Een brede volkspartij willen zijn én daadkrachtig de grote problemen van deze tijd trotseren, gaat niet samen. Beter dan te pogen alle sociale klassen aan zich te binden doen PvdA en GroenLinks er goed aan vraagstukken als klimaatverandering, immigratie en integratie naar hun hand te zetten door ook op die onderwerpen scherp stelling te nemen.

Politicoloog Philip van Praag schreef in S&D van augustus 2017: ‘Een partij die de ambitie heeft volkspartij te willen zijn en blijven kan niet overleven met een scherp profiel op de sociaal-culturele dimensie. Ook zonder scherp profiel op deze dimensie kan een partij duidelijk afstand nemen van intolerantie en racisme en zich kritisch opstellen over bijvoorbeeld de Europese integratie.’1 Waarbij hij hintte op mogelijkheden voor de PvdA om zich electoraal te herstellen.

Ik zou het willen omdraaien, waarbij ik me niet beperk tot de PvdA, maar de linkse partijen GroenLinks, PvdA en SP voor ogen heb en grote vraagtekens plaats bij de ambitie een volkspartij te willen zijn. Ik zou zeggen: een partij die een rol wil spelen bij het aangaan van de grote vraagstukken van deze tijd kan niet overleven zonder een scherp profiel op de sociaaleconomische én de sociaal-culturele dimensie. Beide dimensies zijn te belangrijk om er geen duidelijke en consistente positie op in te nemen.

Mijn pleidooi luidt in het kort: de grote vraagstukken van deze tijd zijn volgens de kiezers: klimaatverandering, immigratie, vluchtelingenproblematiek, nationale en internationale veiligheid, de manier waarop verschillende bevolkingsgroepen samenleven (sociaal-culturele onderwerpen); werkgelegenheid, bestaanszekerheid en gezondheidszorg (sociaaleconomische onderwerpen). Internationale (veelal sociaal-culturele) onderwerpen zijn de afgelopen tien jaar belangrijker geworden.

In vergelijking met tien jaar geleden zijn de prioriteiten van kiezers veranderd, maar hun opvattingen niet wezenlijk. Het lukt de huidige middelgrote linkse partijen – GroenLinks, PvdA en SP – maar niet de aanpak van deze grote vraagstukken naar hun hand te zetten. Om dit wel te realiseren zouden linkse partijen samen moeten gaan in een nieuwe partij. Deze nieuwe partij zal zich op zowel de sociaaleconomische als de sociaal-culturele dimensie herkenbaar moeten profileren. Ten slotte kom ik tot de aanbeveling dat een fusie van PvdA en GroenLinks deze partijen electoraal de beste uitgangspositie biedt. De SP en SP-kiezers staan te ver af van het PvdA- en GroenLinks-electoraat.

De grote vraagstukken van deze tijd

Tien jaar geleden begon de economische crisis zowel tot de politiek als tot de kiezers door te dringen. Gezondheidszorg, sociale zekerheid, armoedebestrijding en de economie waren de belangrijkste issues voor kiezers. Gevolgd door de bestrijding van criminaliteit en terrorisme.2 In maart 2019 horen sociaaleconomische issues als zorg, sociale zekerheid en economie nog steeds bij de belangrijkste kiezersonderwerpen, maar zijn ze iets minder prangend dan tien jaar geleden.3

Op dit moment is duurzaamheid een van de belangrijkste onderwerpen. In 2009 was het milieu – zoals het toen nog genoemd werd – voor zo’n twintig procent een reden om voor een partij te kiezen en bungelde daarmee onderaan het prioriteitenlijstje. In maart 2019 is dat het dubbele en staat het voor de meeste kiezersgroepen in de top 3.

Sociaal-culturele onderwerpen als immigratie, integratie, veiligheid en de dreiging van terrorisme zijn belangrijker geworden – al fluctueert dit sterk en is de impact afhankelijk van gebeurtenissen als vluchtelingenstromen, aanslagen of uitspraken en publicaties. Ook de Europese Unie als thema heeft aan gewicht gewonnen.

De Provinciale Statenverkiezingen van maart 2019 gingen vooral over duurzaamheid en verder over regionale bereikbaarheid en economie, al werden ze – oneerbiedig gezegd – verstoord door de aanslag in Utrecht, twee dagen voor verkiezingsdag, waardoor het onderwerp immigratie, integratie en veiligheid alsnog een rol ging spelen in de campagne. Voor GroenLinks-kiezers waren milieu, duurzaamheid en klimaat verreweg het belangrijkste thema, gevolgd door bereikbaarheid. Voor PvdA- en SP-kiezers lag het net andersom.

De Europese verkiezingen gingen voor maar liefst 51% van de kiezers over de Europese Unie zelf. Op 23 maart stemden de kiezers vooral voor en een beetje tegen de EU. Ze beloonden de pro-Europapartijen: PvdA, GroenLinks en VVD. De eurosceptische partijen haalden samen 18% van de stemmen, waarbij de 7% voor PVV en SP – vooralsnog – onvoldoende was voor een zetel in het Europees Parlement.4 Verder gingen de Europese verkiezingen voor de kiezers vooral over immigratie/vluchtelingen en klimaatverandering/natuur (beide 41%).

Voor GroenLinks-kiezers was klimaatverandering opnieuw verreweg het belangrijkst, gevolgd door de EU zelf, immigratie en inkomensongelijkheid. Ook PvdA-kiezers wilden met hun stem vooral Europa een hart onder de riem steken, met Frans Timmermans als katalysator. Inkomensongelijkheid en klimaat waren de andere issues voor PvdA’ers.

Voor SP-kiezers was inkomensongelijkheid/armoede verreweg het belangrijkst, gevolgd door de arbeidsmarkt, op een afstandje gevolgd door klimaatverandering. De EU zelf was veel minder belangrijk voor de (overgebleven) SP-stemmers.

Immigratie, vluchtelingen, de dreiging van terrorisme of veiligheid – sociaal-culturele onderwerpen bij uitstek die vaak het politieke debat beheersen – werden door PvdA-, GroenLinks- en SP-kiezers in het voorjaar van 2019 veel minder dan gemiddeld naar voren gebracht als onderwerpen die speelden bij het bepalen van een stem (voor de Provinciale Statenverkiezingen, de Europese verkiezingen en virtueel: Tweede Kamerverkiezingen). Dat wil niet zeggen dat ze geen rol spelen, dat doen ze op een defensieve manier: als linkse partijen beleid steunen of maken dat als niet humaan of onrechtvaardig wordt ervaren, kan dit een ‘dissatisfier’ worden. Om het Cruijffiaans uit te drukken: je kan er de strijd niet mee winnen, maar wel mee verliezen.  

Voor GroenLinks-, PvdA- en SP-kiezers zijn in feite dezelfde vijf thema’s redenen om op deze partijen te stemmen – inkomensverdeling, zorg, klimaat, werkgelegenheid, onderwijs – maar in een verschillende rangorde (zie tabel 1). Op het eerste gezicht lijken deze prioriteiten de stelling van Van Praag te ondersteunen: het zijn allemaal sociaaleconomische thema’s. Bedenk wel dat dit de antwoorden zijn die kiezers geven op de vraag ‘Welke onderwerpen spelen een belangrijke rol bij uw keuze voor deze partij?’ tijdens een campagne voorafgaand aan verkiezingen.5 Campagnes die hun eigen dynamiek hebben en vaak minder aandacht hebben voor grotere, internationale vraagstukken. Bovendien spelen, zoals gezegd, sociaal-culturele onderwerpen vaak een defensieve rol bij stemgedrag. Linkse kiezers zijn vóór sociaaleconomische rechtvaardigheid (hier is een offensieve strategie gevraagd), maar – meer latent – tégen inhumaan beleid op het gebied van immigratie, integratie of discriminatie (defensief). 

