners zijn overwegend witte Nederlanders met een goedgevulde portemonnee. De kansen van de oorspronkelijke bewoners heeft dat echter niet verbeterd, een deel was zelfs genoodzaakt om te vertrekken naar andere achterstandswijken.

De herstructurering pakt het probleem dus niet bij de wortel aan. Om sociale mobiliteit te bevorderen zijn geen investeringen in buurten, maar investeringen in bijvoorbeeld goed onderwijs en begeleiding naar werk nodig. Buurtbewoner André Hammersma, voormalig eigenaar van een fotostudio op de Bos en Lommerweg in de Kolenkit, legt in de documentaire kraakhelder uit dat nieuwe woningen van alles verhullen, de armoede is niet voorbij: ‘De buitenkant lost niets op.’ Jongerenwerker Saïd Bensellam vult aan: ’Het ziet er mooi uit, maar gebroederlijkheid is er niet.’

En met dat gebrek aan gebroederlijkheid raakt deze bewoner de kern waar de documentaire zich voor een groot deel op richt: de sociale cohesie in deze buurt zou beroerd zijn. Terwijl de discussie over migratie en integratie gepolitiseerd is, laat de documentaire zien dat samenleven in de multi-etnische buurt een alledaagse praktijk is die ook aan verandering onderhevig is. In 2001 klaagden oud-bewoners, de witte Nederlanders, over het gebrek aan integratie in de buurt: ‘geen allochtoon is lid van de klaverjasvereniging’. Twintig jaar later neemt André Hammersma deze woorden terug. Hij benoemt dat de schuld bij elke buurtbewoner ligt: iedereen leeft in zijn eigen wereld, de samenhorigheid is uit de wijk verdwenen.

Schildpaddengedrag

Er zijn enkele rivaliserende sociale theorieën over het verband tussen etnische diversiteit en sociaal vertrouwen en contact in de buurt. Zo stelt de conflicttheorie dat onbekend simpelweg onbemind maakt. In een etnisch diverse wijk heb je minder vertrouwen in personen buiten je ‘eigen groep’, omdat mensen ‘anderen’ ervaren als bedreiging (dat kan economisch zijn, maar ook cultureel). Zeker als de buurt snel verandert kan dat leiden tot meer gevoelens van conflict. Het is dan niet alleen de diversiteit, maar vooral de toename of zichtbaarheid daarvan die tot frictie kan leiden. De verwachting is dat er wel meer contact ontstaat met de eigen groep. Bij de contacttheorie daarentegen, zouden vooroordelen over mensen buiten je eigen groep juist kunnen afnemen door het zien van elkaar in de buurt en de dagelijkse contacten.[5]

In 2006 toepte de Amerikaanse socioloog Robert Putnam hier overheen: het wonen in een etnisch diverse wijk zou schadelijk zijn, bewoners trekken zich als een schildpad terug in hun schulp (‘hunkering down’). Hij voorspelde dat in diverse wijken niet alleen het wantrouwen tussen verschillende groepen toeneemt (conflicttheorie), maar dat ook het sociaal vertrouwen daalt binnen groepen: diversiteit ondermijnt de sociale samenhang. Met grote gevolgen volgens Putnam: verminderd sociaal vertrouwen, minder vrijwilligerswerk, minder sociale contacten (ook met buren)  – een sociaal isolement dreigt.[6]

In Nederland wordt de soep niet zo heet gegeten: de diversiteit in de buurt schaadt het algemene vertrouwen in landgenoten niet, het vermindert de mate van vrijwilligerswerk eveneens niet en een diverse buurt maakt mensen ook niet eenzamer. Wel zorgt de aanwezigheid van verschillende herkomstgroepen ervoor dat het vertrouwen in en het onderlinge contact met de buurtgenoten lager is.[7] De invloed van diversiteit blijft dus vooral beperkt tot de buurt zelf.
Dat deze burenrelaties stokken lijkt niet zozeer een probleem van de buurt, eerder lijkt hier een sociologische natuurwet zijn intrede te doen: mensen zijn nu eenmaal geneigd om contacten aan te gaan en te onderhouden met mensen die het meest op hen lijken. In mooi Engels: ‘birds of a feather flock together’ - soort zoekt soort. Men heeft dus vaak geen behoefte aan contact met mensen die anders zijn dan zijzelf. Dat heeft niet alleen te maken met etnische achtergrond, maar ook met andere zaken zoals leefstijl, opleiding, politieke affiniteit en leeftijd.[8]  

Om contact met de ‘ander’ te bevorderen moet het speelveld gelijk zijn, want contacten met mensen met een andere maatschappelijke positie en ongelijke kansen versterken de onderlinge vooroordelen vaak alleen maar. Contact tussen verschillende groepen is gebonden aan enkele voorwaarden, zoals een gelijke status, gemeenschappelijke doelen en samenwerking en steun daarbij. Waar vluchtige contacten op straat of in de portiek bestaande (voor)oordelen en stereotypen kunnen bevestigen, kan een gezamenlijk doel en het daarmee opbouwen van een langdurige relatie juist zorgen tot toenadering en begrip.[9]

Door de etnische verscheidenheid in de buurt en de (perceptie van) verschillen is de buurtbewoner in een diverse buurt dus wellicht iets huiveriger om het contact met buren aan te gaan, maar na verloop van tijd kunnen mensen daar onder de juiste voorwaarden overheen groeien. Daarnaast heeft iemand in een diverse buurt altijd nog meer kans op het contact met iemand met een andere herkomst dan iemand die niet naast een buur uit een andere herkomstgroep woont. Maar het bevorderen van onderling contact gaat niet vanzelf, de buurtbewoner moet moeite doen.

Sociale tektoniek
Ook in de vroege literatuur over gentrificatie – het proces waarbij etnisch diverse, armere buurten een opknapbeurt krijgen, waardoor deze buurten steeds meer hoger opgeleiden en goedverdieners trekken - komt het gebrek aan onderling contact naar voren. Het mengen in deze buurten gaat niet zonder frictie, oude en nieuwe bewoners leven in het begin langs elkaar heen maar soms schuurt het ook: sociale tektoniek. De oud-bewoners krijgen dan het gevoel dat na de ‘herontdekking’ van hun buurt, nieuwkomers de buurt overnemen.

De documentaire toont deze fricties duidelijk: de welgestelde nieuwkomers weten het stadsdeelkantoor maar al te goed te vinden voor initiatieven als groene daken en wormenhotels, terwijl sommige oud-bewoners met moeite de eindjes aan elkaar knopen. Het is duidelijk dat hier niet aan bovengenoemde voorwaarden van een gelijk speelveld is voldaan. Dat is in de documentaire ook te zien bij een ouderinitiatief om kinderen van hoogopgeleide, witte Nederlanders bij elkaar in de klas te zetten zonder dat vooraf duidelijk te communiceren. Het schiet veel buurtbewoners in het verkeerde keelgat. Ekyüp Uymaz, een vader die betrokken is bij de school: ‘Jullie moeten je aanpassen aan ons, jullie komen in de wijk wonen.’ Marije van der Hijden, als moeder onderdeel van het initiatief, geeft aan dat ze zich een minderheid op de school voelde, toch duurde dat niet lang: binnen twee weken ervoer ze verbinding met de andere ouders.

Buiten de buurt
Het mengen van buurten leidt dus niet zonder meer tot betere baankansen en meer sociaal contact. Betekent dat dat het wijkenbeleid onzinnig was? Nee. Er zijn andere voordelen van herstructurering te noemen zoals toegenomen leefbaarheid en een verbetering van de lokale voorzieningen. Maar het belang van de woonbuurt moet ook niet overschat worden, mensen kunnen elkaar op veel andere plekken tegenkomen: bij sportclubs, op scholen en op werk.

Er is dus meer dan de buurt, de Kolenkitbewoners staan ook in de maatschappij. Rottenberg zoekt de jongens op die hij nog als klein kind interviewde in 2001. Zij geven aan dat ze zijn opgegroeid in een verharde samenleving, vol stigmatisering en negatieve beeldvorming. Saïd Bensellam benadrukt dat veel jongeren zich steeds meer een ‘probleem van de samenleving’ voelen, worstelen met identiteitsvraagstukken (‘waar hoor ik bij’) en met hun thuissituatie.

Mooi is ook het geschetste profiel van Emre Uzun, inmiddels psycholoog. Tijdens zijn studie psychologie voelde hij zich niet thuis op de universiteit, in een collegezaal vol met autochtone Nederlanders. Hij groeide in de Kolenkit op met kinderen van Turkse en Marokkaanse komaf: ‘Nederlanders ken ik alleen als docenten en mensen die op de televisie komen.’ Hij moest op zijn stage en werk wennen aan de assertieve houding die van hem verwacht werd. Dat was een cultuurverschil in vergelijking met zijn opvoeding: dienstbaar en zorgzaam zijn voor elkaar. Het kostte hem zichtbaar moeite: ‘Er is geen handleiding.’ Hij gunt zijn toekomstige kinderen dan ook dat ze opgroeien in een meer gemengde wijk: ‘Dat ze van beide culturen voldoende meekrijgen en dat kunnen meenemen in het vormen van een identiteit.’

