Vijftig jaar lidmaatschap van de PvdA is voor Bert Ummelen reden tot reflectie, niet in de laatste plaats op de afgelopen kabinetsperiode.

Ik heb de gouden speld gekregen. Voor doorzettingsvermogen, denk ik. ‘Zeg je lidmaatschap van de PvdA niet op, want er komen altijd betere gelegenheden.’ Dixit Bart Tromp.

Ik ben nog een kind van de verzuiling. Het Vrije Volk, VARA, vakbond, toen nog NVV, en dus de PvdA. De boeken thuis waren van De Arbeiderspers. Zoals baby’s tegenwoordig met de navelstreng vastzitten aan internet, zo zat ik bij geboorte vast aan de rode familie.

Die familie is door wat Hofland de ‘dekolonisatie van de burger’ noemde uit elkaar gejaagd. Het Vrije Volk werd nog voordat het zich terugtrok op Rotterdam ingeruild voor de lokale krant. Het eerlijke verhaal van mijn ouders: loyaliteiten sleten bij de sociale klim. Mensen die wat te winnen hadden werden mensen die wat te verliezen hadden. En daar leek de partij van ‘zwak, ziek en misselijk’ letterlijk geen boodschap meer aan te hebben. Maar ik werd juist lid. 

Wat was er allemaal aan de hand vijftig jaar geleden? In mijn Eindhovense stamcafé kozen de jongens van het vormingstoneel Proloog domicilie. Aan de bar herleefde ’s avonds de woordenstrijd tussen het links van de kladderadatsch en dat van de stuksgewijze bouwkunde. Leuke jongens trouwens, die Prologers. Vond je hun toneel niet om aan te zien dan zeiden ze  dat het om de vorming van arbeidersjeugd ging. Vond je hun maatschappijbeeld karikaturaal dan zeiden ze dat ze toneel maakten.

Je had My Lai, de Praagse Lente die meteen een barre winter werd, Bloedige Maandag in het Parijse Quartier Latin, Bobby Kennedy vermoord. En je had hier Nieuw Links. Econoom Reinier Krooshof, een kennis in Eindhoven, had het pamflet Tien over Rood mee geschreven en vertelde me enthousiast over de vuurrode feniks die uit de schaduwen van de brave wederopbouwpartij op zou vliegen.

Ik wist het niet zo net. Het elan van Nieuw Links was aanstekelijk, er was voor een jongmens veel aanstekelijks in die tijd. Maar erkenning van de DDR? Uit de NAVO als Spanje lid zou worden? Hmm. Het was ook de tijd van de ‘strijdpunten’: de PvdA moest een ondergrens stellen aan haar bereidheid tot coalitievorming. Verder moest de verbeelding aan de macht. Ik herinner me het commentaar van een collega op de krant waar ik toen werkte: hier was niet de verbeelding maar de arrogantie aan de macht.

Hoogmoed kwam voor de val: niks tweede kabinet-Den Uyl. Er is na de doodklap van maart veel achteromgekeken, maar te weinig, vind ik, naar dit scharnierpunt in de partijgeschiedenis. De PvdA maakte zich los van het politieke midden; dat moest gespleten worden. Het geëtter met de confessionelen is toen begonnen. Nooit meer goed gekomen.

De polarisatiestrategie gaf elan aan onze partij, maar de prijs was ernaar. En was die niet te voorzien? Een linkse meerderheid in Nederland, dat ging toch van z’n levensdagen niet lukken. Een jarenlange bondgenoot met wie de historische prestatie was geleverd van een herrezen en sociaal Nederland de gordijnen in jagen, dat lukte daarentegen prima. Ik zag laatst op tv Marcel van Dam die voorstelde Van Agt een bloemetje te sturen met een sorry-kaartje. Goed idee.

Ik raakte bevriend met Bart Tromp. Hij was door socioloog Be van Houten, kenner van de denkkanonnen van de Frankfurter Schule, vanuit Groningen naar Eindhoven gehaald en ik had daar een huisje. Bart werd mijn commensaal. Met de linksigheid van de ‘nieuwe vrijgestelden’ had hij weinig op. De revolutie van de sixties: niet meer dan een stijlrevolutie was het. En daar kwam bij dat de partij een ethos ging omhelzen dat haaks stond op zulke sociaal-democratische waarden als arbeidzaamheid, soberheid en gemeenschap. We smaalden over burgerlijkheid en vergaten dat het onze historische opdracht was de weg naar de burgerij voor arbeiders te openen.

Ik had de jonge Drees in de auto. Moest hem ophalen van het station in Eindhoven naar het open jongerencentrum waar ik de scepter over was gaan zwaaien. We hadden een allochtonendag op touw gezet; naar het hol van de leeuw bracht ik Drees’ zoon dus, want die voerde een partij aan die de problematische kanten van de import van ‘nieuwe Nederlanders’ agendeerde.

DS’70: bij nader inzien eerder verdediger van het sociaal-democratische gedachtegoed dan afvallige. Mea culpa. Onder het motto dat het lokale bestuur politieker moest, hielp ik Tromp mee oude kaders de Eindhovense partij uit te werken. Daaronder mensen die een prominente rol zouden gaan spelen in DS’70. Toch, ik was bij al het geëxalteerde gedoe, het mistasten, wel lid van een club van mensen die het idee deelden dat je een betere samenleving kon hebben. Die partij mis ik – eigenlijk al lang.

We zijn, in de striemende woorden van Tjeenk Willink, een gedepolitiseerde bestuurderspartij geworden. Kanjers leveren we voor alle niveaus van het openbaar bestuur. Maar leveren we ook nog de bezielde hervormers die onze partij zo lang aanvoerden? Mensen die zich in tegenspraak voelen met de maatschappelijke orde? Die een perspectief koesteren en voorhouden op een betere, menselijker manier van samenleven?

Als politiek besturen wordt, gaat iets wezenlijks verloren. Filosoof Paul van Tongeren uit mijn geliefde Nijmegen legde in dagblad Trouw eens helder uit wat er mis is met zo’n politiek. ‘Problemen oplossen zonder dat je te werk gaat vanuit een ideaal, betekent dat je de problemen enkel kunt oplossen vanuit de heersende vanzelfsprekendheid. Als de gezondheidszorg bijvoorbeeld te duur blijkt te zijn, ga je kijken hoe je er het slimst op kunt bezuinigen. Maar je vraagt je niet af: wat is gezondheid eigenlijk? En zorg? Wat wil ik daar eigenlijk mee? Dat vereist namelijk een ideaal.’

Ik las de interviewbundel van Wilco Boom over de neergang van de PvdA. Samsom en Dijsselbloem maken aanspraak op onze traditie verantwoordelijkheid te nemen, desnoods met electoraal risico. Haast was geboden en er zat heus veel verkiezingsprogramma in Rutte II. Nivelleren bijvoorbeeld. Anders dan in omringende landen heeft de crisis hier niet tot vergroting van inkomensverschillen geleid. Een prestatie. Maar ook een abstractie voor de verzorgende die haar C1’tje de deur uit heeft moeten doen toen ze wegbezuinigd werd en de bemiddelde overbuurman in zijn Volvo naar zijn werk ziet gaan. Over de pijnlijke bezuiniging op de sociale werkvoorziening – hoe niet PvdA wil je het hebben – nu maar even gezwegen.

In de zelfrechtvaardiging van de ‘rode ingenieurs’ klinkt een toon mee die stoort in een maatschappijkritische partij als de onze. Het is niet Rutte die critici die hem een gebrek aan visie verweten naar de oogarts verwees, maar in de buurt komt het wel. Ach, zo’n Van Waardeproject. Het huishoudboekje van de staat moest op orde, weet je wel. Ideeën ontwikkeling voltrekt zich in onze partij langs een parallelspoor, terzijde van het Haagse traject. Maar het viel niet eerder zo op. Voor de praktiserende politici lijkt zo’n wetenschappelijk bureau een zondagsschool; stichtend maar van weinig belang voor het doordeweekse leven. Niet verwonderlijk dat oud-WBS-directeur Monika Sie haar bitterheid over de ontvangst door de ‘partijtop’ nauwelijks weet te verbergen.

Voor mij was de exercitie van de WBS een hart onder de riem. Toch nog maar even volhouden voor die gouden speld. Het project documenteerde de actualiteit van traditionele sociaal-democratische doelen als bestaanszekerheid, goed werk, binding en verheffing. Maar dat niet alleen. Het liet een ander model van politiek zien: in plaats van top-down, vanuit een bestuurlijke logica beleid maken, eerst eens goed nagaan wat noden en wensen van mensen zijn.

Een offensief tegen de vervreemding van de Haagse kaasstolp. Maar is het alleen een technocratische cultuur die onze partij heeft vervreemd van haar oude achterban? Een bijdrage is vast ook geleverd door de vergadertijgers, de trouwe bezoekers van congressen en partijraden. Mooi, zo’n vitale ledendemocratie. Het zijn gepassioneerde minderheden die ons verder brengen, ze horen ook bij ons, maar je hebt een probleem als ze je (zelf)beeld als partij gaan bepalen. Voortdurend ging het kabaal de afgelopen jaren over kwesties die ontbreken op de prioriteitenlijst van de kiezers die we willen hebben, houden en terugkrijgen. Niet strafbaar stellen van illegaliteit, nota bene afgeruild tegen een inkomensafhankelijke zorgpremie, bed-bad-brood, no more black faces, een feestje bouwen rond de boerkini – reken maar dat ze in de volkswijken hun hoofd hebben geschud.

Er wordt over geklaagd dat de PvdA een ‘doctorandussenpartij’ is geworden. Hebben onze ouders ervoor gezorgd dat we door konden leren, is het weer niet goed. Het is ook compleet naast het punt. Wat de mensen die onze partij de rug hebben toegekeerd missen, is echte belangstelling voor en kennis van hun leven en zorgen. Empathie.

Voor magazine Volzin interviewde ik Marleen Barth. En passant zei ik geschrokken te zijn van een tv-uitzending. Een oude alleenstaande vrouw, beide benen vanwege diabetes geamputeerd, werd haar huis in gerold. Geen plek in het verzorgingstehuis; in de participatiesamenleving is mantelzorg immers de nieuwe zorg. Maar er was geen mantelzorger! Ach, vertelde Barth, ik heb na een ski-ongeluk ook eens met een been in het gips gezeten. Moest ik ook koken en redderen.

De jaren tachtig waren voor een naar trouw neigend lid al niet de gemakkelijkste geweest. Hoe konden we de neoliberale leer dat de vloed ook de armetierige bootjes optilt omarmen? Het klonk misschien niet gek, een sociaal-democratische twist geven aan het project van Reagan en Thatcher: de markten liberaliseren en extra groei gebruiken om mooie collectieve zaken te financieren. Wat er feitelijk gebeurde was dat de raison d’être van de sociaal-democratie, het kapitalisme ‘breidelen’, werd prijsgegeven.

Terug naar de roots, de actualiteit van de opdracht die Willem Banning de partij meegaf. De kapitalistische productiewijze was ongeëvenaard in het voortbrengen van rijkdom, maar die leidde ook tot niet eerder gekende ongelijkheid en had daarbij de tendens alle menselijke relaties en verbanden te definiëren in termen van winst, efficiëntie en verkoopbaarheid. Breideling van het kapitalisme heeft in onze beweging altijd twee kanten gehad: een economische en een culturele. We keren ons tegen maatschappelijke ontwrichting en ongelijkheid, de economie moet dienstbaar zijn aan de gemeenschap in plaats van andersom. Zo zou de kwaliteit van arbeid voorrang moeten hebben boven het maken van winst. Het keren van de trend naar steeds meer flexwerk en het teruggeven van waardigheid aan laaggeschoolde arbeid waren niet voor niets kernpunten op de Van Waarde-agenda. 

De culturele kant van het breidelingsproject is in onze rijen misschien nog meer op de achtergrond geraakt. Verzet tegen het almaar verder doordringen van de logica van het kapitalisme, van wat we tegenwoordig ‘marktdenken’ noemen, buiten de sfeer van de eigenlijke economie. In de zorg, in het onderwijs, in de ruimtelijke ordening. In de manier waarop mensen zich ook buiten de arbeidssfeer tot elkaar verhouden. In wervende teksten omarmen we het verheffingsideaal. Maar de infrastructuur van verheffing (openbare bibliotheken, volkshogescholen, buurthuizen) hebben we helpen afbreken. Lees Tegen de stroom in van Wim Meijer.

Ik stond als Amerika-correspondent met mijn collega’s op het gazon van het Witte Huis toen Bill Clinton er Wim Kok ontving. ‘You were the first, Wim.’ Kok zal er wat beduusd onder zijn geweest, zijn promotie tot bouwer van de Derde Weg. Hij was geen ideoloog, meer een doener in de politiek: ‘werk-werk-werk’, het precieze antwoord op de op emancipatiegolven uitdijende vraag naar betaalde arbeid. Dat wel.

Wat nog te zeggen over Rutte II? Op het ‘rechtse rotbeleid’ van Rutte I volgde, met de PvdA aan het roer, een hard procyclisch bezuinigingsbeleid. Zoek de verschillen, schreef Wout Cornelissen in S&D. Wat in elk geval niet volgde was een inspanning om de verantwoordelijkheid voor dat beleid te passen in het verhaal van onze partij. De rit uitzitten werd een zelfstandig doel, disciplinering van de fractie – en op zeker moment: negeren van het partijcongres – het middel. Rottenbergs kwalificatie was niet vriendelijk, maar wel ter zake: de politiek leider van de PvdA gedroeg zich als bedrijfsleider van het kabinet. 

Lezend in de bundel van Boom bleef ik haken achter Samsoms opmerking dat dat van dat ‘rechtse rotbeleid’ een ‘slip of the tongue’ was geweest. Had hij niet moeten zeggen. Hier was een onverantwoord beeld opgeroepen van melk en honing onder PvdA-bestuur. En melk en honing was er niet te vergeven.

Partijen worden niet afgerekend op hun prestaties maar op de verwachtingen die ze daarover hebben gewekt, daar heeft Samsom een punt. Tegelijk verdoezelt zo’n spijtbetuiging over een campagne-uitspraak iets. Verantwoordelijkheid nemen voor het landsbestuur gaat van au. Dat is niks nieuws voor een op meebesturen gerichte partij als de onze. Maar pijnlijke keuzes uitleggen in termen van wat ons drijft, ze op een overtuigende manier verbinden met ons politieke verhaal, dat is niet gelukt. Dat is faliekant mislukt. Daar was geen aandacht voor.

De sociaal-democratie is overbodig als ze haar vermogen verliest voorbij het bestaande maatschappelijk bestel te denken. Of dat niet meer wil. Als ze zich er tevreden mee stelt binnen dat bestel te besturen, wat te schaven en te spijkeren. Met de gouden speld op het revers van mijn jasje probeer ik te bedenken waarom ik me eigenlijk sociaal-democraat noem. Wat zou mijn ‘elevator pitch’ zijn als ze me daarnaar vroegen? Ik geloof dat ik zou zeggen dat het me te doen is om een beschavende kracht in de samenleving. Waarop natuurlijk vele monden zouden opengaan. Hoezo? Hoe dan?

Met René Cuperus schreef ik voor S&D een pleidooi voor een ‘postliberale’ agenda. Minder markt en meer samenleving, het maatschappelijk middenveld nieuw leven inblazen, een niet-liberale invulling van de participatiesamenleving, in plaats van een breder ‘ik’ een breder ‘wij’ (ja, we waren de koning voor), eerherstel voor gelijkheid en mededogen als maatschappelijke waarden, tegen de afrekencultuur die professionals hun toewijding ontneemt, meer democratie wagen.

Wat we de afgelopen kwart eeuw hebben meegemaakt is dat je niet tegelijk de economische machinerie van een samenleving in de vrijloop kan zetten en haar sociale en normatieve architectuur bewaren. De burgerlijke samenleving moet het hebben van vertrouwen en verbondenheid, en dat zijn andere kwaliteiten dan die van de markt. Daar hoor je te concurreren en te calculeren. De basishouding die erbij hoort is wantrouwen.

We zijn gelukkig niet de enigen met zulke gedachten. We zijn geen monopolist als het gaat om het streven naar sociale cohesie, solidariteit, goede kansen voor iedereen op een waardig leven, een helpende hand voor pechvogels, een sterke rechtsstaat en een open, seculiere samenleving waarin mensen hun levensbeschouwing kunnen beleven en uitdragen, maar er net zo goed vrijheid van religiekritiek is. Samenwerking op links is urgenter dan ooit. 

Onze idealen kregen vorm in een industriële wereld en in de context van de natiestaat. Ze moeten hertaald worden voor een postindustriële, ‘geglobaliseerde’ wereld. Wat een klus! Maar we staan er dus niet alleen voor. Ook GroenLinks en SP komen in opstand tegen de Haagse voorstelling dat burgers niets anders dan nutsmaximalisators zijn. Ook die willen verhinderen dat de samenleving steeds verder verdeeld raakt, tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ Nederlanders, hoog- en laagopgeleiden, zelfverklaarde wereldburgers en kleinburgers. De boel bij elkaar houden is al iets uit de oude doos, het gaat er nu om de boel bij elkaar te bréngen. Links heeft de behoefte aan sociale bescherming laten kapen door rechts-populisten. We hadden Fortuyn en Wilders al, nu weer een geparfumeerde versie van Nederland Houzee.

We hebben onszelf als partij veel te verwijten. Vooral dat we het antwoord op de hang naar culturele afsluiting schuldig zijn gebleven. Behoudzucht kan niet het antwoord zijn, net zomin als de ‘progressiviteit’ van een weerbare en wendbare new generation. En dan heb je het zomaar weer over de middelaarsrol van de sociaal-democratie. Openheid naar de wereld verbinden met gehechtheid aan het erfgoed, de verdelende vraag ‘waar kom jij vandaan?’ vervangen door de verbindende vraag ‘waar gaan wij naar toe?’, daar zijn we toch voor in de wieg gelegd? Dat moet onze opgave in een links samenwerkingsverband en het fragmenterende Nederland zijn. En waarom zou zoiets tot mislukken gedoemd zijn?

Een partij die een vernield land op de been heeft gebracht moet het klaar kunnen spelen zichzelf uit het slop te halen en weer een betrouwbaar kompas te bieden. Ik draag die speld gewoon.

Auteur(s)

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2018)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [hoofdredactie], Wiljan Linders [eindredactie] en Reinier Tromp

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl