Vorige week waren er verkiezingen. Dinsdagavond was het slotdebat waaraan alle lijsttrekkers van de in de Tweede Kamer vertegenwoordigde politieke partijen deelnamen. De opzet van het debat was dat steeds twee lijsttrekkers 1 op 1 met elkaar debatteerden over een door één van hen ingebrachte stelling. Lilian Marijnissen kruiste de degens met Mark Rutte over de stelling ‘de zorg is geen markt’. Althans, dat was de bedoeling van Marijnissen. Maar Rutte sloeg de discussie onmiddellijk dood. Hij was het met Marijnissen eens dat de zorg geen markt is en vond dat we in Nederland fantastische zorg hebben. Marijnissen was het daarmee eens, maar stelde dat dit zo is ondanks en niet dankzij de markt. Zij vroeg of de premier bereid was te erkennen dat de markt de zorg niet vooruithelpt en of hij ook bereid is daarop terug te komen. Rutte gaf geen antwoord maar speelde de bal terug. Niets over administratieve lasten, hoge werkdruk en achterblijvende salarissen. Nee, het probleem is dat het lastig is om mensen te inspireren om in de zorg te werken “omdat we er met elkaar zo negatief over spreken. Dat komt ook door bepaalde politici die alleen maar problemen uitvergroten en niet beschrijven wat er goed gaat in de zorg.” (…) “nu een hele discussie beginnen over het stelsel en niet over de mensen, de patiënten, dat is het laatste wat je op dit moment moet willen.” Je moet maar lef hebben. Want Rutte kan wel zeggen dat ook hij vindt dat de zorg geen markt is, maar onder zijn leiding is marktwerking in de zorg geïntroduceerd. In zijn regeerperiode is het kleine zorgaanbieders, zoals huisartsen en fysiotherapeuten, verboden om gezamenlijk te onderhandelen met de zorgverzekeraars. En door ministers van zijn kabinetten zijn wetsvoorstellen ingediend om de mogelijkheden voor winstuitkering in de zorg verder te vergroten. Tot nu toe heb ik er niets van gemerkt dat de premier op dit punt op zijn schreden terugkeert. Van de door de Tweede Kamer in een aangenomen motie gevraagde voorstellen om winstuitkering in de hele zorg te verbieden, is nog niets vernomen. Sterker, minister Bruins laat op dit moment onderzoek doen naar de mogelijkheden om ook ziekenhuizen en verpleeghuizen winst uit te mogen laten keren. En winstuitkering versterkt niet alleen de marktwerking in de zorg, maar ook de uitwassen ervan.

De meeste mensen die gaan werken in de zorg doen dat uit ideële overwegingen. Zij willen iets voor anderen betekenen. Daar moeten zij behoorlijk voor betaald worden (wat lang niet altijd gebeurt), maar de inhoud van het werk staat voorop. Dat ligt bij mensen die in de zorg gaan ondernemen een slagje anders. Ook daar kunnen mensen tussen zitten met ideële motieven, maar er zijn er ook die de zorg als een melkkoe zien. Dit weekend berichtte Follow the Money (FTM) over een zorgbedrijf in Almelo dat voor tonnen aan zorggeld oneigenlijk besteedde (of fraudeerde, de rechter doet nog uitspraak) en winstmarges behaalde van ruim 66%. Maar ook initiatieven die vanuit het belang van de patiënt ontstaan, blijken te kunnen ontsporen als geld een belangrijke factor wordt. Het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde bracht op 9 januari een reconstructie van de gang van zaken rond het medicijn lutetium-octreotaat, een medicijn tegen neuro-endocriene tumoren. De basis voor dit medicijn werd halverwege de jaren ’80 gelegd in wat toen nog het Rotterdamse Dijkzigt-ziekenhuis was. Eric Krenning, vanaf 1985 hoofd van de afdeling nucleaire geneeskunde, kreeg een briljante ingeving. Hij en collega-artsen deden onderzoek; de eerste behandeling van een patiënt vond plaats in 1992. Perfectionering van de behandeling volgde in 1999 door onderzoekers van een farmaceutisch bedrijf. In 2001 richtten de onderzoekers van dat bedrijf, samen met een aantal artsen van het ziekenhuis hun eigen farmaceutische start-up op. Krenning en zes andere artsen verwierven een belang in het nieuwe bedrijf. Het ziekenhuis niet. “Logisch” vindt Krenning, want de derde versie van het medicijn is uitgevonden buiten de muren van het ziekenhuis (inmiddels opgegaan in het Erasmus MC). Daarmee is Krenning strikt genomen niet de uitvinder en kan het ziekenhuis geen eigendomsrecht claimen.

In 2010 wordt het middel voor €10.7 mln. verkocht aan een Frans farmaceutisch bedrijf, AAA. In 2018 koopt Novartis AAA voor €3.3 miljard. Krenning heeft recht op een aandelenportefeuille van €12 mln. plus 10 jaar recht op royalty’s. Het Erasmus MC krijgt maximaal € 2 mln.

 Het voelt uiterst onbevredigend. Krenning was van 1985 tot 2011 in loondienst van het ziekenhuis, het leeuwendeel van het onderzoek vond in het ziekenhuis plaats (daarom kon het middel ook snel worden goedgekeurd) en toch staat het ziekenhuis met lege handen. Maar ronduit verbijsterend vind ik dat Krenning het ‘logisch’ vindt dat het ziekenhuis buiten spel staat. Hoewel hij zelf zegt dat hij de kar (van het ontwikkelen van het medicijn) getrokken heeft “van begin tot registratie” en dit in werktijd van het ziekenhuis gedaan heeft, is zijn loyaliteit met zijn (voormalig) werkgever beperkt. Kennelijk zijn ook artsen die uit bevlogenheid aan een onderzoek beginnen niet altijd in staat de verleidingen van het ‘grote geld’ te weerstaan. Dan kunnen ze daar ook beter niet aan worden blootgesteld.

Ik ben opgegroeid met de uitdrukking dat je ‘de kat niet op het spek moet binden.’ Dat betekende zoveel als: de meeste mensen zijn fatsoenlijk en zullen je niet belazeren, maar je moet het ze ook niet te gemakkelijk maken. Dat lijkt me een wijze les voor de zorg. Houd het grote geld, en daarmee de markt, buiten de deur.