Nooit Nederlands genoeg

Een terugkerend thema in de documentaire is de integratie van mensen met een migratieachtergrond. Jale Simsek, therapeut en coach noemt het een denkfout bij integratie alleen iets te verwachten van migrantengroepen: integratie is volgens haar synergie; het naar elkaar toegroeien en tot collectieve waarden komen. Çankaya benadrukt dat veel mensen de druk om te integreren eenzijdig bij migrantengroepen leggen. Het gaat niet meer om sociaaleconomische integratie – zoals opleiding en deelnemen aan arbeidsmarkt – maar steeds meer om assimilatie: worden als de Nederlander. Maar integratie heeft geen eindstation en wordt volgens hem steeds in het leven geroepen om duidelijk te maken: ‘Jullie horen er niet bij.’

Deze gedachten zijn niet voorbehouden aan Kolenkitbewoners. Recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau laat zien dat Nederlanders met een migratieachtergrond vinden dat integratie van twee kanten moet komen.[10] Hoewel alle Nederlanders, met en zonder migratieachtergrond, benadrukken dat integreren betekent: Nederlands spreken, werken, geen overlast veroorzaken - kortom: meedoen in de samenleving - benadrukt de tweede generatie dat het ook gaat om mee kúnnen doen, kansen krijgen. Terwijl autochtone Nederlanders zich overwegend druk maken over het moeten overnemen van normen en waarden en meedoen aan culturele tradities, vraagt de tweede generatie om begrip en onderling respect voor de verschillen.

Het gevoel er niet bij te horen komt in het SCP-onderzoek veelvuldig naar voren. Turkse en Marokkaanse Nederlanders ervaren dat anderen hun islamitische geloof als een obstakel voor integratie zien en ze ervaren discriminatie en uitsluiting door autochtone Nederlanders. Schrijnend is dan ook het gesprek met twee vaders, Eyüp Uymaz en Özkan Keyfli, langs de lijn van het voetbalveld. Keyfli: ‘Mensen vragen mij: je bent Nederlander, maar waarom voelt het dan niet zo? Maar sinds ik mijzelf ken, is er in de klas altijd autochtone en allochtone kinderen gezegd. Als men Nederlandse Turk had gezegd, had het een ander gevoel gegeven. Heel veel dingen trek ik mijzelf niet meer aan, maar ik ben bang voor mijn kinderen en voor hun toekomst.’

De twee vaders wisselen gelaten dezelfde ervaring uit. ‘We zullen nooit gezien worden als Nederlander, dat is een feit in mijn ogen. Soms voelt het zwaar: hier niet thuis, daar niet thuis.’ Keyfli: ‘Hoe denk je dat het voelt, je bent geboren hier, je hoort alleen maar integratie.’ Een sentiment dat ook in het SCP-onderzoek veelvuldig naar voren komt: de tweede generatie mensen met een migratieachtergrond gaven aan dat ze hier zijn geboren en getogen, dat ze de taal goed spreken, dat ze meedoen in de samenleving en dat ze dus niet hoeven te integreren. Toch voelen ze dat autochtone Nederlanders dat anders zien.[11]

Polarisatie

Uit ons onderzoek blijkt dat Nederlanders steeds meer wij-zij denken ervaren. Hierbij verwijzen de ondervraagden naar de (negatieve) rol die politiek Den Haag en (sociale) media spelen.[12] In de documentaire komt dit ook terug. Over de ‘pleur op’-uitspraak van Rutte – een reactie op een filmpje waarbij demonstrerende Turkse Nederlanders een verslaggever in Rotterdam hinderen – zegt Keyfli: ‘Hoe kan je dat zeggen? Het gezicht van Nederland. Hoe kun je zoiets stoms zeggen?’ Zowel Keyfli als Uymaz antwoorden op de vraag ‘Nederlands of Turks?’ dat zij zich toch meer Turks voelen. Uymaz: ‘Je hoort er gewoon nog niet bij. Nooit. En dan zal ook nooit gebeuren.’