Kiezers zijn relatief consistent

Tot zover het belang dat kiezers aan verkiezingsthema’s hechten. De vervolgvraag is natuurlijk: welke posities nemen kiezers in bij deze kwesties? Kiezers blijken vrij consistent te zijn in hun opvattingen. Ze zijn op sociaaleconomische onderwerpen overwegend links georiënteerd en op sociaal-culturele issues overwegend conservatief ingesteld. Maar ze anticiperen in hun posities wel op beleid of beleidsvoornemens. Om dit te illustreren behandel ik een aantal issues waarvan ik de opvattingen begin 20106 en eind 20167 heb onderzocht. Aangevuld met actueler onderzoek.

tabel 1

Eind 2016 zagen we dat kiezers over een aantal politieke kwesties anders oordeelden dan in 2010, vlak voordat Mark Rutte zijn eerste kabinet8 formeerde. Veel kiezers bleken eind 2016 niet tevreden over een aantal grote operaties die door de kabinetten-Rutte I en II waren doorgevoerd. Een meerderheid wilde de verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar en de bezuinigingen in thuis-, ouderen- en jeugdzorg het liefst terugdraaien. Twee derde wilde af van het eigen risico in de zorg. De weerstand tegen marktwerking in zorg en onderwijs was toegenomen. Men wilde eind 2016 niet nog meer asfalt om files tegen te gaan, maar wel meer investeringen in duurzame energie. Eind 2016 waren kiezers nog steeds voorstander van nivelleringsmaatregelen, maar in minder sterke mate dan in 2010.

Met betrekking tot het samenleven tussen autochtone inwoners en Nederlanders met een migratieachtergrond laten kiezers een tweeledig beeld zien. Een beeld van tolerantie, maar wel volgens de Nederlandse mores. In principe hebben moslims volgens de Nederlandse kiezers dezelfde rechten en plichten als christenen; wel vindt driekwart (73%) dat moslims en andere etnische minderheden zich ’volledig moeten aanpassen aan de Nederlandse manier van leven’. Zes op de tien Nederlanders (59%) wilden eind 2016 liever geen arbeidsmigranten uit Oost-Europa toelaten.

Belangrijk voor deze bijdrage is hoe kiezers van GroenLinks, PvdA en SP denken over deze kwesties en op welke manier ze hierin van elkaar verschillen. Op de sociaaleconomische dimensie zien we dat SP-kiezers het meest ‘hard links’ denken, soms met GroenLinks-kiezers als nummer twee, dan weer met de PvdA-kiezers direct achter zich.9

Met betrekking tot verdelingsvraagstukken of nivelleringsmaatregelen zijn de verschillen tussen de drie kiezersgroepen niet groot. SP-kiezers willen de meest forse nivellering van inkomens, de AOW-leeftijd terug op 65 jaar (waar GroenLinks-kiezers niet voor zijn), het eigen risico en marktwerking in de zorg afschaffen.10

In de zomer van 2018 voerde I&O Research voor GroenLinks een onderzoek uit naar wenselijke inkomensverschillen. Driekwart (73%) van de Nederlanders bleek een zeer gelijkmatige verdeling van inkomens voor te staan, het meest wilden kiezers van SP (86%), GroenLinks (86%) en PvdA (82%) dit - overigens direct gevolgd door kiezers van Forum voor Democratie (80%).

Qua sociaaleconomische opvattingen zit het dus dicht bij elkaar, maar er is een belangrijk verschil. SP-kiezers hebben beduidend vaker dan GroenLinks- en PvdA-kiezers een benedenmodaal inkomen. Voor hen zijn deze kwesties dan ook niet louter een kwestie van solidariteit, maar van bittere noodzaak: ze voelen het in de eigen portemonnee. Het klimaatdebat illustreert dit goed. Begin 2016 vond 64% van de kiezers dat het kabinet-Rutte meer moest doen om de opwarming van de aarde tegen te gaan; slechts 6% vond dat het kabinet juist minder moest doen. Begin dit jaar (februari 2019), nadat het concept-klimaatakkoord was gepresenteerd en voor pittige politiek debatten zorgde, vond nog 48% dat het kabinet meer moest doen. Het aandeel dat vond dat het wel een tandje minder kan, was opgelopen naar 19%.

Dat betekent niet per se dat men de klimaatverandering wel best vindt, maar eerder – zoals de Volkskrant kopte bij ons duurzaamheidsonderzoek van begin maart 2019: ‘Zodra hij moet betalen vindt de Nederlander klimaatverandering toch wat minder erg.’ Het klimaatdebat is een verdelingsvraagstuk geworden.

Alle drie kiezersgroepen (GroenLinks, PvdA en SP) maakten zich maart 2019 meer dan gemiddeld zorgen over klimaatverandering en de effecten daarvan voor het milieu11, maar de SP-kiezer scoort twee keer hoger (57%) op de stelling ‘Ik kan het me financieel niet veroorloven om duurzamer te leven’ dan GroenLinks- (28%) en PvdA-kiezers (32%)

Kortom, naarmate plannen concretere vormen aannemen, worden SP’ers huiveriger om voor klimaatmaatregelen te zijn dan GroenLinksers en PvdA’ers.

Zo zagen we in maart 2019 ook – nadat het Planbureau voor de Leefomgeving het klimaatakkoord had doorgerekend – dat 51% van de GroenLinks-kiezers en 44% van de PvdA-kiezers positief oordeelde over het klimaatakkoord, terwijl dat onder SP-kiezers slechts 18% was.12

Op de sociaal-culturele dimensie zijn de verschillen groter en wezenlijker. Zowel kiezers van GroenLinks, PvdA als SP vonden eind 2016 in meerderheid dat ‘moslims zich volledig moeten aanpassen aan de Nederlandse manier van leven’: GroenLinks: 54%, PvdA: 59%, SP: 74%.13

De verschillen tussen de kiezersgroepen waren groter bij de stelling: ‘Het aantal arbeidsmigranten uit Oost-Europa moet worden beperkt om de banen van Nederlandse werknemers te beschermen.’ Van de SP-kiezers was 62% het hiermee eens, tegen 38% bij PvdA-kiezers en 28% bij GroenLinks.14 Beide stellingen lieten hetzelfde patroon zien: GroenLinks-kiezers zijn het meest progressief, SP-kiezers het meest conservatief. PvdA-kiezers staan dichter bij de GroenLinks- dan bij de SP-kiezers.

Ook in actuele kwesties rondom traditie en nationale identiteit staan SP-kiezers veraf van GroenLinks- en PvdA-kiezers. In november 2018 bleek 50% van de Nederlanders te willen vasthouden aan de zwarte kleur van Zwarte Piet. Onder GroenLinks- en PvdA-kiezers was dat respectievelijk 15% en 30%, onder SP-kiezers 46%.

tabel 2

Het buitenland is binnenland geworden

Tien jaar geleden leek Nederland zich meer achter de dijken te verschansen: de opstelling van Nederland in de Europese Unie werd assertiever, Nederland trok zich terug uit de vredesmissie in Uruzgan en er werd fors bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking en defensie.

Dit was redelijk conform de kiezerswensen: in 2010 vond slechts 41% van de kiezers dat Nederland militair moest blijven deelnemen aan internationale vredesmissies en vond 57% het goed dat er op ontwikkelingssamenwerking werd bezuinigd. Zes jaar later waren deze percentages omgedraaid: 56% vond dat Nederland militair internationaal actief moest blijven (of worden); 43% vond dat er op ontwikkelingssamenwerking mocht worden bezuinigd.

In 2010 vond 64% dat de Nederlandse financiële bijdrage aan de Europese Unie omlaag moest, eind 2016 was dat 60%. Van de PvdA- en GroenLinks-kiezers was in 2016 een derde het hiermee eens15, van de SP-kiezers 92%. In 2010 was dat 42%, 46% en 73%. De verhoudingen zijn dus in zoverre verschoven dat de eurokritische kiezers vaker lijken te zijn overgestapt naar de SP. En omgekeerd.

Zoals gezegd, bij de Europese verkiezingen van mei was de EU zelf voor de (overgebleven) SP-stemmers een veel minder belangrijk onderwerp dan voor GroenLinks- en PvdA- kiezers én dan de SP-leiding inschatte. De SP-stemmers konden het Hans Brusselmans-filmpje maar matig waarderen.16 SP-kiezers zijn weliswaar veel minder tevreden over de Europese Unie dan GroenLinks- en PvdA-kiezers, maar bij een referendum zouden zeven op de tien (69%) stemmen voor ‘in de EU blijven’: ongeveer gemiddeld. Onder GL- en PvdA-kiezers is dat ruim negentig procent.17

Nederlandse kiezers leken eind 2016 het buitenland dus herontdekt te hebben. Ik hoorde Clingendael-directeur Monika Sie onlangs zeggen: ‘Het buitenland is binnenland geworden.’ In NRC zei ze een jaar geleden: ‘Je kunt verkiezingen winnen of verliezen op “Europa”. Vroeger was het “buitenland” de laatste paragraaf in verkiezingsprogramma’s, stukken in kranten waren door deskundigen voor deskundigen. Nu is het voorpagina.’18

Dat zou de brede-volkspartij-denkers aan het denken moeten zetten. De culturele dimensie gaat in feite over de tegenstelling nationaal-internationaal en deze tegenstelling grijpt steeds dieper in in het leven van mensen. Er zijn globaliseringswinnaars en -verliezers, en nog veel meer mensen die er ergens tussenin zitten. Deze mensen moeten óók overtuigd worden op deze dimensie. Ze vragen zich af: zijn die internationale ontwikkelingen nu eigenlijk in mijn voordeel of niet? Partijen die zelf een internationalistische positie kiezen (pro-EU, pro internationale vredesmissies, globale markteconomie et cetera) zijn het aan hun kiezers verplicht expliciet en consistent te laten zien waar die partij voor staat en wat dat voor hun kiezers betekent.

Het gaat economisch alweer een tijdje goed met Nederland: ons land staat in alle internationale lijstjes – of het nu gaat om welvaart, welzijn of corruptie – aan de goede kant van de ranglijst. Met uitzondering wellicht van het aandeel hernieuwbare energie, onze bijdrage aan de NAVO of aan de opvang van vluchtelingen. Toevallig wel enkele van de grote vraagstukken van deze tijd.

Je kunt het je als politieke partij die de ambitie heeft haar idealen te verwezenlijken – en dus deel wil uitmaken van de macht – niet veroorloven deze vraagstukken uit de weg te gaan. Je zult hier scherpe keuzes in moeten maken, je zult je dus ook op deze domeinen scherp moeten positioneren. Waarbij je er niet alleen voor moet zorgen dat er voor zoveel mogelijk mensen iets te winnen valt bij internationalisering – of dat het om andere redenen te verdedigen is – maar dat dit ook zichtbaar wordt.

En zo ben ik terug bij mijn beginpositie: een partij die een rol wil spelen bij het aangaan van de grote vraagstukken van deze tijd kan niet overleven zonder een scherp profiel op de sociaal-culturele dimensie.

Alleen of samen?

Noch GroenLinks, noch PvdA kan dit alleen. Bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1998 haalden de drie linkse partijen samen nog 40% van de stemmen. Het was de laatste keer – tot 23 maart jongstleden – dat een linkse partij (de PvdA) de grootste partij van Nederland werd. In 2017 haalden ze samen nog geen kwart van de stemmen (24%). In de peilingen staan de drie partijen samen momenteel op zo’n 27%.

Bij de Europese Parlementsverkiezingen van 23 maart haalden PvdA, GroenLinks en SP samen 33,2%. Hierover werd door leiders van PvdA en GroenLinks nogal opgetogen gedaan, maar het is ongeveer gelijk aan het gemiddelde van de afgelopen 25 jaar bij de Tweede Kamerverkiezingen (33,6%).

PvdA, GroenLinks en SP: ze trekken zogenaamd samen op, maar vallen regelmatig terug in vijandelijk gedrag. Zie het Brusselmansfilmpje. En minstens één van de drie is de afgelopen twintig jaar wel bezig zich opnieuw uit te vinden. De PvdA likte de wonden na maart 2017 en lijkt zich nu wat te herpakken. GroenLinks was de afgelopen jaren de grootste op links, maar de echte doorbraak wil maar niet doorzetten. En de SP zit nu in een identiteitscrisisje. Het zijn in feite – als je naar het grotere plaatje kijkt – slechts schermutselingen in de marge.

figuur 1

In 2011 schreef ik in mijn vorige bijdrage aan S&D: ‘De electoraal-strategische manoeuvres die CDA, PvdA en VVD sinds 2002 laten zien, zijn weinig meer dan laatste stuiptrekkingen van partijen die de binding met hun oorspronkelijke achterban definitief aan het verliezen zijn. Politici van de oude volkspartijen gaan met een verhaal de boer op dat eigenlijk niet hun eigen verhaal is. Ze denken nog steeds al hun vleugels bij elkaar te kunnen houden en twee tegenstrijdige verhalen tegelijk te kunnen vertellen.’

Jesse Klaver zei onlangs op het jubileumcongres van GroenLinks: ‘We zijn opgericht als een avant-gardepartij, nu is het onze opdracht om een brede volkspartij te zijn. Een volgende regering zonder GroenLinks is haast ondenkbaar.’19 Het klinkt goed en ambitieus, maar is niet realistisch. Het klinkt alsof hij de fouten van de PvdA van de laatste decennia over wil doen. In dezelfde speech zei hij: ‘Ik wil dat GroenLinks de grootste wordt. Maar wat ik vooral wil is het rechtse blok breken met een sterk links-progressief blok. Dat moet het hart worden van het nieuwe kabinet.’ Dat klinkt al beter, maar ik denk niet dat GroenLinks dat alleen kan.

PvdA-leiders hebben we vaak horen zeggen dat ze kiezers die ooit wegliepen naar LPF en PVV terug wilden halen. Maar het appèl dat het ‘eigenlijk onze kiezers zijn’ is paternalistisch: deze kiezers zullen hun neus ervoor ophalen. Een kansloze strategie. Acht jaar geleden bepleitte ik in S&D een hergroepering van partijen volgens de lijnen van de sociaaleconomische en de sociaal-culturele dimensie. In 2006 deden Femke Halsema, Wouter Bos en Jan Marijnissen een halfslachtige poging en ook daarna zagen we meer en minder gelukte gezamenlijke optredens. Maar het is zoals Diederik Samsom het in 2016 formuleerde: ‘Net als samenwerking heel dichtbij is, gebeurt er iets waardoor het toch weer niet doorgaat. Bijvoorbeeld een verkiezingsuitslag.’ Zo zal het nu ook wel weer gaan.

Terwijl er heel goede redenen zijn om die samenwerking – of beter: fusie – nu gestalte te geven. In de eerste plaats zijn de partijen het aan hun idealen en doelstellingen verplicht. Van partijen die rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid, internationale solidariteit en duurzaamheid nastreven, zou je mogen verwachten dat ze het beleid niet willen overlaten aan partijen die daar heel anders in staan. Sinds 2002 is het electorale strijdtoneel opgeschoven van een strijd tussen links en rechts naar een strijd tussen centrum-rechts en populistisch rechts. De linkse partijen spelen een bijrol, eigenlijk vooral omdat ze verdeeld zijn en met elkaar strijden om dezelfde kiezers: het zijn communicerende vaten, de linkse koek wordt niet groter.

In de tweede plaats: een fusie kan electoraal lucratief zijn. Uit een experiment dat ik deed bij I&O Research blijkt dat een fusie tussen GroenLinks en de PvdA deze fusiepartij meer stemmen zou kunnen opleveren dan de partijen apart kunnen halen.20

Tachtig tot negentig procent van de GroenLinks- en PvdA-kiezers zou op een fusiepartij van GroenLinks en PvdA willen stemmen, maar ook een kwart van de huidige D66- en SP-stemmers zou overstappen.

Waar GroenLinks en PvdA in de peilingen nu tussen 25 en 30 zetels halen, zouden ze er als gefuseerde partij tussen 35 en 40 kunnen halen. Met de SP erbij zou de grotere fusiepartij (van GroenLinks, PvdA en SP) er minder halen dan een fusiepartij van GroenLinks en PvdA: veel GroenLinks- en D66-kiezers haken dan af.

Een Nieuwe Linkse Partij van GroenLinks en PvdA zou dus in één klap de grootste partij van Nederland kunnen worden of toch op z’n minst meedoen om die strijd, en daarmee het initiatief naar zich toe kunnen trekken, bijvoorbeeld bij de formatie. Zij zou niet moeten proberen een brede volkspartij te zijn (een die zowel lage als hoge sociale klassen aan zich bindt). De vraag die een politieke partij zich volgens mij moet stelen is: wat zijn mijn doelen en hoe wil ik die verwezenlijken? Als de eerste vraag is: hoe kan ik alle sociale klassen aan mij binden? zal waarschijnlijk geen van die klassen zich er echt in herkennen en kiest men voor een partij die zich wél duidelijk profileert.

Een Nieuwe Linkse Partij zou zich mijns inziens moeten opstellen als een ambitieuze, links-progressieve voortrekkerspartij met gevoel voor realisme en verantwoordelijkheid. Geen tegenpartij, maar een constructieve sociaal-progressieve partij waarbij het tegengaan van klimaatverandering een van de speerpunten is.21

Een fusiepartij van GroenLinks en PvdA zal hoger opgeleiden meer aanspreken dan lager opgeleiden, maar dat hoeft niet te gelden voor het inkomensniveau: bij zowel de Provinciale Statenverkiezingen als de verkiezingen voor het Europees Parlement dit jaar leek de inkomensverdeling voor zowel PvdA- als GroenLinks-kiezers sterk op die van gemiddeld Nederland (waarbij GroenLinks weliswaar meer hoger opgeleiden trekt, maar ook meer kiezers met een benedenmodaal inkomen dan de PvdA).

Een ander voordeel zou kunnen zijn dat de partij voor jong en oud aantrekkelijk wordt; nu trekt GroenLinks veel jonge kiezers, terwijl oudere kiezers bij de PvdA sterk oververtegenwoordigd zijn. Een derde reden om te kiezen voor een grotere, sterke, links-progressieve Nieuwe Linkse Partij is een defensieve: de mogelijkheid bestaat nog steeds dat een nieuwe populistische partij in het links-conservatieve gat duikt: het kwadrant van het electoraat waar zich in feite de meeste kiezers bevinden. Zoals de Vijfsterrenbeweging dat in Italië deed: een anti-elitepartij, die even makkelijk tegen corruptie strijdt, een basisinkomen wil, opkomt voor het klimaat als anti-immigratie is.

Een Nieuwe Linkse Partij biedt de mogelijkheid hier serieus tegenwicht aan te bieden en zich meer op de hoofdlijnen in de politiek te richten. Mocht er in Nederland een Beppe Grillo opstaan – het is eigenlijk een raadsel waarom dat nog niet is gebeurd – dan zou hij ten minste een robuust en verenigd links progressief blok tegenover zich vinden in plaats van een verdeelde en versplinterde verzameling partijtjes. Men hoeft niet langer energie te verspillen aan de strijd met de geestverwante concurrent, maar kan direct oversteken en de echte tegenstanders te lijf gaan. Het biedt links een reële kans de grotere, existentiële problemen van deze tijd het hoofd te bieden.

figuur 2

  • 1. Philip van Praag, ‘Dit zijn de kernthema’s’, S&D 2017/3, p. 13.
  • 2. Gezondheidszorg, sociale zekerheid, armoedebestrijding, economie werden september 2009 door 40 tot 57% genoemd als onderwerpen die een belangrijke rol spelen bij de partijkeuze. Criminaliteit/terrorisme door 42%, integratie door 28%. Bron: TNS Nipo 2009.
  • 3. Bron: I&O Research 2019.
  • 4. Als de Britten definitief (en op tijd) uit de EU zijn gestapt, krijgt Nederland er drie EP-zetels bij. Eén zetel valt waarschijnlijk toe aan de PVV.
  • 5. In dit geval een gemiddelde van stemmotieven bij Tweede Kamerverkiezingen 2017, GR2018, PS 2019 en EP 2019.
  • 6. Voor mijn boek, Gedoogdemocratie (2011). Ik was toen nog werkzaam bij TNS NIPO.
  • 7. Bij I&O Research.
  • 8. Van VVD, CDA met gedoogsteun van PVV.
  • 9. Waarbij opgemerkt dient te worden dat ten tijde van dit onderzoek de PvdA in de regering zat en degenen die toen nog op de PvdA wilden stemmen kennelijk relatief positief stonden tegenover het kabinet Rutte II (VVD en PvdA).
  • 10. PVV-kiezers denken sociaaleconomisch vaak nog linkser dan PvdA- en GroenLinks-kiezers; bijvoorbeeld met betrekking tot de bezuinigingen in de zorg of de AOW-leeftijd.
  • 11. GroenLinks-kiezer: 92%, PvdA-kiezer: 81%, SP-kiezer 72%.
  • 12. Net iets meer dan onder PVV- (11%) en FvD-kiezers (8%).
  • 13. PVV-kiezers: 93%.
  • 14. PVV-kiezers: 92%.
  • 15. PvdA 34%, GroenLinks 35%.
  • 16. Het filmpje viel wel zeer in de smaak bij PVV- en FvD-stemmers.
  • 17. 91% en 94%.
  • 18. 19 april 2018.
  • 19. Bron: NRC 19 mei 2019 www.nrc.nl/nieuws/2019/05/19/klaver-hekelt-geflirt-met-extreem-rechts-van-baudet-a3960766
  • 20. Mei 2019. Zie https://ioresearch.nl/Home/Nieuws/fusie-tussen-groenlinks-en-pvda-kan-sterke-brede-partij-opleveren#.XPe7gCIzaUk.
  • 21. In twee citaten uitgedrukt (antwoord op de vraag ‘Wat zou deze Nieuwe Linkse Partij moeten doen om uw stem te winnen?’): - ‘Constructief zijn (geen tegenpartij), sociaal, progressief en medemenselijkheid met betrekking tot vluchtelingen tonen. Compassie hebben met de zwakkeren in de samenleving.’ (GroenLinks-stemmer) - ‘Zorgen voor constructief links beleid met de bereidheid om te willen regeren, maar niet tegen elke prijs zijn kernwaarden inleveren.’ (PvdA-stemmer)

Auteur(s)

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2018)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [eindredactie] en Reinier Tromp

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl