De Europese Unie vervreemdt veel burgers van zich met haar handelsbeleid. Bij het tot stand komen van handelsakkoorden als TTIP, CETA en JEFTA wordt geen rekening gehouden met mensen die zich bedreigd voelen door de voortsnellende globalisering. Bovendien worden kwesties die voor veel burgers belangrijk zijn, zoals opwarming van de aarde, migratie en belastingontwijking, genegeerd.
De sociaal-democratie is van oudsher een voorstander van internationalisering. De sociaal-democratische openheid, zowel tegenover mensen als tegenover (economische) vooruitgang, is een overwinning op de beperkingen van verschillende soorten nationalisme. Maar met de nieuwe Europese ‘supraregionale’ handelsovereenkomsten als TTIP (met de Verenigde Staten), CETA (met Canada) of JEFTA (met Japan) kan het geloof in internationalisering en liberalisering weleens tegen de eigen grenzen aanlopen.
In dit artikel wil ik de beoogde sociaal-democratische agenda verkennen ten aanzien van deze nieuwe overeenkomsten. Eerst bespreek ik de redenen waarom zulke nieuwe supra-regionale handelsovereenkomsten die meer openheid en vooruitgang beloven te brengen – juist kunnen leiden tot meer uitsluiting, en wel op ten minste drie manieren. Inhoudelijk plaatsen deze brede akkoorden veel politieke strijdpunten buiten de werkingssfeer van de democratische politiek, naar het domein van het internationaal recht. Institutioneel zetten zij een aantal instanties op die noch vertegenwoordigend zijn, noch democratische verantwoording hoeven af te leggen. Ironisch genoeg zijn de beloofde economische voordelen van de akkoorden tegelijkertijd op z’n best marginaal.
Betekent dit tevens dat de sociaal-democratie het project van internationalisering maar volledig moet opgeven? Het antwoord is resoluut nee – zij kan noch moet dat doen. Veel processen en ontwikkelingen die zich op internationaal gebied voltrekken (zoals klimaatverandering of migratie) kunnen moeilijk gestopt of gekeerd worden. Internationalisering als project loslaten betekent alle regelgeving voor deze wereldwijde processen overboord gooien, en daar kan de sociaal-democratie toch moeilijk achter staan.
In het tweede deel van dit artikel bespreek ik hoe een nieuwe sociaal-democratische internationaliseringsagenda eruit zou kunnen zien. Het eerste agendapunt dat ik daarvoor aandraag: kijk naar andere vormen van internationalisering naast handelsliberalisering en investeringen (zoals duurzame ontwikkeling). Twee: oefen druk uit om de discussie rond klimaat, migratie, belasting, (economische) ontwikkeling en financiën én die rond internationale handel samen te brengen. En ten derde moet de sociaal-democratie reductionistische neoklassieke verhalen over de kosten van regelgeving bestrijden door ook de positieve kant te tonen – en tegelijk mondiale integratie in een concrete nieuwe context te plaatsen (denk bijvoorbeeld aan gegevensbescherming).
Kritiek van links en van rechts
De golf ‘supra-regionale handelsovereenkomsten’ van Europa met grote geavanceerde economieën als de Verenigde Staten, Canada of Japan begon in 2013 met het rapport van de zogeheten EU-VS-werkgroep voor werkgelegenheid en investeringen.
Tegelijkertijd roept het project – enigszins verrassend voor de betrokken handelsadepten – veel verzet op. De eerste, nogal luide weerstand kwam van ‘links’ – die bezwaar maakte tegen deze zakelijke staatsgreep in de vorm van geschillenbeslechting tussen investeerders en staten (ISDS) en tegen samenwerking op regelgevingsgebied. Het beeld doemde op van een machtig bedrijfsleven met grote invloed op de agenda.
De reactie van de Europese Unie op deze weerstand was op z’n best mager. Het antwoord op maatschappelijke protesten van links was het beleidsdocument Handel voor iedereen, bedoeld als aanzet voor een rechtvaardiger en inclusiever handelsbeleid.
De reactie op Trump, aan de andere kant, is dat Eurocommissaris Malmström zich nog sterker opwerpt als voorvechter van vrije handel.
bovendien weggezet als het in de kaart spelen van rechts-populistische retoriek. Europese burgers kunnen kiezen uit twee smaken: Trumpachtig protectionisme of de neoliberale handelsagenda.
Maar als iets ‘linkse’ en ‘rechtse’ kritiek, hoezeer ook verschillend, bij elkaar brengt, is het wel de aandacht voor de opkomst en neergang van allerlei structurele winnaars en verliezers in de huidige economische wereldorde. De sociaal-democratie moet daar oog voor hebben.
Er zijn drie belangrijke redenen waarom supra-regionale handelsovereenkomsten niet passen in het streven naar internationalisering waar sociaal-democratische partijen in heel Europa zich sinds jaar en dag hard voor maken. Ze leiden tot verkeerde instituties die eerder democratische én materiële uitsluiting versterken. Met als gevolg meer ongelijkheid en nog meer weerstand tegen internationale integratie.
De handelsovereenkomsten bestrijken een groot aantal onderwerpen – van ambitieuze regels voor de markttoegang, waaronder openbare aanbesteding en technische handelsbelemmeringen, tot fytosanitaire maatregelen. Hieruit volgt dan een regelgevend kader dat het handelsverkeer moet vereenvoudigen: regels en voorschriften op het gebied van concurrentie, intellectuele eigendom, midden- en kleinbedrijf of energie en grondstoffen. Tot slot worden TTIP, CETA en JEFTA opgetuigd met een reeks instituties, bijvoorbeeld voor geschillenbeslechting van investeringen (de beruchte ISDS en het investeringsgerecht), en regelgevende samenwerking – technocratische samenwerkingsvormen tussen regelgevende instanties die niet-tarifaire handelsbelemmeringen waar mogelijk moeten wegnemen.
Als je kijkt naar al die wettelijke bepalingen, is het duidelijk dat ze enerzijds veel marktregulering omvatten en anderzijds betrekking hebben op kwesties die normaal gesproken aan de nationale politiek worden overgelaten. Door deze bepalingen onder internationale overeenkomsten te scharen worden ze grotendeels onttrokken aan democratische controle; politieke compromissen worden bestendigd ten koste van een democratische uitwisseling van standpunten, politieke discussie en de mogelijkheid van elkaar te leren.
Niet-representatieve instituties
Supra-regionale handelsovereenkomsten scheppen dus ondemocratische, niet-representatieve instituties. Daarnaast brengt bovengenoemde samenwerking op regelgevingsgebied
Ten tweede vergroten de voorgestelde instituties de aanwezigheid van ‘belanghebbenden’ in het regelgevingsproces, zowel nationaal als grensoverschrijdend. En die vertegenwoordiging zou weleens in het voordeel kunnen werken van zakelijk belanghebbenden, die specifieke belangen najagen en die over meer middelen beschikken om aan regelgevingsprocessen deel te nemen. Het maatschappelijk middenveld en niet-georganiseerde belangengroeperingen daarentegen maken om dezelfde redenen van oudsher weinig gebruik van mogelijkheden tot participatie.
Een laatste elementaire tekortkoming van de handelsakkoorden is dat burgers, arbeidsorganisaties, ngo’s et cetera bijzonder weinig ‘rechten’ hebben om de bepalingen van een overeenkomst af te dwingen. Eén groep daarentegen lijkt, zelfs buiten het nationale rechtsstelsel om, extra beschermd te moeten worden: investeerders. Waarom blijft tot dusver onduidelijk, hoewel het ontbreken van bescherming nog niet heeft geleid tot minder investeringen tussen de EU en hetzij de VS, Canada of Japan, ’s werelds grootste handelspartners.
Democratisch tekort
Een derde punt van zorg betreft de democratische impact van de handelsakkoorden. Zoals gezegd hebben ze een enorme reikwijdte en gaan hun onderliggende instituties mank aan velerlei onvolkomenheden. Kunnen nationale democratische instituties de negatieve gevolgen wellicht beperken? Niet zonder problemen.
Allereerst verleggen de akkoorden de besluitvorming van traditionele democratische kanalen naar technocratische kanalen. De instituties lijken te passen in een trend in de richting van bovenstatelijke technocratie – politieke vragen worden ‘technische’ vragen, besluitvorming depolitiseert. Het probleem is alleen dat ‘technische’ vragen uiteindelijk niet apolitiek zijn, dat ze herverdelingseffecten hebben, met winnaars en verliezers.
Neem alleen al de recente oproep tot ‘regulerende samenwerking’ door het Forum voor samenwerking op regelgevingsgebied, waar bijvoorbeeld ook sanitaire en fytosanitaire maatregelen onder vallen.
Ten tweede verzwakken de handelsovereenkomsten de democratisch gekozen parlementen door (voorheen) politieke kwesties steeds meer onder te brengen in het internationaal recht, waardoor ze buiten het bereik van en de beïnvloeding van de democratische politiek komen. Internationale verdragen aanpassen werd, althans tot de huidige Amerikaanse regering, zelfs als schier onmogelijk gezien.
Tot slot leggen de akkoorden steeds meer regels op over de uitvoering van het nationale regelgevingsproces – en perken zo het politieke debat in door het opleggen van (al even dwingende) cijfers. En voor zover nationale parlementen en het Europees Parlement al kunnen ingrijpen, maakt de wildgroei aan tamelijk obscure organen, commissies en werkgroepen met hun ondoorzichtige en asymmetrische participatie (wat betreft functionarissen, expertise en stakeholders) elk verantwoordingsmechanisme in de praktijk moeilijk toe te passen.
Sociaal-democratische agenda voor internationale samenwerking
Internationale samenwerking staat centraal in het sociaal-democratische project. Het feit dat die samenwerking momenteel voorrang geeft aan economische integratie, hoe gebrekkig ook in veel opzichten, betekent niet dat de sociaal-democratie haar streven naar internationale samenwerking maar moet intrekken. Internationale samenwerking is misschien wel harder nodig dan ooit.
Klimaatverandering bedreigt het leven op aarde; economische ongelijkheid, milieuschade, oorlog en conflict veroorzaken steeds grotere migratiegolven. Als milieubescherming en sociale rechtvaardigheid essentieel zijn voor een vreedzaam en gelukkig leven op aarde, wat zijn dan de belangrijkste sociaal-democratische agendapunten als het gaat om internationale (economische) samenwerking?
Zoals hierboven betoogd, brengt het centraal stellen van economische samenwerking via liberalisering van handel en investeringen diverse tekortkomingen met zich mee: de dominantie van handelsexperts, het ondergesneeuwd raken van andere normatieve kwesties, fragmentatie van de internationale ruimte waarbij handel zich weinig lijkt aan te trekken stellen van klimaat of migratie.
Daarom moeten sociaal-democraten economische samenwerking alleen ondersteunen onder de juiste, inclusieve doelstellingen zoals duurzame ontwikkeling of, radicaler, een ‘sociaal-ecologische transitie’.
Klimaat, migratie, belasting, financiële markten – allemaal terreinen die losstaan van handel en investeringen en daar tegelijk mee verweven zijn. Welke gevolgen heeft verdere handelsliberalisering voor CO2-emissies?
Het is belangrijk om te onderzoeken hoe de verschillende onderdelen van internationale samenwerking op elkaar inwerken en elkaar beïnvloeden – zoals sommige politici nu ook onderkennen. Een opmerkelijke, zij het kleine stap in deze richting is het Duitse idee voor een Marshallplan voor Afrika.
Verlaat het simplistische neoklassieke discours over regelgeving
Tot slot moet de sociaal-democratie – een eenvoudige maar fundamentele stap – kiezen voor regelgeving. Regelgeving brengt immers veel goeds, dat wordt vaak vergeten in de verhalen over de kosten ervan. Regels vormen niet alleen ‘handelsbelemmeringen’, ze hebben ook voordelen. Zoals sommige milieubeschermers hebben opgemerkt: (Europese) instanties zijn zo naarstig op zoek naar manieren om de administratieve rompslomp terug te dringen dat ze de neiging hebben om ook milieu- en sociale voorschriften overboord te gooien.
Daarnaast moet de sociaal-democratie ook echt politiek bedrijven: bied nieuwe kaders en identiteiten als alternatief voor de neoliberale mantra. Hoe? Een voorbeeld van politiek bedrijven – al komt het dan van liberale zijde – is de framing van het thema gegevensbescherming. Bij de onderhandelingen over supra-regionale overeenkomsten probeert de coalitie van voorstanders van vrije handel de discussie over de bescherming van persoonsgegevens consequent een andere draai te geven: het gaat om ‘datastromen’, wat beelden oproept
van economische groei en (potentiële, zij het nogal twijfelachtige) productieaantallen
Neem gevoelens van uitsluiting serieus
Met haar handelsbeleid zal de Europese Unie naar verwachting veel burgers van zich blijven vervreemden. Als je kijkt naar de onderhandelingen en de teksten van de supra-regionale handelsovereenkomsten, valt op dat ze niet alleen veel belangrijke kwesties achterwege laten waar ze een grote invloed op hebben – klimaat, migratie, belasting – maar ook intern een vervreemdend effect geven. Ze projecteren een toekomstbeeld van de EU als een soort kosmopolitische, transnationale hightech-gemeenschap met mobiele actoren die beschikken over uitstekende taalvaardigheden, een flexibel wereldbeeld en goed onderwijs. Een visie die naadloos past bij het zelfbeeld van de elites die aan deze onderhandelingen meedoen.
Die nadruk op globalisering laat echter te weinig ruimte aan de mensen die zich niet herkennen in dit rooskleurige toekomstbeeld. De aanhangers van Trump en van de Brexit, alsmede de opkomst van extreem rechts in heel Europa, getuigen van dit gevoel van uitsluiting dat het huidige politiek-economische beleid bij velen teweegbrengt. Uitgesloten worden van die voorgespiegelde toekomst wekt weer allerlei angstgevoelens op waar we de laatste tijd getuige van zijn: de afkeer van migranten, werkende vrouwen, het establishment – bevoorrechte groepen voor wie in de toekomst wel plaats zou zijn.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de versterking van transnationale instituties in het huidige kapitalisme een kloof heeft gecreëerd tussen, zoals politiek wetenschappers het noemen, kosmopolitische elites en lokaal gebonden mensen. Die laatste groep kan zijn stem en belangen niet doen gelden en doet daarom niet mee aan het vormgeven van de toekomst. De Europese vrijhandelsovereenkomsten verhelpen dit probleem niet, maar
vergroten het eerder.
Tot dusver hebben EU-handelsfunctionarissen de buitengesloten mensen voorgesteld als sukkels met verouderde standpunten die geen notie hebben van vooruitgang of van wat uiteindelijk voor henzelf goed is. Dat is een miskenning van het begrip besturen. Technologie en de economische orde waarin wij leven overkomen ons niet zomaar. Ze zijn niet het resultaat van een natuurlijk (markt) proces – ze worden geconstrueerd door politiek, beleid, wet- en regelgeving.
Als de sociaaleconomische orde wordt vormgegeven door instituties die worden beheerst door allerlei elitegroepen – en als opvattingen van anderen hier nauwelijks worden gehoord – zullen deze instituties alleen hun eigen visies op de wereld voortbrengen. Dus ook hoe je invulling geeft aan die toekomst en wat de juiste vaardigheden, waarden en houdingen zijn. De sociaal-democratie kan en moet daar iets beters tegenover stellen.
Vertaling uit het Engels door Asaf Lahat.