Ook in de SCP-groepsgesprekken met deelnemers met een Turkse of Marokkaanse achtergrond kwam de (toenemende) polarisatie in de Nederlandse samenleving het meest aan bod. Vrouwen worden aangesproken op het dragen van een hoofddoek en er is een breed gedeeld gevoel – en ook ervaring – telkens ter verantwoording te worden geroepen, zoals bijvoorbeeld voor terroristische aanslagen door moslimextremisten.[13]

Gedeelde verantwoordelijkheid
Toch is een veelgehoorde opvatting in ons onderzoek dat mensen zich voor andere culturen moeten openstellen. Dit is makkelijker gezegd dan gedaan: de wil tot meer contact moet wederzijds zijn. Uit het SCP-onderzoek blijkt dat autochtonen vinden dat de verantwoordelijkheid voor meer onderling contact voornamelijk ligt bij mensen met een migratieachtergrond, terwijl mensen met een migratieachtergrond – met name die uit de Turkse en Marokkaanse groep – soms aangeven dat juist autochtone Nederlanders hier niet of nauwelijks voor openstaan.[14]

Çankaya schetst het in de documentaire nog eens helder: Amsterdam is een multi-etnische stad, de witte Nederlander is hier niet meer dominant. ‘Laten we ook kijken naar de witte Nederlanders en hun ongemak met de veranderende samenleving. En het feit dat zij zichzelf afzonderen van een multi-etnische stad als Amsterdam.’ Met het idee van integratie als tweezijdig proces waarbij mensen van verschillende pluimage in een diverse samenleving met elkaar in contact komen, is de vraag terecht waarom de witte Nederlander daarin achterblijft. Het eenzijdig toewijzen van de term integratie als een opdracht aan mensen met een migratieachtergrond, zoals dat in het publieke debat nog vaak gebeurt, is achterhaald, zeker bij mensen die hier geboren en getogen zijn. Keyfli – in Nederland geboren, zijn vader kwam hier als jonge jongen – vraagt zich dan ook terecht af wanneer het woord integreren voor hem ophoudt: ‘Mijn vader heeft zich aangepast, maar heeft Nederland zich aangepast aan hem?’

Noten

  1. Het Parool, ‘Kolenkit slechtste buurt van het land’, 9 februari 2009 (https://www.parool.nl/nieuws/kolenkit-slechtste-buurt-van-het-land~bf495571/).
  2. Klinthäll, M., & Urban, S. (2016), ‘The strength of ethnic ties: Routes into the labour market in spaces of segregation’, in: Urban Studies, 53(1), pp. 3-16.
  3. Miltenburg, E.M. (2017), A different place to different people: Conditional neighbourhood effects on residents' socio-economic status (proefschrift, Universiteit van Amsterdam).
  4. Miltenburg, E.M., & van de Werfhorst, H. G. (2017), ‘Finding a job: The role of the neighbourhood for different household configurations over the life course’, in: European Sociological Review, 33(1), pp. 30-45.
  5. Luister voor een heldere uiteenzetting van deze theorieën, evenals een bespreking van het onderzoeksveld dat is ontstaan rondom de these van Robert Putnam, de Stuk Rood Vlees-podcast aflevering 43 – Etnische diversiteit en sociale cohesie, met Tom van der Meer, hoogleraar in de politicologie aan de UvA (interviewer: Armen Hakverdian), 14 oktober 2019.
  6. Putnam, R. D. (2007), ‘E pluribus unum: Diversity and community in the twenty‐first century the 2006 Johan Skytte Prize Lecture’, in: Scandinavian political studies30(2), pp. 137-174.
  7. Van der Meer, T., & Tolsma, J. (2014), ‘Ethnic diversity and its effects on social cohesion’, in: Annual Review of Sociology, 40(1), pp. 459-478
  8. McPherson, M., Smith-Lovin, L., & Cook, J. M. (2001), ‘Birds of a feather: Homophily in social networks’, in: Annual review of Sociology, 27(1), pp. 415-444.
  9. Allport, G. W. (1955), The nature of prejudice, Cambridge, Mass: Addison-Wesley Pub. Co.; Pettigrew, T. F., & Tropp, L. R. (2006), ‘A meta-analytic test of intergroup contact theory’, in: Journal of personality and social psychology, 90(5), p. 751.
  10. Den Ridder, J., E.M.Miltenburg, W. Huijnk en S. van Rijnberk, Burgerperspectieven 2019|4 Kwartaalbericht van het Continu Onderzoek Burgerperspectieven, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
  11. Zie Burgerperspectieven 2019|4, p. 42.
  12. Zie Burgerperspectieven 2019|4, pp. 61-67.
  13. Zie Burgerperspectieven 2019|4, pp. 44, 66-67.
  14. Zie Burgerperspectieven 2019|4, pp. 44, 70-71.

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2019)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik de Boer, Meike Bokhorst, Wimar Bolhuis, Klara Boonstra, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [hoofdredactie], Wiljan Linders [eindredactie]

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl