Door: Pieterjan van Delden -  Programmaleider in het sociaal domein en verbonden aan Andersson Elffers Felix in Utrecht en aan TIAS, de business school van Tilburg University, auteur van ‘Marginalisatie - meedoen in een complexe samenleving’

Sociale marginalisatie is een ingewikkeld probleem in onze samenleving. Maar er zijn wel manieren om er iets tegen te doen. Lokale bestuurders kunnen bijvoorbeeld zorgen dat iedereen mee kan doen aan activiteiten die in de gemeente georganiseerd worden, van sport en het verenigingsleven tot vrijwilligerswerk. Daar moeten ze dan wel in investeren.

In een steunprogramma voor psychisch kwetsbare mensen werd de situatie ingebracht van een 32-jarige man die een loopbaan in de automatisering achter de rug heeft. Al tijdens zijn studie zette hij met vrienden een eigen ICT-adviesbureau op, maar na een aantal jaren creatief pionieren liep het enthousiasme stuk op onderlinge onenigheid in de maatschap. De werkdruk was groot en hij ontwikkelde een burn-out waardoor hij minder presteerde en de mede-eigenaren steeds kritischer over hem werden. Daarna kreeg hij een depressie en liet zich uitkopen uit het bedrijf voor een te lage prijs. Hij raakte in een vechtscheiding met zijn vrouw, moest zijn huis verkopen en sliep een paar maanden bij familie en vrienden. Toen dat niet meer ging huurde hij een vakantiehuisje. Daar sloeg de depressie opnieuw toe waarna hij in een kliniek moest worden opgenomen. Nu woont hij in een flatje in een buitenwijk, krijgt wekelijks begeleiding en teert in op zijn vermogen. Soms verliest hij de moed, drinkt te veel en bezorgt hij de buren overlast. Wel helpt hij af en toe in het wijkcentrum anderen met hun administratie. Van zijn persoonlijke netwerk is niet veel overgebleven, zijn familie houdt afstand. Zijn begeleider is zijn meest regelmatige sociale contact.[1]

Wat is hier eigenlijk misgegaan? Het is duidelijk dat de ondernemer kwetsbaarder was dan hij veronderstelde, want hij blijkt niet opgewassen te zijn tegen mislukking en pech. Maar waarom komt hij terecht in een maalstroom van problemen? Voor elk van die problemen is mogelijk een oplossing, maar zijn val wordt veroorzaakt door een opeenstapeling van moeilijkheden. Hij spiraalt als het ware omlaag en bij elke neerwaartse stap verliest hij contacten en relaties, eerst zijn vrienden-collega’s, dan zijn levenspartner, daarna zijn buurtgenoten en ten slotte ook zijn familie. De aanvankelijk succesvolle ICT’er komt in een sociaal isolement en daarmee verschralen ook zijn vaardigheden om constructief met anderen om te gaan. Zijn tegenslagen gaan gelijk op met het krimpen van zijn sociale netwerk. Het zijn twee ontwikkelingen die samenhangen in één proces: sociale marginalisatie.

In dit betoog wordt sociale marginalisatie omschreven als een individuele verschraling van relaties, een relatieverlies dat ook collectief optreedt en zichzelf versterkt. Sociale marginalisatie laat zich niet eenvoudigweg verklaren uit achterstanden of ongelijke kansen. Ze komt voort uit maatschappelijke complexiteit, die een uitsluitende werking heeft op mensen met een beperkt sociaal vermogen. Om sociale marginalisatie tegen de gaan is een omgeving nodig die toegankelijk is voor sociaal kwetsbare mensen. Men zou dat een ‘participatie-arena’ kunnen noemen, een open omgeving van uiteenlopende activiteiten

Vanuit de overheid kan een dergelijke omgeving worden gestimuleerd door een verbinding te leggen tussen allerlei kleinschalige burgerinitiatieven. Dit vraagt om een politieke keuze voor gemeenschapsvorming.

Relatieverlies als collectief verschijnsel

Sociale marginalisatie is het missen, verliezen of verschralen van sociale relaties waardoor de kwaliteit van het leven vermindert.[2] Relatieverlies is in de eerste plaats een individueel gegeven, maar heeft ook een maatschappelijke kant omdat onzeker werk, een lage opleiding, een gering inkomen en minder toegang tot voorzieningen ook de sociale relaties aantast. Deze sociale uitsluiting en relatieverlies versterken elkaar.[3] Het psychologische effect van uitsluiting is terugtrekgedrag en dat kan resulteren in zelfisolatie. Relatieverlies wordt zo een autonome factor, een ‘motor’ van sociale uitsluiting.

Dit verschijnsel raakt niet alleen de ICT-ondernemer uit het voorbeeld, maar allen die maatschappelijk kwetsbaar zijn. Het treedt op bij mensen met schulden, gezinnen in bestaansonzekerheid, mensen met een fysieke of verstandelijke beperking, alleenstaande ouderen en jongeren die ondanks hun afkomst uit een gunstig milieu vastlopen in keuzestress en passiviteit. Deze groepen hebben gemeen dat tegelijk met het verschralen van hun sociale netwerken hun vermogen afneemt om zich te handhaven in de samenleving.

Sociale marginalisatie treedt ook collectief op. Het Sociaal en Cultureel Planbureau deed onderzoek naar de zelfredzaamheid van verschillende groepen onder de bevolking. Voor elke groep werd nagegaan over welke ‘hulpbronnen’ ze beschikken: fysieke en mentale kwaliteiten, opleiding, inkomen en vermogen, ‘cultureel kapitaal’ (taalbeheersing, leefstijl) en sociaal kapitaal (steun van kennissen of andere relaties)[4]. Dit leidde tot een indeling in zes groepen: de gevestigde bovenlaag, de jonge kansrijken, de werkende middengroep, de comfortabel gepensioneerden, onzekere werkenden en achterblijvers. De laatste twee groepen omvatten 29% van de bevolking.

Het SCP constateert dat deze twee groepen zich kenmerken door een relatief laag totaal aan hulpbronnen, inclusief een gebrek aan steunende sociale contacten. Maar ook ouderen met een redelijke financiële positie hebben vaak kleine sociale netwerken om op terug te vallen.[5] Relatieverlies komt dus vaker voor bij de kwetsbare groepen – zo’n dertig procent van de bevolking – maar treft ook individuen in de middengroep. Het gevolg kan zijn dat die individuen terechtkomen in de groep onzekere werkenden of zelfs bij de achterblijvers, zoals gebeurde bij de ICT-ondernemer.

Blijvend relatieverlies is ingrijpend omdat duurzame sociale relaties een existentieel belang hebben. Ze voorzien in meerdere levensbehoeften. In de eerste plaats gaat het om affectieve behoeften zoals liefde, gewaardeerd worden, emotionele steun en erkenning. Daarnaast hebben mensen een behoefte om zich bij anderen aan te sluiten en ergens bij te horen, onder meer voor sociale contacten en gezamenlijke interesses. Verder zijn relaties functioneel voor materiële behoeften zoals praktische ondersteuning, voedsel, informatie, hulp en bijstand. Ten slotte vervullen sociale netwerken de behoefte aan stabiliteit en sociale zekerheid doordat de mensen die erbij horen deel uitmaken van een grotere groep met onderlinge afspraken en regelingen voor de langere termijn. [6]

Hoe ontstaat sociale marginalisatie?

Sociale marginalisatie kan in uiteenlopende omstandigheden ontstaan. In het geval van de ICT-ondernemer werd zijn neergang ingeleid door een samenspel van werkdruk en psychische kwetsbaarheid. Er zijn ook andere situaties die verschraling van het sociale netwerk in gang kunnen zetten, zoals langdurige armoede, ontslag, schulden, ziektes, psychische trauma’s, conflicten, migratie, lichamelijke beperkingen, verhuizing en het op latere leeftijd wegvallen van relaties door overlijden. Als het verlies van sociale contacten wordt opgevangen door mensen in het overgebleven sociale netwerk of als er op den duur nieuwe sociale relaties ontstaan, dan gaat het om de normale wisselvalligheden die horen bij het leven. Als op termijn het hele sociale netwerk zwakker wordt en hierdoor de kwaliteit van leven wordt aangetast, is er sprake van sociale marginalisatie. In dat geval gaat de tegenslag gepaard met een blijvende vermindering van sociaal vermogen en komt er een proces op gang waarin nieuwe tegenvallers en afnemende contacten haasje over gaan.

Verschralende relaties gaan vaak samen met sociaaleconomische onzekerheid, wat zich manifesteert in een laag inkomen en onzeker werk. Waarom is relatieverlies verbonden aan die onzekerheid? In een dynamische kenniseconomie wordt onzekerheid ook veroorzaakt door een andere, minder grijpbare ontwikkeling. In onze tijd zijn veel van de oude maatschappelijke structuren, collectieve opvattingen en algemeen geldende leefpatronen vervaagd en soms weggevallen. De bindende kracht van religie, baan, vakmanschap en dorp is sterk verminderd. Door de toegenomen welvaart is er een grote differentiatie ontstaan van beroepen, instituties, informatie en mogelijkheden.[7]

Complexiteit is een breed begrip dat allerlei elementen omvat: een veelheid van voorzieningen en bureaucratische procedures, een mengelmoes van keuzemogelijkheden voor het individu, de rol van internet en de sociale media, het ontstaan van een multiculturele samenleving en steeds veranderende systemen en banen en de daarvoor vereiste competenties. Het oude sociale vraagstuk van armoedebestrijding is – in de woorden van Hans van Ewijk - verdrongen door de ‘nieuwe’ sociale kwestie van het richting vinden en greep krijgen op sociale complexiteit.[8] Dit vraagt de vaardigheid om jezelf te profileren aan anderen en een positie in de samenleving te vinden. Hiervoor is meer sociaal vermogen nodig dan vroeger. Zo werkt bijna zeventig procent van de beroepsbevolking dagelijks in een team en wordt in het onderwijs vaak in groepjes gewerkt.

Volgens Van Ewijk is ‘het sociale vermogen dat in onze tijd zo hoog gewaardeerd wordt, daarmee tegelijkertijd een uitsluitingsgrond geworden.’ Hij illustreert die uitsluiting met de zwakke arbeidsmarktpositie van mensen met een autistische stoornis. Van die groep werkt slechts 12% in een fulltime baan, ondanks hun normale of soms bovennormale intelligentie. Vergelijkbare drempels gelden voor mensen met een lichte verstandelijke beperking en zwakbegaafden, die tegenwoordig een groter beroep doen op steun vanuit de overheid. Ze missen de sociale relaties in en om het werk en daarmee ook een netwerk van collega’s, leidinggevenden en klanten.[9]

Het gemis aan steunende arbeidsrelaties geldt niet alleen voor mensen met een beperking, maar ook voor de ruimere groep van mensen met weinig opleiding, vooral jongere mannen. In de afgelopen decennia is het aantal mannen van 25 tot 45 jaar dat niet meedoet op de arbeidsmarkt gestegen van 1,3% in 1979 tot 8,1% in 2018. Het Financieele Dagblad verklaart dit als volgt: ‘Een grotere groep laagopgeleiden heeft het steeds moeilijker op een arbeidsmarkt, die complexer wordt en steeds hogere eisen stelt. Het zijn betrekkelijk jonge mannen zonder een startkwalificatie die afhaken.’ Deze groep zit niet in de statistieken van de werkloosheid omdat ze niet meer actief op zoek is naar werk.[10] Mensen die nog redelijk zouden functioneren in een ambachtelijke samenleving passen niet meer in onze moderne economie en vallen uit. Iemand met een licht verstandelijke beperking werkte vroeger gewoon op een boerderij, maar gaat nu dagelijks samen met andere kwetsbare mensen met het taxibusje naar de dagbesteding.

Minder steun vanuit sociale netwerken

Voor hun gevoel van geluk is het belangrijk dat mensen regie over hun eigen leven ervaren. Als de mate van regie die mensen ervaren gering is, zoals bij de meest kwetsbare groepen vaak het geval is, dan ligt hun geluksniveau ook lager. Een gevoel van afnemende regie is bijvoorbeeld te zien bij kwetsbare ouderen. Zij hebben vaker moeite met het huishouden, met zich verplaatsen, met het bijhouden van de financiën, met het deelnemen aan activiteiten buitenshuis, met het werken met de computer en het onderhouden van sociale contacten.[11]  Vaak redden ze het wel dankzij hulp van familie en vrienden. Maar mensen verwachten dat de steun uit hun netwerk afneemt als ze ouder worden of als ze te maken krijgen met een langdurige ziekte of een beperking.[12]

De afstand tussen de meerderheid met een goede leefsituatie en de kwetsbare groepen wordt de laatste jaren groter.[13] In sommige wijken neemt de redzaamheid van grote groepen inwoners af.[14] De verwachting is dat de omvang en de kwaliteit van de sociale netwerken van kwetsbare groepen in de toekomst verder zal afnemen. Als verklaring hiervoor geeft Steyaert bijvoorbeeld dat gezinnen steeds kleiner worden, kinderen steeds minder vaak dicht in de buurt wonen en dat het aantal alleenstaanden verder toeneemt. De ontwikkelingen in andere landen lijken hierop.[15]

Er liggen twee belangrijke ontwikkelingen ten grondslag aan sociale marginalisatie. Op de arbeidsmarkt worden steeds hogere eisen gesteld aan kennis, zelfstandig handelen en sociale competenties. Buiten de arbeidsmarkt worden het consumeren, wonen en communiceren individueler en krimpen de sociale steunnetwerken. Deze twee ontwikkelingen hebben gemeenschappelijk dat van mensen in toenemende mate inzicht, autonomie en eigen initiatief wordt verwacht.

De samenleving is pluriform en diffuus en als je zelf geen koers uitzet, raak je de weg kwijt. Natuurlijk zijn en blijven er altijd mensen met beperkingen, aandoeningen en tegenslagen. Maar wanneer tegelijkertijd ook hun sociale netwerk achteruitgaat, missen ze het essentiële instrument om de kwaliteit van hun leven op peil te houden en doen ze dus een beroep op de publieke voorzieningen. De gebruikelijke remedie is om het uit marginalisatie voortkomende lijden, in de vorm van sociaal isolement, psychische klachten en afnemende zelfredzaamheid, op te lossen met individuele hulp, ondersteuning en activering. Dat zijn oplossingen die sociale marginalisatie alleen op persoonsniveau aanpakken en niet op het vlak van de sociale netwerken en participatie.  Dit is de achtergrond van de steeds verder uitdijende jeugdzorg, maatschappelijke ondersteuning en geestelijke gezondheidszorg.

Moderne gemeenschapsvorming

Het antwoord op sociale marginalisatie is participatie en gemeenschapsvorming in moderne zin. Burgers zijn zelf de beheerders van hun sociale contacten, maar om die bij kwetsbare mensen te versterken is steun nodig. Daarom moet de overheid stimulansen geven voor een ‘participatie-arena’, waar burgerinitiatieven, sociaal ondernemers, bedrijven en instellingen voor begeleiding en welzijn, burgers uitnodigen om mee te doen met activiteiten om zo relaties te leggen.

Een dergelijke participatie-arena verenigt zelfstandige burgerinitiatieven met overheidssteun. Te denken valt aan een buurtvereniging zoals die ontstond in Berlijn, in 1993, na de hereniging van Oost- en West-Duitsland. Een groep bewoners startte een buurtvereniging die veel deed aan zelfhulp voor kwetsbare bewoners bij het huishouden, klussen, financiën en rechtshulp. De vereniging richtte een eigen wijkcentrum op, het Nachbarschaftshaus Orangerie. Het wijkcentrum voorzag duidelijk in een behoefte en bleef zichzelf steeds vernieuwen. Dat succes was aanleiding voor de gemeente Berlijn en de stadsdelen om de Orangerie in het jaar 2000 te erkennen als een volwaardige partner bij het toewerken naar een leefbare en (zelf)zorgzame wijk.

Er kwam een basissubsidie beschikbaar, later aangevuld met subsidies voor hulpverlening en zorg. In de loop van de jaren breidden de taken en subsidies zich uit naar participatie, culturele activiteiten, maatschappelijk werk en wijkverpleging. Maar nog steeds zijn de eigen activiteiten (en zelfbestuur) van de wijkbewoners de basis van het wijkcentrum.

Vergelijkbaar hiermee is de (Nederlandse) beweging om in gemeenten ‘Huizen van de Wijk’ op te zetten, buurtcentra die (vooral) door bewoners worden beheerd zoals in Berlijn. Zo is er in Amsterdam Nieuw-West een wijkorganisatie ‘Eigenwijks’, die zo’n dertig actieve bewonersgroepen omvat. Er zijn honderden bewoners betrokken en 35 medewerkers, vooral welzijnswerkers. Het dagelijks bestuur bestaat uit zeven bewoners.[16]

Een participatie-arena moet meer omvatten dan een wijkcentrum, hoe actief en veelzijdig ook. Het moet een ‘sociale abeidsmarkt’ zijn, met initiatieven die elkaar versterken. De behoeften van mensen aan participatie zijn heel divers en die zijn alleen te vervullen met een breder spectrum aan activiteiten dan een wijkcentrum doorgaans kan bieden. Het kan ook gaan om een klusbedrijf met werkplekken voor psychisch kwetsbare mensen, een reparatiewinkel, vrijwilligerswerk in een verpleeghuis, of een buurtmoestuin.

Diversiteit van activiteiten ontstaat in een creatieve dynamiek, zoals die wordt nagestreefd in broedplaatsen voor startende bedrijven, waarin ondernemers elkaar opzoeken, adviseren en samen weer op nieuwe ideeën komen. In zo’n broedplaats is er vrijheid om naar eigen behoefte nieuwe activiteiten te starten, maar is tegelijkertijd sprake van een stevige verbinding tussen alle activiteiten, zodat die elkaar stimuleren.

Die verbinding kan worden gelegd door interne ontmoetingen, gezamenlijke trainingen, onderlinge adviezen en door een ‘community manager’, een coördinator die de locatie beheert en tegelijkertijd de deelnemers met elkaar in contact brengt. Wanneer dat verbinden niet zozeer op een locatie gebeurt, maar in een hele wijk, wordt dat wel aangeduid als een ‘place maker’, of een ‘stadmaker’, zoals die in de gemeente Amsterdam zijn aangesteld.

Het belang van toegankelijkheid

Nu geldt voor een participatie-arena zoals hier bedoeld, dat deze ook voor de sociaal kwetsbare groep toegankelijk moet zijn. De bedoeling is dat deelnemers hun sociale netwerken in deze omgeving kunnen uitbreiden of herstellen. Dat effect is niet vanzelfsprekend: veel activiteiten zijn niet toegankelijk voor sociaal kwetsbare mensen. In een middelgrote stad zijn er al gauw honderden activiteiten waaraan inwoners kunnen deelnemen, zoals van vrijwilligersorganisaties op het terrein van welzijn, sport en hobby’s, maar ook van de gemeente en van bedrijven. Het probleem is niet het gebrek aan activiteiten, maar hun slechte toegankelijkheid voor de kwetsbare groep.

De activiteiten zijn bijvoorbeeld moeilijk bereikbaar (althans voor minder mobiele mensen), er wordt een financiële bijdrage gevraagd, van deelnemers wordt inzet en discipline verwacht (soms lastig voor mensen met een beperking) en actieve groepen staan lang niet altijd open voor nieuwe leden met minder sociaal vermogen. Wat nodig is, zijn verwijspunten, begeleiders en ‘participatie-makelaars’ om verbindingen te leggen en drempels op te heffen.

In ons land zijn vele voorbeelden van zorgcoöperaties, sociale ondernemingen, buurtgroepen en activiteitencentra die wel toegankelijk zijn voor kwetsbare mensen en die daarmee de basis kunnen vormen van een participatie-arena. Hierbij ligt het voor de hand om te kiezen voor het wijkniveau en daar de initiatieven van burgers te verbinden aan de activiteiten van lokale organisaties en de participatiedoelen vanuit de gemeente. Maar het is evenzeer de moeite waard om vrijwilligersorganisaties en (sociale) ondernemingen te stimuleren om kwetsbare mensen de gelegenheid te geven mee te doen met wat zich juist buiten de wijk of het dorp afspeelt. ‘Stadslucht maakt vrij’.

Wie neemt hier het initiatief en wie legt de verbindingen? Hier ligt een taak voor gemeenten, die dan wel in staat moeten zijn om dergelijke verbindingen te organiseren en daartoe hun eigen interne verkokering terug te dringen. De opgave voor een participatie-arena raakt de inrichting van het sociale domein en daarbinnen de rol van hulpinstellingen. Het hele stelsel van zorg en ondersteuning, inclusief zijn professionalisme, instituties en budgetten, richt zich voornamelijk op de individuele hulpverlening. Sinds de decentralisaties van 2015 wordt gesproken over meer inbedding in de samenleving, maar het systeem zit nog vast in een productbenadering die weinig ruimte overlaat aan een collectief gerichte participatie.

De wet Maatschappelijke ondersteuning biedt de mogelijkheid om collectieve, algemeen toegankelijke voorzieningen te creëren, maar dat komt niet met kracht van de grond. De uitgaven voor het specialistische aanbod zetten die voor preventie en participatievoorzieningen vergaand in de schaduw. De financiële tekorten bij de jeugdzorg en de begeleiding van volwassenen blokkeren de ondersteuning van burgerinitiatieven, buurthuizen, opbouwwerk, activiteitencentra voor kwetsbare groepen en participatiebegeleiders.

In sommige gebieden zijn deze collectieve voorzieningen in de afgelopen jaren juist gesloten door zorginstellingen, omdat deze hiervoor niet meer worden bekostigd. Hier is sprake van een bedrijfseconomische en financiële patstelling: zo lang de middelen voor individuele hulpverlening niet worden verplaatst naar brede participatie, blijft sociale marginalisatie zich pervers manifesteren als een toenemende vraag naar kostbare specialistische zorg met een permanente dreiging van wachtlijsten.

Het vraagt bestuurlijke kracht om desondanks de budgetten meer richting participatie te verplaatsen en te accepteren dat de doorwerking daarvan in een afnemend beroep op hulp en zorg, enige tijd op zich zal laten wachten. Want participatie van sociaal kwetsbare mensen kost tijd. Is deze patstelling te doorbreken? De gemeente Nieuwegein zet in op een inbedding van hulp en ondersteuning in een ‘community-benadering’, zoals hierboven is beschreven voor Oost-Berlijn en Amsterdam Nieuw-West. Er wordt onder meer gebruikgemaakt van micro-netwerken, kleine actieve verbanden van bewoners in de wijken waar sociaal kwetsbare mensen makkelijk aan kunnen deelnemen vanwege de persoonlijke sfeer. Bij het eerste contact over een hulpvraag wordt idealiter direct al nagegaan of er (ook) behoefte is aan participatie, zoals in een micro-netwerk. Dit laat zien dat een participatie-arena niet alleen divers en dynamisch moet zijn, maar ook kleinschalig en daardoor toegankelijk.

In essentie omvat dit drie ambities op de politieke agenda: (1) een betere relationele kwaliteit van leven van burgers als een politieke doelstelling; (2) kleinschalige burgerinitiatieven bevorderen en daartussen verbindingen leggen; (3) participatie voorop stellen in het aanbod van professionele hulp en ondersteuning.

Bij de uitvoering hiervan manifesteren zich ongetwijfeld dilemma’s, van groepsbelangen tegenover gelijke behandeling en van acties van onderop tegenover beleid van boven. Maar juist de sociaal-democratie zou in staat moeten zijn deze dilemma’s goed te hanteren, in haar traditie van het bijeen brengen van diverse belangen en het afwegen van compromissen.

Noten

[1] De casus is afkomstig uit een programma voor ondersteuning van mensen met ernstige psychische aandoeningen in drie regio’s waarin de auteur programmaleider was.
[2] In deze begripsomschrijving is een keuze besloten voor sociale marginalisatie, in contrast met andere omschrijvingen van dit begrip, die meer gaan over sociaaleconomische, juridische, culturele of politieke marginalisatie.
[3] Schuyt, K. (2006), Steunberen van de samenleving, sociologische essays, Amsterdam University Press, p. 74.
[4] Sociaal en Cultureel Planbureau (2014), Verschil in Nederland, Sociaal en Cultureel Rapport 2014, Den Haag, pp. 285-293.
[5] Putters, K. (2018), Een lokaal sociaal contract, Voorwaarden voor een inclusieve samenleving, Sociaal en Cultureel Planbureau, p. 27.
[6] Baars, H., H. Uffing, G. Dekkers (1990), Sociale netwerkstrategieën in de sociale psychiatrie, Bohn Stafleu Van Loghum bv, Houten, p. 11. & Baars, H. (1994), Sociale netwerken van ambulante chronische psychiatrische patiënten (proefschrift), Universitaire Drukkerij Uniprint, Maastricht, p. 81.
[7] Ewijk, H. van, (2010), Maatschappelijk werk in een sociaal gevoelige tijd, uitgeverij SWP, Amsterdam, pp. 9-20.
[8] Ibidem.
[9] Standing, G. (2011), The Precariat, Bloomsbury Academic, Londen, pp. 7-25.
[10] Hinrichs, J. (2019), ‘Jonge mannen minder vaak aan het werk’, in: Het Financieele Dagblad, 19 januari 2019.
[11] Pommer, E. et al. (2018), Overall rapportage sociaal domein 2017, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, pp. 71-86.
[12] Pommer, E. et al. (2018), id. pp. 86-90.
[13] Bijl. R., J. Boelhouwer, A. Wennekers (2017), De sociale staat van Nederland, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, pp. 379-386.
[14] Onderzoekers van de VNG/KING komen tot een schatting van 28% kwetsbare wijkbewoners die zowel laag scoren op participatie als op individueel welzijn. Zie: Gremmen, M.H. (2016), Vitaliteit van buurten en maatschappelijke veerkracht, mogelijkheden en beperkingen van een vitale lokale samenleving, VNG/KING, Den Haag, pp. 37-44.
[15] Steyaert, J. (2012), ‘Sociale wetenschappers over sociale netwerken’, in: De zorgkracht van sociale netwerken, Movisie, Utrecht, pp. 31-32.
[16] Zie https://www.eigenwijks.nl/over-ons/wie-zijn-wij (geraadpleegd op 30 september 2019).

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2018)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik de Boer, Meike Bokhorst, Wimar Bolhuis, Klara Boonstra, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [hoofdredactie], Wiljan Linders [eindredactie]

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl