Een requiem voor veertig jaar links neoliberalisme?

boeken essay neoliberalisme

Door: Naomi Woltring
Promovenda aan de Universiteit Utrecht

In zijn novelle Ze hebben mijn vader vermoord beschrijft Édouard Louis zijn vader als representant van een linkse arbeidersklasse die na een bedrijfsongeval door chronische pijn eigenlijk niet meer kan werken maar desondanks de arbeidsmarkt opgejaagd wordt voor een steeds kariger loon. Hij schetst welke ministers en welke wetten verantwoordelijk waren voor de lichamelijke aftakeling, de verarming en de vernedering van zijn vader en vraagt zich af: ‘Waarom worden deze namen nooit genoemd?’[1]

Laat dat nou precies zijn wat historicus Duco Hellema en journaliste Margriet van Lith doen in hun boek Dat hadden we nooit moeten doen. De PvdA en de neoliberale revolutie van de jaren negentig. Ze noemen namen en rugnummers van bewindspersonen en politici, van rapporten, wetten en hervormingen die bijdroegen aan de neoliberale revolutie binnen de PvdA en de neoliberale revolutie die de PvdA mede bewerkstelligde in de verzorgingsstaat, de publieke sector en de economie. En hoewel de sociaal-democratie in hun boek niet vermoord wordt, denk ik dat Van Lith en Hellema de neoliberale revolutie van de jaren negentig wel degelijk als een aanslag hierop zien.

Inhoudelijk valt er weinig op het boek af te dingen. Voor sociaal-democraten is het vooral pijnlijk herkenbaar. Maar er bekruipt je bij het lezen ook een ander ongemakkelijk gevoel. Van Lith en Hellema interviewden een indrukwekkende hoeveel bewindspersonen en politici en de meerderheid daarvan - van Margreet de Boer tot Rick van der Ploeg, en van Hans Anker tot Felix Rottenberg - zegt nu over de Paarse marktgerichte hervormingen: dat hadden we nooit moeten doen. Maar hoe kan het dat neoliberale hervormingen toen zo massaal omarmd werden en nu bijna net zo massaal weer worden afgeschreven, terwijl de PvdA in het vorige kabinet-Rutte vrolijk op neoliberale voet verderging?

Voor ik op die vragen inga, is het goed kort stil te staan bij het begrip neoliberalisme. Hellema en Van Lith hanteren neoliberalisme als analytisch begrip voor de ideologie die uitgaat van de ‘veronderstelling dat “marktwerking”, de vrije dynamiek van zo veel mogelijk gedereguleerde markten, niet alleen leidt tot meer economische groei maar ook beter in staat is sociaaleconomische verdelingsconflicten en -tegenstellingen op te lossen dan overheidsregulering’.[2] Beleidsmatig ziet dat er uit als ‘reductie van de staatsuitgaven, beperking en privatisering van overheidstaken, lastenverlichting, deregulering, terugdringen van de rol van geïnstitutionaliseerde belangen en liberalisering van de arbeidsmarkt’.[3] Dat is grosso modo hoe de term tegenwoordig analytisch binnen de geschiedwetenschap en de sociale wetenschappen gebruikt wordt. Ik zou zelf daarnaast benadrukken dat neoliberalen nadrukkelijk de overheid inzetten om meer marktwerking te bereiken. Neoliberalisme sluit de staat niet uit, maar heeft hem nodig.

Van Lith en Hellema verklaren de Paarse hervormingen vooral uit een gebrek aan alternatieven: omdat de sociaal-democraten ook waren gaan geloven in de mondiale markteconomie, ‘partijprominenten zichzelf en elkaar aanpraatten dat het allemaal “niet anders kon”’[4], omdat de interne partijdemocratie werd afgebroken en omdat het marktgeoriënteerde partijkader hierdoor steeds onaantastbaarder werd, zouden de PvdA’ers neoliberaal beleid als een soort vanzelfsprekendheid zijn gaan zien. En daarmee zouden ze, vrij naar Keynes, slaafs het gedachtegoed van ‘defunct economist[s]’ zijn gaan volgen. Die houding werd door spindoctors en campagnemanagers aan de achterban verkocht.

