Op woensdag 12 juni meldde NRC dat het aantal ‘stops’ op de Spoedeisende Hulpposten (SEH) tussen 2015 en 2019 verdubbeld is. Een stop betekent dat een SEH vol is en er geen patiënten meer bij kan hebben. Het verschijnsel doet zich voor in het hele land, van Amsterdam tot Drenthe.

De oorzaken zijn divers. Er is een tekort aan gespecialiseerd verpleegkundig personeel. Daarnaast komen meer ouderen naar de SEH, die na behandeling nog niet terug naar huis kunnen. Als voor hen geen geschikte ‘nazorgplek’ wordt gevonden blijven zij op de SEH. Daarnaast nemen de eisen die aan de (personeels)bezetting op de SEH worden gesteld toe. Hierdoor zien sommige ziekenhuizen zich gedwongen de SEH te sluiten. En tenslotte legt de afname van het aantal SEH’s (in 2013 waren er 94, in 2019 nog 83, waarbij voor 3 SEH’s sluiting is aangekondigd) nog meer druk op de nog wel functionerende Spoedeisende Hulpposten.

De gevolgen worden steeds zichtbaarder, met name in de ambulancezorg. In zekere zin zijn de ambulancezorg en de SEH communicerende vaten. Als een ambulance niet in het dichtstbijzijnde ziekenhuis terecht kan moet hij verder rijden, met alle risico’s van dien. Het gaat per slot van rekening om hulp die spoed vereist. De wettelijke aanrijtijd (de tijd tussen het moment waarop de melding binnen komt en het tijdstip waarop de ambulance bij de patiënt arriveert) van 15 minuten werd in 2018 in maar 3 van de 24 ambulancevervoersregio’s gehaald. En ook de 45-minutennorm (een patiënt moet 45 minuten na de melding een SEH bereiken) wordt veelal niet gehaald.

De Tweede Kamer zit er bovenop en hield in april een Algemeen Overleg (AO) met de minister. Ik heb het verslag van dit AO teruggelezen en vond het schokkend. Door alle partijen werden verstandige voorstellen gedaan. Bijvoorbeeld om goede praktijkvoorbeelden van preventie (waardoor minder mensen op de SEH terecht komen) en nazorg (waardoor zij de SEH eerder kunnen verlaten) te laten navolgen. Maar de minister hield het bij het uitbrengen van een verslag van goede voorbeelden. Verder is het aan de regio. Ook de sluiting van Spoedeisende Hulpposten lijkt hij niet als zijn probleem te zien. In de Wet toelating zorginstellingen is opgenomen dat zorgaanbieders alleen kunnen stoppen met functies op een bepaalde locatie als de 45-minutennorm om een SEH van een basisziekenhuis of een afdeling voor acute verloskunde te bereiken, daardoor niet in gevaar komt. Met de sluiting van het IJsselmeerziekenhuis in Lelystad zijn inwoners van Urk pas na 60 minuten op een SEH. Een substantiële overschrijding van de wettelijke norm. Maar volgens de minister is dit niet het geval. De 45 minutennorm is een ‘spreidingsnorm’, geen prestatienorm. Wat hem betreft komt er een nieuwe norm die medisch wetenschappelijk onderbouwd is.

Gedeeltelijk heeft de minister hier een punt. Moderne ambulances zijn veel méér dan vervoersbusjes. De behandeling wordt al in de ambulance gestart. Dat kan betekenen dat het niet altijd kwaad kan als een patiënt er langer dan 45 minuten over doet om op de SEH te komen. Maar het wordt ongemakkelijk als hij dit ook volhoudt voor situaties waarvoor door medische professionals is vastgesteld dat 45 minuten te lang is. Zo heeft de Stuurgroep Zwangerschap en Geboorte al in 2009 aanbevolen dat zwangere vrouwen in nood binnen 15 minuten een ziekenhuis met klinische verloskunde moeten kunnen bereiken. De Stuurgroep is door toenmalig minister Klink ingesteld omdat de babysterfte in Nederland relatief hoog was. Op dit punt is dus echt geen nieuw onderzoek nodig.

Maar de minister neemt zijn verantwoordelijkheid niet. Sterker, het lijkt erop dat hij deze verantwoordelijkheid niet wil nemen. Lelystad krijgt geen Spoedeisende Hulppost omdat St Jansdal, het ziekenhuis uit Harderwijk dat ‘Lelystad’ overnam, daar geen brood in ziet. “Met de huidige omvang van de patiëntenpopulatie is het volgens St Jansdal nu geen realistisch scenario om een volwaardige SEH open te houden, ook niet met een door mij aangeboden beschikbaarheidsbijdrage.”1

De verantwoordelijkheid van de minister eindigt kennelijk met het beschikbaar stellen van een financiële tegemoetkoming.

Tegelijkertijd lijkt de minister de voorwaarden voor zorgaanbieders om met acute zorg te stoppen af te zwakken. “Zorgaanbieders kunnen acute zorg alleen geheel of gedeeltelijk opschorten of beëindigen als hierover van tevoren wordt overlegd met zorgverzekeraars en zorgaanbieders, ook in de eerste lijn, en als gemeenten en inwoners van tevoren worden geïnformeerd en gehoord, zodat zorgen kunnen worden meegewogen bij de besluitvorming.” 

Toen het huidige zorgstelsel in 2006 werd ingevoerd benadrukte toenmalig minister Hoogervorst dat het stelsel zou leiden tot een machtsevenwicht tussen zorgaanbieders, zorgverzekeraars en verzekerden. De positie van de laatste groep is nooit tot zijn recht gekomen. De burger mag zijn verzekeraar kiezen, maar daar houdt het ongeveer op. Burgers hebben geen stem in de beslissing welke voorzieningen overeind blijven. Je zou mogen verwachten dat de minister als belangenbehartiger van de burgers die taak op zich neemt.     

  • 1. Verslag AO van 3 april 2019, p. 41