Twaalf jaar van kabinetten-Rutte met deelname van de middenpartijen heeft niet alleen tot verdere politieke fragmentatie geleid, maar ook tot murw geslagen kiezers. Wat de uitslag van de verkiezingen ook was, het beleid bleef min of meer hetzelfde. De doorbraak van de BBB moet in dit licht worden bezien.

Wie de uitslag van de Provinciale Statenverkiezingen van 2023 wil begrijpen, moet terug naar 2012. Sinds 2012 wordt Nederland onafgebroken bestuurd door brede middencoalities. Met name onder Rutte II kon een brede waaier van middenpartijen – CDA, CU, D66, GL, PvdA, SGP, VVD – zich in meer of mindere mate herkennen in de compromissen van het regeerakkoord. Voor de partijen die deze brede middencoalities steunen, is het moeilijk geweest om zich inhoudelijk te profileren. Maar twaalf jaar middencoalities maakte ook de vorming van een herkenbare oppositie onmogelijk.

Vanuit tegengestelde flanken kon van een verenigde oppositie, als alternatief voor de coalitie, geen sprake zijn. De Nederlandse politiek raakte gestructureerd volgens de tegenstelling tussen de macht en de uitdagers, het centrum en de flanken. En werd daarmee alternatiefloos.

Dat was een probleem. Een kern van politiek is de formulering van alternatieven en de vorming van alternatieve meerderheden. Kiezers hebben behoefte aan keuze, want zonder keuze valt er weinig te kiezen. Weliswaar kent Nederland bijzonder veel politieke partijen, maar dat betekent niet dat er ook daadwerkelijk voldoende keuze bestaat.

Juist in een versplinterd partijlandschap vereist keuze ook een uitzicht op rivaliserende, alternerende meerderheden. Daar ontbreekt het aan. Partijen maken voor de verkiezingen niet duidelijk welke alternatieve meerderheidscoalities op tafel liggen. Er is geen dominant conflict dat structuur biedt aan de verkiezingen, geen uitzicht op een realistisch alternatief voor de zittende coalitie. Daardoor heeft de kiezer uiteindelijk weinig te kiezen.

Dit probleem is na elf jaar van middencoalities steeds groter geworden. Het heeft bovendien bijgedragen aan twee belangwekkende gevolgen, die in 2023 samenvielen: een breuk in het partijstelsel, en laag vertrouwen in de politiek.

De breuk in het partijstelsel

Decennialang werd het Nederlandse partijstelsel gedomineerd door twee electorale blokken: een links blok (PvdA, GroenLinks, SP, PvdD) en een rechts blok (VVD, CDA, LPF, PVV, FVD). Veel kiezers waren trouw aan een van de twee blokken; zwevende kiezers landden bijna altijd in hetzelfde blok. Electorale verschuivingen en electorale versplintering vond goeddeels plaats binnen deze blokken. Alleen D66 was aantrekkelijk voor kiezers uit beide blokken. Hoewel D66 voor kiezers niet functioneert als brug tussen links en rechts, kon de partij die rol wel vervullen in de Tweede Kamer.

Maar in recente jaren is die structuur veranderd. Het rechterblok is in tweeën gescheurd tussen een centrumrechts blok dat bestuurt (VVD, CDA) en een radicaal-rechts blok (PVV, FVD) dat dat niet doet. Waar kiezers van VVD en CDA voorheen ook in groten getale PVV en FVD overwogen – en vice versa – is die uitwisseling goeddeels opgedroogd. Met deze breuk ontstond ruimte voor een partij die meer uitgesproken is dan centrumrechts en die meer aanspraak maakt op bestuursdeelname dan radicaalrechts. In Vlaanderen is die partij de N-VA. In 2019 was die partij in Nederland de FVD, althans voordat Forum herhaaldelijk implodeerde en ongehoord radicaliseerde.

In 2023 kon dit gat gevuld worden door de BBB. (JA21 leek zich in 2021 en 2023 eveneens te richten op deze positie, maar was in 2023 minder succesvol dan BBB.) De positie tussen centrumrechts en radicaal-rechts sluit aan op de eerste onderzoeken naar het profiel van de BBB-kiezer door onder andere Ipsos en Peil.nl. Die kiezer komt vooral van centrumrechtse en radicaal-rechtse partijen, en plaatst zichzelf vooral in het politieke midden en rechts daarvan, en nauwelijks links van het midden.

Daarmee vervult de BBB voor kiezers op rechts de rol die D66 op links vervult: als een partij tussen twee blokken in. Het wordt interessant of de BBB – anders dan D66 – in staat zal zijn om de twee blokken weer aan elkaar te lijmen of om de andere partijen in de twee rechtse blokken structureel te verzwakken.

Laag vertrouwen in de politiek

Er was in 2023 dus ruimte voor de opkomst van een partij als de BBB, net als er ruimte was voor FVD in 2019. Toch trok de BBB in 2023 een aanzienlijk grotere groep kiezers dan FVD in 2019. Dat valt niet los te zien van het lage vertrouwen in de politiek. In 2019 lag dat vertrouwen nog op een voor Nederlandse begrippen hoog niveau; in 2023 was het ver weggezakt. Die daling zette vooral in het jaar 2021 door. Hoewel commentatoren vaak spreken over een vertrouwenscrisis, is het beter om dit een betrouwbaarheidscrisis te noemen. Het vertrouwen in de politiek daalde immers als reactie op een falen van de politiek op meerdere fronten.

Structureel is politiek vertrouwen hoog (1) wanneer de overheid onpartijdig is, (2) wanneer burgers zich goed vertegenwoordigd weten, (3) wanneer de economie goed presteert, (4) wanneer er geen endemische schandalen zijn, en (5) wanneer er verkiezingen zijn. In 2021 ging de politiek op meerdere aspecten onderuit.

Het beeld van een onpartijdige overheid kwam zwaar onder druk te staan onder invloed van grote schandalen (toeslagen; Groninger gas). De politiek bleek niet bij machte om deze endemische schandalen op te lossen. Sterker, 2021 werd een jaar van politiek solipsisme dat de inhoudelijke vertegenwoordiging van burgers in de weg zat. Na het beruchte 1 april-debat (over de positie van Mark Rutte na de ophef over ‘Omtzigt functie elders’) worstelde het politieke midden maandenlang met zichzelf om de vraag wie überhaupt aan tafel mocht zitten om te overleggen over de nieuwe coalitie. Uiteindelijk werd in het alternatiefloze midden een nieuwe coalitie gevormd uit exact dezelfde partijen die was afgetreden om het toeslagenschandaal.

Het zou pas vreemd zijn geweest als deze politiek niet zou hebben geleid tot een daling van het vertrouwen in deze generatie politici. Normaliter zijn verkiezingen een manier waarop kiezers de samenstelling van de Tweede Kamer weer in overeenstemming kunnen brengen met hun eigen voorkeuren. Een aanvullend probleem was echter dat de verkiezingen net twee weken achter ons lagen toen het midden met zichzelf in de knoop raakte. Nieuwe verkiezingen zouden dus nog lang op zich laten wachten.

In die omstandigheid was en bleef het vertrouwen in de politiek lange tijd laag. De potentie voor uitdagers, flankenpartijen en nieuwe partijen was daardoor in 2023 groter dan in 2019. Door het lage vertrouwen kon de BBB meer kiezers wegplukken van centrumrechtse partijen (met name CDA en VVD) dan FVD in 2019. Ziehier het recept voor de doorbraak van de BBB.

Tweestrijd en issue-eigenaarschap

In de nieuwe structuur van drie electorale blokken is het voeren van een tweestrijd om de macht bijzonder lastig. Nu was poging tot een tweestrijd om de macht tussen de VVD en PvdA/GroenLinks toch al een moeilijk verhaal. Het ging immers om Statenverkiezingen, waarin de vraag welke partij de grootste is nog betekenislozer is dan anders. Bovendien wezen de peilingen voor de verkiezingen op wel drie partijen die een gooi zouden kunnen doen naar de grootste. En tot slotte hielp het niet dat de drie partijen (met omroep BNN/VARA en producent Jeroen Pauw) kozen voor een valse tegenstelling - Linksom of rechtsom - waarvan op voorhand duidelijk was dat de verkiezingsuitslag die nimmer waar zou kunnen maken.

Waarom koos de VVD dan toch voor een tweestrijd? In voorgaande jaren kon de VVD nog een beleidsarme leiderschapscampagne voeren, zoals met de bordkartonnen pop van premier Rutte in 2021. De VVD werd in die campagnes geholpen door andere partijen in het politieke midden die hun lijsttrekkers lanceerden als premierskandidaat, op het thema leiderschap dus. Ook populistische partijen probeerden het onderwerp leiderschap te adresseren, om zo hun retoriek over een gecorrumpeerde politieke elite uit te kunnen venten. Die focus op leiderschap als campagnethema werkte vooral in het voordeel van de VVD (die op het thema leiderschap door de ervaring van Rutte de beste papieren op tafel kon leggen) en van de oppositiepartijen aan de flanken (die wantrouwende kiezers konden mobiliseren). Andere partijen in het politieke midden hadden er weinig baat bij. Alleen D66 kon in de laatste dagen van de campagne strategische stemmers van links verleiden, met het uitzicht op regeringsdeelname

In 2023 was een dergelijke campagne niet goed mogelijk, door de aantasting van Ruttes leiderschap na het 1 april-debat en door de verhoudingen in de peilingen. De VVD lekte kiezers aan de rechterkant. De VVD mikte op een tweestrijd om een uitweg te bieden. Bij een succesvolle tweestrijd lukt het twee partijen uit verschillende electorale blokken om de onderlinge verschillen zo op te kloppen dat het aandacht wegneemt van de andere partijen, dat de eigen thema’s centraal komen te staan in de campagne, en dat strategische stemmers naar jouw partij overstappen. Dat lukte Balkenende en Bos in 2003, en Rutte en Samsom in 2012. Maar zo’n tweestrijd vereist een geschikte tegenstander op een geschikt thema.

Een tweestrijd met de PVV zou een groot risico zijn voor de VVD, omdat de PVV en niet de VVD in het beeld van kiezers eigenaar is van het thema immigratie. Een tweestrijd met de BBB zou een nog groter risico zijn. Niet alleen is de BBB eigenaar van het saillante thema stikstof, ook zouden de VVD en de BBB goeddeels strijden om dezelfde kiezers waardoor van een aanzuigende werking naar strategische kiezers nauwelijks sprake kon zijn.

De combinatie PvdA/GroenLinks was nog de meest aantrekkelijke tegenstander. In die tweestrijd zou de VVD een eigen kernthema – een sterke economie – kunnen uitspelen. En als de economie het hoofdthema zou worden van de verkiezingen, zou dat strategische kiezers weg kunnen trekken van rechtse rivalen die juist op dat thema geen eenduidig verhaal hebben.

De tactiek was de juiste, maar de strategie werkte niet. De aanzuigende kracht van de tweestrijd viel stil bij het ontbreken van werkelijke alternatieve meerderheden. In de structuur van drie blokken heeft geen van de blokken in zijn eentje uitzicht op een meerderheid.

Structurele uitdaging

Het uiteenvallen van het partijlandschap in drie electorale blokken stelt het politieke midden voor nieuwe uitdagingen. Kernvraag voor de komende jaren zal zijn hoe uit deze drie blokken rivaliserende meerderheden zijn te vormen, zodat er voor de kiezer ook binnen het systeem een reëel alternatief bestaat. Een systeem dat primair is opgebouwd uit twee blokken, zoals in Denemarken, is op dit moment moeilijk denkbaar. Een systeem waarin afwisselend twee van de drie blokken samenwerken (zoals de grote partijen in Nederland elkaar in de jaren tachtig en negentig afwisselden) vereist een enorme coördinatie binnen en tussen blokken.

Het is dus niet vanzelfsprekend dat die alternatieven gevonden worden. Toch is het een risico dat Nederland inmiddels al twaalf jaar geregeerd wordt door brede middencoalities waar nauwelijks een uniforme, door waarden gedreven oppositie tegen mogelijk is. Democratische politiek vereist alternatieven. Als het politieke midden die alternatieven niet vorm kan geven, dreigt verdere fragmentatie.

In dat licht moet ook gekeken worden naar de mogelijke fusie tussen PvdA en GroenLinks. Het is niet evident dat die fusie de kans op een alternatieve meerderheid vergroot. Dat vereist samenwerking met andere partijen; zeker ook (centrum-)rechtse partijen, aangezien het electorale zwaartepunt in Nederland al lange tijd rechts van het midden ligt. Met drie blokken is het alleen maar moeilijker geworden voor links om coherente meerderheden te vinden. Een partijfusie kan de coördinatie binnen het linkerblok vergemakkelijken, maar verandert op langere termijn weinig aan de noodzaak tot het vinden van een potentiële meerderheid die een alternatief kan bieden voor de stagnerende status quo.

Dossiers

Voor een thematisch overzicht van al onze artikelen en publicaties, zie onze dossiers

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

S&D bestaat sinds 1939 en verschijnt zes keer per jaar. Oude nummer kunt u doorzoeken via het register (1939-2023) of op thema. De redactie bestaat uit: Paul de Beer, Nik de Boer, Meike Bokhorst, Wimar Bolhuis, Josette Daemen, Patricia Dinkela [eindredactie], Janneke Holman [eindredactie], Tim 'S Jongers, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [hoofdredactie], Arjan Reurink en Bram van Welie.

S&D wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Een online abonnement kost € 2 per maand. U kunt zelf een account hiervoor aanmaken onder mijn S&D, of stuur een e-mail naar send@wbs.nl.

Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen. Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2023)

Inzenden kopij

De redactie van S&D verwelkomt kopij. Artikelen kunnen worden gemaild naar send@wbs.nl. Artikelen aanleveren in Word, bronvermelding in eindnoten (apa). Richtlijn aantal woorden: 2000-2500. Idealiter vormen artikelen in S&D een mix van wetenschap, politiek en essay. De redactie van S&D beslist over plaatsing van binnengekomen kopij. Ze beoordeelt daarbij op basis van de volgende criteria:
- een heldere opbouw en schrijfstijl (geen jargon) en duidelijke vraagstelling
- een goede onderbouwing van standpunten met argumenten, weging van de tegenargumenten en bronvermelding
- vernieuwing van de gedachtevorming binnen de sociaal-democratie
- toegevoegde waarde t.o.v. bestaande inzichten/onderzoeken
- politieke relevantie

Redactie

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl

Documenten