Van Lith en Hellema wijzen de WAO-crisis aan als sleutelmoment voor de veranderingen binnen de partij. In de aanloop naar de verkiezingen van 1989 had de PvdA meerdere malen gesteld dat er niet bezuinigd zou worden op de Wet Arbeidsongeschiktheid (WAO). In 1991 echter werd besloten om de duur van WAO-uitkeringen sterk in te perken en te koppelen aan het laatst verdiende loon. Na felle protesten werden ook bestaande gevallen onder de vijftig jaar ontzien, ‘maar in ruil voor de gedane toezeggingen [werd] de koppeling tussen lonen, ambtenarensalarissen en uitkeringen weer ingetrokken’[5] wat grote gevolgen had voor de inkomensontwikkeling op de lange termijn.

Uit protest gaven de laatste twee ‘working-classparlementariërs’ hun zetel op, en zegden tussen 1989 en 1994 zo’n 30% van de leden, vooral ‘kritisch georiënteerde vakbondsleden’, hun lidmaatschap op.[6] Dat maakte dat vanuit de leden steeds minder tegenwicht werd geboden aan de neoliberale hervormingen en dat de traditionele achterban en het kader van de PvdA, bestaand uit overwegend mensen uit de hogere middenklasse, verder van elkaar verwijderd raakten.

Neoliberalisme in de polder

Het was niet alleen de PvdA die ten prooi viel aan een neoliberale tunnelvisie. Dat gold ook voor de Nederlandse polder. In hun boek Fantoomgroei laten Sander Heijne en Hendrik Noten zien hoe Nederlandse captains of industry en topambtenaren al in de jaren zeventig voor een neoliberaal beleid gingen pleiten en hoe de vakbeweging in de jaren tachtig de door ambtenaren en grootindustriëlen uitgewerkte beleidsopties slikte om erger te voorkomen.

Zo stemde de vakbeweging in 1982 in met het Akkoord van Wassenaar. FNV-voorzitter Wim Kok sloot dit akkoord voor loonmatiging met werkgeversvoorzitter Chris van Veen. Het was mede ingegeven door de dreiging van minister-president Lubbers om anders zelf met loonmaatregelen te komen.

‘Wassenaar’ is lang geprezen als toonbeeld van het Nederlandse poldermodel – de vakbeweging zou hebben ingezien, hebben ‘geleerd’, dat loonmatiging noodzakelijk was. In hun boek laten Heijne en Noten zien waarom Wassenaar eigenlijk beter als het Waterloo van de vakbeweging zou kunnen gelden: het maakte de vakbeweging mede verantwoordelijk voor het in gang zetten van een periode van veertig jaar waarin het reële inkomen van werkenden niet steeg, terwijl de economie tientallen procenten groeide en bij bedrijven ‘de winst tegen de plinten klotste’.

De auteurs citeren FNV’er en oud-PvdA-senator Han Noten, vader van auteur Hendrik Noten, die in de jaren tachtig een jonge vakbondsbestuurder van de FNV was. Als Hendrik zijn vader vraagt naar de reden waarom de vakbond eigenlijk instemde met het akkoord van Wassenaar, is het onthutsende antwoord: ‘We hebben nooit nagedacht over de effecten van tweede en derde orde. Ik denk dat niemand het kon overzien.’[7]

Dat is zowel wonderlijk als verklaarbaar. Het is verklaarbaar omdat in Nederland de strijd over het economische beleid vooral buiten de politiek gevoerd werd. Begin jaren tachtig werd het debat over een neokeynesiaanse en neoliberale respons op de economische crisis van de jaren zeventig namelijk vooral in adviesraden, commissies en op denktanks van ministeries gevoerd.[8] Juist in dat soort organisaties kregen neoliberale economische ideeën voet aan de grond – ook onder zelfverklaarde neokeynesianen.[9] Loonmatiging om de Nederlandse exportpositie te bevorderen (lage lonen zorgen voor goedkopere exportproducten en zouden zo bijdragen aan economische groei) paste in een Nederlandse traditie (ook het Nederlandse economisch beleid uit de jaren vijftig was erop gestoeld), maar sloot ook aan bij de Nederlandse neoliberale economische traditie van een aanbodeconomie.[10]

Het is wonderlijk omdat je juist van vakbondsbestuurders zou verwachten dat ze doorzien wat er in dat soort commissies, adviesraden en denktanks gebeurt. Misschien was het achteraf ook gewoon te pijnlijk om toe te geven dat de vakbeweging de slag had verloren. Lubbers had in 1983 de ambtenarensalarissen verlaagd en Thatcher had in 1985 in Groot-Brittannië de mijnwerkers verslagen. De top van de vakbeweging voelde zich uitgespeeld – ondanks tot in de jaren negentig groeiende ledenaantallen.

Het resulteerde erin dat veertig jaar lang het besteedbaar inkomen van werkenden niet of vrijwel niet steeg en voor sommige groepen zelfs achteruitging. Marcel van Dam had natuurlijk al op deze tendensen gewezen in zijn boek Niemandsland (2009) maar pas nu de Rabobank het in 2018 berekend heeft en Heijne en Noten het uitspellen, lijkt dat feit eindelijk publiekelijk erkend te worden.[11]

Heijne en Noten wijten de stagnerende reële inkomens aan het dominante neoliberale economische denken onder topambtenaren en de industriële elite, waarbij ze zich vooral baseren op werk van neoliberalisme-onderzoekers zoals Merijn Oudenampsen. Ze kijken verlangend terug naar de jaren vijftig toen, volgens hen, werkgevers zoals Philips zelf nog sociaal beleid voerden en de vakbeweging en werkgevers samen nog serieus ‘polderden’ om tot goede arbeidsvoorwaarden te komen.

Hoewel zij pogen om de beleidsvorming in de jaren tachtig en daarna te politiseren, presenteren zij wonderlijk genoeg een nogal gedepolitiseerde versie van de jaren vijftig. Dat overromantische beeld schenkt geen aandacht aan het loonmatigingsbeleid, aan het sappelen onder grote delen van de bevolking, en aan de politieke strijd die gevoerd werd over het sociaaleconomisch beleid. Juist in de jaren veertig en vijftig was er in Nederland een strijd gaande tussen keynesianen en neoliberalen.

Toen minister van Economische Zaken Huysmans (KVP) in 1948 aantrad ontdeed hij zich bijvoorbeeld binnen een halfjaar van de door zijn socialistische voorganger Hein Vos benoemde ambtenaren. En zijn opvolger Jan van den Brink (eveneens KVP) voerde in de jaren vijftig ‘voorwaardenscheppend beleid’ dan bestond uit belastingverlaging, deregulering en loonmatiging, zoals blijkt uit onderzoek van Bram Mellink.[12]

Afscheid van het neoliberalisme?

Het afgelopen jaar was het in de Nederlandse politiek bon ton om afscheid te nemen van het neoliberalisme. Lodewijk Asscher zette vorig jaar de trend met zijn boek Opstaan in het Lloyd Hotel. Bij de laatste Algemene Beschouwingen viel je als politicus uit de toon als je dat niet deed. Asscher lijkt daarbij vooral in het reine te willen komen met het marktgeloof dat binnen PvdA, vooral in de Paarse jaren en in de periode onder Bos, dominant is geweest. In zijn boek erkent hij dat ‘het liberale denken op punten ook vat op ons kreeg’.[13] Ook de PvdA werd namelijk voorstander van privatiseringen, introduceerde marktprikkels in de publieke sector en ging patiënten als consumenten zien. Tijdens de Algemene Beschouwingen stelde Asscher dat het economische systeem van het neoliberalisme ‘technisch en moreel failliet” is.[14]

Pfoeh, zou je zeggen, hij onderkent het probleem, opgelost, klaar. Maar het is lastiger dan dat. Denkt u maar eens terug aan het vorige kabinet-Rutte. Ik wil niets afdoen aan wat de PvdA in dat kabinet voor elkaar heeft gekregen: schoonmakers in loondienst dankzij Lodewijk Asscher, de Klimaatwet dankzij Diederik Samsom, € 2,1 mrd extra voor de ouderenzorg met dank aan Martin van Rijn. Maar in dat kabinet schafte Jet Bussemaker ook de basisbeurs af. Zorgde Jetta Klijnsma ervoor dat nieuwe mensen die instroomden in de sociale werkvoorziening tot 30% minder betaald werden en geen pensioen meer opbouwden. Werd op instignatie van Kamerlid Jacques Monasch een aanzienlijk deel van de sociale huurwoningen geliberaliseerd. Om over de als decentralisatie verkochte bezuinigingen nog maar te zwijgen. De PvdA zaagde kortom weer wat sporten uit de maatschappelijke ladder.

Natuurlijk, er moesten ‘bruggen worden geslagen’ en er waren ‘uitruilen gepleegd’. Maar betekent afscheid van het neoliberalisme dan dat deze bewindspersonen nu vinden dat ‘we’ dat ook allemaal niet hadden moeten doen? Erkennen we dat we als partij neoliberaal beleid gelegitimeerd hebben? Of volharden we als we regeringsverantwoordelijkheid mogen dragen in de depolitisering van sociaaleconomische keuzes en is het dan gewoon weer ‘nodig’ om ‘moeilijke maatregelen’ te nemen en ‘om onze verantwoordelijkheid te nemen’?

Gelijke kansen in de neoliberale meritocratie

In de kritiek op de neoliberalisering van de PvdA en ‘de polder’ mist volgens mij een wezenlijk punt en dat is het geloof in het meritocratische ideaal van gelijke kansen. Dat geloof in gelijke kansen delen sociaal-democraten met liberalen, maar ze zouden principieel moeten verschillen over de gewenste uitgangssituatie, de gewenste uitkomst én het doel van die gelijke kansen. En dat is lang niet altijd het geval geweest.

Sociaal-democraten en liberalen kunnen gebroederlijk John Rawls als hun favoriete filosoof noemen op basis van zijn twee ‘principes van rechtvaardigheid’: ten eerste vrijheid en ten tweede het aan banden leggen van ongelijkheid. Ze kunnen allebei met Rawls’ sluier der onwetendheid beargumenteren dat gelijke startposities nodig zijn. Dat resulteert dan in een debat over waar de startstreep ligt, waarbij sociaal-democraten hem over het algemeen verderop leggen dan liberalen en sociaal-democraten meer ongelijkheden willen compenseren met positieve discriminatie dan liberalen.

Pleiten voor gelijke uitkomsten is voor liberalen geen optie, want dat zou mensen maar lui maken. Ook voor sociaal-democraten was het not done, want ‘we zijn immers geen communisten’. Maar ongelijke uitkomsten zorgen voor machtsverschillen, waarmee startposities gemanipuleerd kunnen worden.

Zelfs over het uiteindelijke doel van de gelijke kansen waren liberalen en sociaal-democraten het lange tijd niet per se oneens. Voor liberalen moesten gelijke kansen een gelijk speelveld in de competitieve vrije markt creëren waarin de besten mochten winnen. En wie gewonnen heeft, heeft zijn succes verdiend. Ook PvdA’ers waren lange tijd nogal geporteerd van zo’n gelijk speelveld en van het te pas en te onpas benoemen van ‘excellentie’, bijvoorbeeld in het onderwijs – een iets ander discours dat feitelijk neerkomt op liberale meritocratie.

Het is heel makkelijk om in ‘gelijke kansen’ iets vooruitstrevends te zien, maar als de dagelijkse omstandigheden zo uiteenlopen dat voor écht gelijke kansen radicale veranderingen nodig zijn en als politici ‘weinig of niets te zeggen hebben over de concrete politieke voorwaarden die daarvoor nodig zijn’, dan is praten over gelijke kansen in de woorden van filosofe Lorna Finlayson een ‘geruststellend maar ronduit belachelijk idee’.[15] In een competitieve neoliberale marktsamenleving zijn gelijke kansen vooral een excuus om een groeiende sociaaleconomische kloof te legitimeren. Daar worden gelijke kansen een stok om ‘achterblijvers’ mee te slaan, denken winnaars dat ze hun succes volledig aan zichzelf te danken hebben en voelen verliezers zich steeds minder thuis bij die zelf-feliciterende kaste van winnaars, zoals filosoof Michael Sandel in zijn nieuwste boek Tyranny of Merit laat zien.[16]

Velen voor hem – waaronder sociaal-democraten zoals Evelien Tonkens, Monika Sie Dhian Ho en Menno Hurenkamp - zeiden dit overigens ook al, alleen voor een kleiner publiek.[17] De toenemende kritiek op dit soort meritocratisch denken plaatst tegenover het geloof in gelijke kansen het uitgangspunt van ‘brede, democratische gelijkheid van voorwaarden’ voor het leiden van een ‘waardig leven voor iedereen’, of je nu ‘opklimt’ op de maatschappelijke ladder of niet.

Waardig leven: de ladder kantelen

Asscher lijkt zich dat te realiseren wanneer hij tegenover het neoliberalisme een politiek gebaseerd op menselijke waardigheid stelt, en dat invult met onder meer zekerheid, zeggenschap en goed werk – S&D-lezers zullen daarin de thema’s van Van waarde herkennen. Hoe dat er in het verkiezingsprogramma uitziet, is op het moment van schrijven nog niet bekend. En bij de verkiezingen zal moeten blijken of dat resulteert in regeringsdeelname en zo ja, of er dan daadwerkelijk gebroken wordt met veertig jaar progressief neoliberalisme.

Dat de PvdA in de jaren zeventig zulk links beleid voerde, kon ook omdat er veel linkse maatschappelijke bewegingen waren en omdat er linkse economen waren die het debat bepaalden. Dat is nu weer zo. Heijne en Noten populariseren in hun boek op een knappe manier nieuwe economische inzichten en geven voorbeelden van idealistische burgers die met coöperaties (co-ops) het heft in eigen hand nemen.

Van Lith en Hellema roepen de PvdA op tot ‘meer standvastigheid en eigenzinnigheid’.[18] Een nieuwe generatie PvdA’ers lijkt daar, net als in de jaren zeventig, aansluiting bij te zoeken. Dat de linkse politieke partijen samen economen Thomas Piketty en Kate Raworth en schrijver Anand Giridharadas naar de Tweede Kamer haalden, was misschien een publiciteitsstunt, maar het was in de vorige kabinetsperiode niet goed denkbaar geweest. En lokaal is er een nieuwe generatie PvdA-raadsleden en wethouders in opkomst die een echt ander beleid voorstaat. Al is het op het moment van schrijven nog de vraag wie er op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer komen te staan.

De corona-epidemie heeft het politieke speelveld natuurlijk in ieder geval voorlopig flink veranderd. Net als na de crisis van 2008 mag nu de staatsschuld ineens oplopen om een diepe recessie te voorkomen. Ook de planbureaus lijken voorlopig ‘om’. Toch is het een reëel risico dat partijen als CDA, VVD, D66, PVV en Forum na de verkiezingen een zware bezuinigingsagenda zullen bepleiten om de staatsschuld weer omlaag te brengen. Wat zal de PvdA dan doen? In zijn congresrede vlak voor de lockdown nam Asscher afscheid van neoliberale ideologen en hun geloof in Excel-sheets en het zo snel mogelijk aflossen van de staatsschuld.[19] Maar hoe zal het gaan als straks de verantwoordelijkheid voor het landsbestuur weer lonkt?

Als de PvdA inzet op een substantiële verhoging van het besteedbaar inkomen van de lagere middenklasse, voor verhoging van het minimumloon, als zij afscheid neemt van de Zalmnorm en van de marktprijs als maat der dingen, als zij gaat voor publieke en groene investeringen en de maatschappelijke ladder kantelt in plaats van met duct tape de zelf uitgezaagde treden wat probeert te repareren, dan zou er dit keer wel eens echt afscheid genomen kunnen worden van het neoliberalisme.

Noten

  1. Louis, É. (2018). Ze hebben mijn vader vermoord, (R. Ghoos, vert.). Amsterdam: De Bezige Bij.
  2. Hellema, D. & Van Lith, M. (2020). Dat hadden we nooit moeten doen: de PvdA en de neoliberale revolutie van de jaren negentig. Amsterdam: Prometheus. p. 16.
  3. Ibid. p. 254.
  4. Ibid. p. 271.
  5. Ibid. p. 74.
  6. Ibid. p. 85.
  7. Heijne, S. & Noten, H. (2020). Fantoomgroei. Waarom we steeds harder werken voor steeds minder. Amsterdam: Atlas Contact. p. 112.
  8. Oudenampsen, M. & Mellink, B. (te verschijnen in 2021). Bureaucrats first: The leading role of policymakers in the Dutch neoliberal turn of the 1980s'. TSEG / Low Countries Journal of Social and Economic History.
  9. Stahl, R. M. (2020). From Depoliticisation to Dedemocratisation: Revisiting the Neoliberal Turn in MacroeconomicsNew Political Economy.
  10. Oudenampsen, M. & Mellink, B. (te verschijnen in 2021). Bureaucrats first: The leading role of policymakers in the Dutch neoliberal turn of the 1980s'. TSEG / Low Countries Journal of Social and Economic History.
  11. Van Dam, M. (2009) Niemandsland. Biografie van een ideaal. Amsterdam: De Bezige Bij. p. 214 en p. 230; Badir, M. (2018, 05 februari) Besteedbaar inkomen van huishoudens staat al bijna veertig jaar vrijwel stil. Rabobank/RaboResearch.
  12. Oudenampsen, M. en Mellink, B. De anekdote over Huysmans personeelsbeleid ontlenen zij aan Herman de De Liagre Böhl, H., Nekkers, J. & Slot, J. (1981) Nederland industrialiseert: Politieke en ideologiese strijd rondom het naoorlogse industrialisatiebeleid. Nijmegen: Uitgeverij SUN. p. 146.
  13. Asscher, L. (2019). Opstaan in het Lloyd Hotel. Amsterdam: Uitgeverij Podium. P. 128.
  14. Van den Gool, P. (2020, 16 september). Asscher over corona: het gaat echt niet goed. NRC Handelsblad.
  15. ‘If, however, this politician has little or nothing to say about the concrete political conditions and changes that would need to be brought about — and about what would need to be overcome — in order to make this innocuous-sounding fantasy come true, we might reasonably conclude that what he or she is really peddling is the comforting but plainly ludicrous idea that the goal can be realized with only a tweak here and there to the system as we know it.’ Uit: Finlayson, L. (2020). Rules of the Game? New Left Review 123. p. 140.
  16. Sandel, M. (2020) Tyranny of Merit: What’s Become of the Common Good? New York:  Farrar, Straus and Giroux. p. 225.
  17. Swierstra, T., & Tonkens, E. (red.) (2008) De beste de baas? Prestatie, respect en solidariteit in een meritocratie. Amsterdam: Amsterdam University Press; Tonkens, E. & Swierstra T. (2011). De schaduwzijde van de meritocratie. Socialisme & Democratie, 68(7-8), p. 37-44; Sie Dhian Ho, M. (2013). Sociaal-democratie voor de 21e eeuw. Amsterdam: Van Gennep; Hurenkamp, M. (2017). Burgers van verdienste. Socialisme & Democratie, 74(5), pp. 18-22.
  18. Hellema, D. & Van Lith, M. (2020). p. 260.
  19. Congresspeech Lodewijk Asscher: Partij van Arbeid. (2020, 7 maart). PvdA congres 2020 - Nieuwegein [Video]. YouTube.

Auteur(s)

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2019)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik de Boer, Meike Bokhorst, Wimar Bolhuis, Klara Boonstra, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [hoofdredactie], Wiljan Linders [eindredactie]

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl