Lodewijk Asscher, Jesse Klaver en Emile Roemer hadden er al aanstonds schik in: oppositie voeren in het debat over de regeringsverklaring van het derde kabinet-Rutte. Nu werd het de drie vertegenwoordigers van Links ook erg gemakkelijk gemaakt. Er kon aanstonds met scherp worden geschoten op een paar wonderlijke belastingvoorstellen van de nieuwe coalitie: de voorgenomen verhoging van het lage tarief in de btw van 6 naar 9 % en de afschaffing van de dividendbelasting, die nu nog 15 % bedraagt van het rendement op aandelen.

De verhoging van de btw1 bevordert immers per definitie de sociale ongelijkheid in de belastingheffing. De andere maatregel komt voornamelijk ten goede aan beleggers overal ter wereld maar niet aan de Nederlandse samenleving, al schijnen Shell en Unilever daar anders over te denken en dus ook VNO-NCW. Kenmerkend is alvast dat geen enkel verkiezingsprogramma voor deze genereuze gift had gepleit. 

Nederland kent geen investituur: een parlementair debat waarin de nieuwe regering vraagt om het vertrouwen van de volksvertegenwoordiging en dit aan het einde ervan door middel van een motie daadwerkelijk verkrijgt. Een kabinet in Nederland kan van zulk vertrouwen uitgaan, tenzij of totdat het tegendeel blijkt. Toch heeft, in overdrachtelijke zin, een debat over de regeringsverklaring ook in Nederland kenmerken van een investituur: het kabinet presenteert zich formeel aan de Tweede Kamer en in de Kamer zelf blijken allerlei bordjes verhangen, met bijbehorende retorica: nieuwe coalitiefracties en nieuwe oppositie. Ieder valt als het ware in zijn groef. Wat minstens zo belangrijk is, niet alleen worden karakter en stijl van de nieuwe coalitie zichtbaar, ook stijl, kracht en karakter van de oppositie krijgen gezicht. Slechts op één bordje is dezelfde naam blijven staan: dat van de premier. Hoe lang de formatie ook duurde en welke dwaalwegen die ook koos, de naam van het nieuwe kabinet stond op 16 maart in de vroege ochtend vast: ‘kabinet-Rutte III’.

Het belang van parlementaire oppositie
Tijdens een kabinetsformatie bestaat er begrijpelijkerwijs het meest belangstelling voor de samenstelling van de coalitie die gaat regeren. Voor het goed functioneren van de parlementaire democratie is het echter minstens zo belangrijk, dat er na ommekomst van de formatie in de beide Kamers een stevige en geordend werkende oppositie ontstaat.

Er zal in de kring van de Partij van de Arbeid veel sympathie hebben bestaan voor een coalitie waaraan GroenLinks een constructief aandeel zou hebben gehad. Uit dat oogpunt is het verdrietig dat de vrienden van GroenLinks van meeregeren hebben afgezien. Voor een goed functionerend parlement is die terugtrekking eerder positief. Want wat zou er zijn gebeurd met een parlement waarin naast CDA, VVD en D66 ook GroenLinks tot de coalitie was doorgedrongen? Dan was de oppositie totaal gefragmenteerd en voornamelijk van de politieke uitersten gekomen: PVV en Forum voor Democratie aan de ene kant, SP aan de andere kant. Daar zou allerlei belangenwerk (Partij voor de Dieren, 50+) pruttelend tussen in hebben gezeten. Bleven over: de negen zetels van de Partij van de Arbeid, irrelevant en eenzaam ergens achterin. Van enige organisatie in de oppositie had zo weinig of niets terecht kunnen komen. Een parlement dat toch al neigt naar incidentalisme zou er niet fraaier en beter door zijn gaan functioneren. Nog belangrijker, de regering had geen effectief tegenwicht gekregen.

Nu GroenLinks deel is geworden van de oppositie, is er de mogelijkheid door samenwerking van linkse partijen in hun optreden structuur en effectiviteit aan te brengen en daarmee de kern te zijn van de parlementaire oppositie. Dat hoeft niet onmiddellijk in hechte allianties te gebeuren, maar het helpt reuze als daar waar mogelijk gezamenlijk wordt opgetreden. Dat is al onmiddellijk gebleken bij het debat over de regeringsverklaring. Daar kan veel goeds uit voortkomen en dat mag ook wel, want links lag er op 16 maart 2017 voor dood bij. De groei van GroenLinks op 15 maart viel tegen; de SP moet zwaar teleurgesteld zijn geweest over het verlies van een zetel; de Partij van de Arbeid werd geconfronteerd met een uitslag die ervan getuigt dat kiezers twijfelen aan haar bestaansrecht.2

Alle drie partijen zullen elkaar nodig hebben, willen zij zich kunnen herstellen. Het gaat daarbij niet om fusie of federatie. Dat vergt vooral energie, terwijl de afloop twijfelachtig is. Elk van de drie partijen heeft wel wat beters te doen en bovendien kan in een gefragmenteerd bestel ieder beter zijn eigen kleur behouden. Maar, er dient te worden samengewerkt waar mogelijk; wij lopen elkaar niet voor de voeten en gunnen elkaar succes en koesteren het eigen geluid waar dat nodig is.

Wederopbouw van onderop: beginnen in de gemeenten
De verdrietige negen zetels van 15 maart hadden een paradoxaal voordeel: dat wat door velen als een horrorscenario was beschouwd ging niet in vervulling. Dat horrorscenario bestond daarin dat de PvdA in een gefragmenteerd parlement, met bij voorbeeld twaalf zetels, ernstig in de verleiding zou zijn gebracht mee te werken aan een coalitie waarin zij dan twee tot drie ministerszetels zou hebben overgehouden. Het landsbelang moge uitstijgen boven het belang van de partij, het staat wel vast dat zij dan verder had gewerkt aan haar zelfmoord op termijn. Iedere buitenstaander had het – terecht of ten onrechte, dat is niet van belang – geïnterpreteerd als een voorkeur voor ‘het pluche’ boven strijd om de inhoud en als een negatie van de existentiële twijfel van burgers aan de relevantie van de sociaal-democratie.

Dat, terwijl de partij op het niveau van gemeenteraden en andere decentrale overheden al tot dramatische proporties was teruggezakt. De negen zetels van 15 maart hebben ten minste het voordeel gehad, dat alle illusies over meeregeren onmiddellijk en terecht door Lodewijk Asscher de grond zijn ingeboord. Er is daardoor ruimte ontstaan – die wel moet worden gebruikt – om de partij weer van de grond af aan op te bouwen. Dat kan alleen door nu alle energie eerst te richten op herstel in de gemeenteraden, daar waar de partij haar hele geschiedenis door heeft laten zien wat zij waard was en waar zij haar élan zal moeten hervinden.3

Misschien beseffen wij dan van lieverlede dat herwonnen levenskracht in de gemeentelijke democratie minstens zo belangrijk is als herstel op het Binnenhof en bovendien gepaard zal moeten gaan met herstel in het Europese Parlement. Het totale gebrek aan belangstelling voor een sterke positie daar, nu al meer dan tien jaar, laat zien dat de sociaal-democratie achter andere partijen aan tot nationale eenkennigheid is vervallen. Daar wordt haar geloofwaardigheid op het Binnenhof echter niet groter van.

Er moet, kortom, van alles worden hersteld en gerenoveerd, voordat ook in Den Haag weer geloofwaardig kan worden meegeregeerd. Eerst maar eens werken aan eigen missie en programma en dat kan voorlopig het beste in de gemeentelijke politiek, waar erg veel werk te doen valt en waar de sociaal-democratie tot voor kort de grote dominante kracht was. De sociaal-democratie heeft het zo essentiële gemeentelijke bestuur immers lelijk uit haar vingers laten glijden. Dat is des te verdrietiger, nu zij landelijk heeft meegewerkt aan een omvangrijke decentralisatie van sociale voorzieningen en arbeidsmarktbeleid.

Paradoxale zichtbaarheid van de PvdA
Terug naar de kabinetsformatie-2017. De juiste keuze van Lodewijk Asscher voor de oppositie leek er aanvankelijk toe te leiden dat de PvdA in het proces van formatie van geen enkel belang zou zijn, ongeveer zoals dat ook het geval was geweest in 2002. Wij waren er toen even niet meer en dat bleek maar goed ook, want zo konden wij de chaos van het eerste kabinet-Balkenende aan anderen overlaten.

Dit jaar liep het anders. De eerste poging, van informateur Schippers, om GroenLinks in de formatie te betrekken liep vast en meteen was er een kleine glansrol voor Asscher die aldoor beleefd vroeg wat er nu toch was misgegaan en te horen kreeg dat de betrokkenen het er niet over wilden hebben. Vervolgens kon de partij weer toekijken en zien hoe Alexander Pechtold het alternatief met de ChristenUnie met een verkapt mondeling tentamen (‘Gezakt, mijnheer Segers!’) weg blunderde.

‘Rechts met den Bijbel’, zoals het door Asscher snedig werd genoemd, kon er alleen maar komen dankzij de geduldige restauratiearbeid van een informateur uit … de Partij van de Arbeid, de oud-vicepresident van de Raad van State, Herman Tjeenk Willink. Zijn opzettelijk langzame en voorzichtige opereren bracht aan het licht dat een coalitie van VVD, CDA en D66 met GroenLinks niet mogelijk was, in die fase doordat GroenLinks de deelname aan het kabinet niet aandurfde. Vervolgens bracht hij de ‘drie van het motorblok’4 toch weer samen met Gert-Jan Segers van de CU. Wonderlijk vast te moeten stellen dat het aan een sociaal-democraat te danken is geweest dat de huidige coalitie überhaupt van de grond is gekomen.

Daar horen nog twee andere observaties bij. De onderhandelende partijen moesten opereren zonder tussenkomst van de Koning, die sedert 2012 geen begeleidende rol meer speelt tijdens de kabinetsformatie. Tijdens deze formatie werd af en toe nog naar hem terugverlangd, alsof het dan allemaal beter zou zijn verlopen. Er zijn een paar redenen om daar niet in te geloven. De parlementaire verantwoording van elke informatiepoging verliep in 2017 aanzienlijk ordelijker dan sinds haar uitvinding in 19935 ooit het geval is geweest. Zolang de koning erbij was betrokken, werd daar rijkelijk slordig mee omgesprongen.6 Bovendien bleken de partijleiders in staat en bereid om op een moeilijk moment – toen Edith Schippers de moed had moeten opgeven – ook zonder koninklijke tussenkomst afstand van zichzelf te nemen. Zij haalden er een informateur bij die in staat was met een meer gedistantieerde blik naar de coalitievorming te kijken. In 2010, met de koningin er nog bij, werd daar heel ingewikkeld over gedaan en droeg het niet direct bij aan respect voor, toen nog, vicepresident Tjeenk Willink.7 Nu werd hem wel alle ruimte gegund door de belangrijkste acteurs en bleek het ook bij te dragen aan het succes van de formatie. 

Eigenaardig was wel, dat er bij een groot deel van de onderhandelaars het verlangen bestond Tjeenk Willink ook de eigenlijke programma-
onderhandelingen toe te vertrouwen. Dat zou vreemd zijn geweest: een linkse informateur die een centrumrechtse combinatie aan een regeerakkoord moet helpen. Terecht is die taak aan iemand opgedragen die dichter bij de te vormen coalitie stond, Gerrit Zalm. Die overigens ook op ruime afstand stond van de dagelijkse politiek. Het bleek voor het succes van de formatie een goede keuze, al was het maar omdat Zalm van aanzienlijk meer dingen verstand heeft dan alleen van financiën. Ook een ingewikkelde formatie kan het goed stellen zonder koning, maar in het buitenland wisten ze dat al een tijdje.

Nog een tweede observatie. Tjeenk Willink leverde aan het einde van zijn informatie-arbeid evenals in 2010 een begeleidende notitie die
belangwekkend was door zijn grondige kritiek op het functioneren van de politiek en, in meer brede zin, de overheid. In het verslag zelf stonden trouwens al behartenswaardige opmerkingen, bijvoorbeeld over de noodzaak om, juist met een kleine parlementaire meerderheid, in het beleid te zoeken naar ruime parlementaire steun. De onderhandelaars lijken zich die raad in het algemeen te hebben aangetrokken, zoals de minister-president liet zien tijdens het debat over de regeringsverklaring. Voor de in een bijlage geleverde kritiek op de overheid gold dat, zo te zien, minder. In de parlementaire discussie over het eindrapport van Tjeenk Willink ontbrak daar elke belangstelling voor.8

Het was toch bepaald niet voor het eerst dat Tjeenk Willink de vinger op deze wonde heeft gelegd9, die burgers ook steeds meer irriteert maar die op een eigenaardige manier politiek irrelevant is verklaard. Zover na te gaan geldt dat ook voor de Partij van de Arbeid, al heeft de Wiardi Beckman Stichting (met de pen van Monika Sie) in het project ‘Van Waarde’ gepoogd aandacht daarvoor te vragen.10 Misschien iets voor een gezamenlijke oppositie van GroenLinks, SP en PvdA om werk van te maken in de komende jaren?11

De iets te zichtbare Lodewijk Asscher
Waarschijnlijk omdat de formatie erg lang begon te duren, werd de verleiding voor Lodewijk Asscher erg groot om zich met het toekomstige beleid te bemoeien, hoewel dat van een demissionaire minister niet wordt verwacht. Zo zette hij zijn collega’s in de ministerraad en de onderhandelaars voor het blok met de eis dat er ten minste € 270 miljoen extra voor onderwijzerssalarissen ter beschikking moest worden gesteld, op straffe van anders het kabinet te verlaten. Een politieke crisis in een demissionair kabinet, het was nog nooit vertoond.12 Of het, gemeten naar staatsrechtelijke conventies helemaal netjes was, is discutabel. Maar ach, maanden gedwongen stilzitten is weinig bevredigend, als je rouwt over groot verlies en met enig recht kon Asscher voorts zeggen: dan had je maar op moeten schieten.

Ongelukkiger was in de laatste fase van de formatie Asschers optreden, formeel als viceminister-president, jegens zijn collega van Defensie, Janine Hennis-Plasschaert, die lelijk in de problemen was gekomen door een rapportage over het ongeval met een mortiergranaat in Mali. Of zij het als minister überhaupt gered had, staat ter discussie. Bovendien zat Asscher in een spagaat: als vicepremier moest hij zijn collega in bescherming nemen, als oppositiewoordvoerder stond kritische bejegening centraal. Maar, de vicepremier had natuurlijk kunnen zeggen dat een beoordeling van de kwestie vanuit het kabinet aan de minister-president was  voorbehouden en dus diens terugkeer moest worden afgewacht. In plaats daarvan sprak de oppositiewoordvoerder door de mond van de vicepremier.

Het zou allemaal niet nodig zijn geweest, als er sprake was geweest van beter hanteren van de verkiezingsuitslag op het Binnenhof. Het had voor de hand gelegen als Lodewijk Asscher aanstonds na de rampzalige verkiezingsuitslag ontslag had genomen als minister en zich was gaan concentreren op het leiden van de Kamerfractie. Dan had hij zijn handen volledig vrij gehad. Zo handelde in Berlijn Andrea Nahles: toen de Bondsdagfractie haar, kort na de verkiezingen, verkoos tot fractievoorzitter nam zij dat ambt aan onder gelijktijdig ontslag als minister van Sociale Zaken. 

De overige bewindslieden hadden op hun post kunnen blijven, maar dan hadden zij er goed aan gedaan hun Kamerzetel op te geven. Dan was tevens ruimte ontstaan voor een betere inhoudelijke samenstelling van de fractie. Wat moest die immers met twee financieel deskundigen (Dijsselbloem èn Nijboer) maar ontbrekende kennis op het terrein van de zorg? Was voorts Jeroen Dijsselbloem, hoe onverdiend misschien ook, niet het icoon geworden van de bezuinigende en op financiën gefixeerde Partij van de Arbeid, die daarom zo dramatisch onderuit was gegaan?

Op weg naar een linkse alliantie? Inmiddels bevinden de Duitse politieke verhoudingen zich in dezelfde toestand als bij ons, maar met veel ernstiger consequenties. De SPD heeft zwaar verloren, meer dan haar coalitiepartner CDU-CSU die overigens ook lelijk onderuit is gegaan, vooral de CSU. De SPD koos aanvankelijk, om dezelfde redenen als de PvdA, voor de parlementaire oppositie. De vorming van een nieuwe coalitie is er uiterst complex door geworden. Aan beide flanken staan partijen waar niet veel mee is te beginnen, Linke en Alternative für Deutschland. Een nieuwe coalitie moest zich daarom beperken tot partijen die weinig vriendschap aan elkaar hebben verloren: christendemocraten, liberalen en Grünen. Die coalitie kwam er niet, net zo min als in Nederland: in de vroege ochtend van 20 november liep de FDP totaal onverwacht weg uit de onderhandelingen, Duitsland in een forse crisis achterlatend en daarmee tevens heel de Europese Unie. (In Berlijn was er immers geen Christen-Unie om de Groenen te vervangen.)  De SPD had zichzelf opgedragen eerst maar eens aan eigen herstel te werken. De vraag is of zij daar op korte termijn de kans voor krijgt. Het ziet er naar uit dat de SPD toch weer deelname aan een ‘Groko’ (Grosse Koalition) zal (moeten) aanvaarden.13

Voor de SPD is, anders dan voor de PvdA, niet per se een alliantie nodig met andere partijen van links, maar het zou geen kwaad kunnen als sociaal-democraten in Europa bij elkaar te rade zouden gaan, gezamenlijk hun dreigende teloorgang zouden analyseren en een antwoord zouden geven op de fragmentatie van links. Het gaat immers met geen van de sociaaldemocratische partijen in Europa goed.

Zit in Nederland de oplossing in een alliantie van de drie linkse partijen, te beginnen bij de gemeenteraadsverkiezingen? Vooropstaat dat in de gemeenteraden de fragmentatie – niet alleen bij links – groteske vormen heeft aangenomen. Als er maar enige vorm van samenwerking tussen partijen tot stand zou komen zou dat alleen al pure winst zijn. Dat hoeft niet met één lijst, maar liever wel met een goed georganiseerde samenwerking. Vaststaat dat de onderlinge verhoudingen tussen linkse partijen per gemeente verschillen en dat er niet één sjabloon op kan worden gelegd. In Amsterdam zou, na vier jaar bekwaam meebesturen door de SP, een alliantie van SP, GroenLinks en PvdA mogelijk moeten zijn. Daar hoort D66 waarschijnlijk niet bij.

In andere steden is de verhouding van PvdA en GroenLinks met D66 nog altijd vriendschappelijk en constructief. Daar is een alliantie met de SP waarschijnlijk te veel gevraagd. Her en der kan het ook voorkomen dat systematische samenwerking wordt gezocht met een lokale partij. Toch moet de PvdA het perspectief op groei naar meer samengaan – primair met GroenLinks en SP – niet uit het oog verliezen. In het stedelijk bestuur vormen de drie partijen uitgesproken complementaire krachten, mits zij het willen zien en mits zij in staat zijn elkaar vertrouwen te geven. Daar is ook de belangrijkste plek om te experimenteren met vormen van linkse samenwerking.

Op het Binnenhof heeft zich een kabinet gepresenteerd dat weliswaar over een meerderheid met één stem beschikt, maar dat overigens alle trekken heeft van een minderheidskabinet. De onderlinge afstand tussen de deelnemende partijen is soms erg groot. Als bovendien telkens elke parlementariër zich moet voegen in deze minimale meerderheid wordt zijn / haar bestaan al gauw ondraaglijk. Wil het kabinet stabiliteit verwerven, dan moet het voortdurend zijn meerderheid verbreden tot meer dan de beschikbare zesenzeventig zetels. Dat is ook van belang omdat er binnen twee jaar verkiezingen plaatsvinden voor de Eerste Kamer, waar de huidige meerderheid van de coalitie (eveneens met één zetel) gemakkelijk kan verdwijnen.

Dit biedt ruime kansen op beslissende invloed voor de drie linkse partijen, te meer als zij zich niet nodeloos uit elkaar laten spelen en, als gezegd, waar mogelijk samen optrekken. Voor GroenLinks en de Partij van de Arbeid zal dat niet het grootste probleem zijn, die zijn dat al gewend. Voor de SP zal het nodig zijn het ‘afwijzingsfront’ van de laatste zeven jaar te verlaten. Zichzelf hervinden zal gemakkelijker gaan in een breed verband van links; het is tegelijk voorwaarde voor een constructief verband van de drie betrokken partijen. Misschien toch eens kijken naar en praten met zusterpartijen in de Scandinavische landen, die minderheidskabinetten gewend zijn en kunnen tonen hoe zeer daar het parlement aan macht heeft gewonnen dankzij een traditie van zulke minderheidskabinetten?14

Kortom, onze negen leden van de Tweede Kamer en de acht van de Eerste Kamer doen er verstandig aan niet alleen de samenwerking te zoeken met de andere partijen van links maar ook de vrienden en zusterpartijen in het buitenland op te zoeken. 

  • 1. De fiscalisten van de Leidse rechtenfaculteit zijn al geruime tijd geleden hun afdeling voor ‘indirecte belastingen’ terecht ‘prijsverhogende belastingen’ gaan noemen. Daarbij denke men niet alleen aan de btw maar bij voorbeeld ook aan accijnzen. Dat doet meer recht aan de betekenis van dit genre lasten. Zij treffen de burger als consument immers tamelijk ‘direct’.
  • 2. J.Th.J. van den Berg, Existentiële twijfel, column Parlement en Politiek, 17 maart 2017, columns.parlement.com.
  • 3. Frans Becker, Menno Hurenkamp en Pieter Tops (red.), Lokale politiek als laboratorium. In de voetsporen van Wibaut en Drees. WBS Jaarboek 2009, Den Haag: Wiardi Beckman Stichting, 2009.
  • 4. Merkwaardig: als in 2002 / 2003 werd gesproken over het ‘motorblok’, in het bijzonder door Gerrit Zalm, dan ging het over het financieel-economisch kader van het regeerakkoord. In 2017 ging het over de combinatie van VVD, CDA en D66, soms tot lichte ontsteltenis van D66.
  • 5. In 1993 nam de Tweede Kamer een motie van de leden Jurgens (PvdA) en Mateman(CDA) aan, die de Tweede Kamer verplichtte informateurs om toelichting te vragen op hun werkwijze en resultaten. Tot een verplichting kwam het niet, wel tot onregelmatige debatten in het gezelschap van informateurs en dus meer met elkaar dan met de informateurs. C.C. van Baalen, De kabinetsformatie en de instituties: de Tweede Kamer, in: J.Th.J. van den Berg (red.), Koning, Kamers, Kabinetsformatie. Montesquieureeks nr.2, Den Haag: Montesquieu- Instituut, 2012, 27 – 27.
  • 6. J.Th.J. van den Berg, Ongeliefd en verre van onmisbaar. De Partij van de Arbeid in 2010, in: S&D, 67 (2010), nr. 10 / 11, 17-18.
  • 7. Carla van Baalen en Alexander van Kessel (red.), Kabinetsformaties 1977 – 2012, Amsterdam: Boom, 2016, 492 -498.
  • 8. Over de uitvoerbaarheid en uitvoering van nieuw beleid (regeerakkoord) of: Hoe geloofwaardig is de Overheid? Bijlage bij eindverslag informateur Tjeenk Willink, Den Haag, 2017.
  • 9. H.D. Tjeenk Willink, Niet de beperking, maar de ruimte. Beschouwingen over democratie en rechtsstaat, Den Haag: Boom Juridisch, 2012, i.h.b. 141–208.
  • 10. Monika Sie Dhian Ho, Van Waarde. Sociaal-democratie voor de 21e eeuw, Amsterdam: Van Gennep, 2013.
  • 11. Het is in elk geval bemoedigend dat de fractie van de PvdA in de Tweede Kamer Tjeenk Willink heeft uitgenodigd over zijn gedachten ter zake te komen discussiëren. De schriftelijke weergave van zijn betoog en dus veel van de genoemde bijlage is te lezen in een artikel van Tjeenk Willink in dit nummer van S&D.
  • 12. In 1994 was er wel sprake geweest van een dubbele ministerscrisis tijdens de demissionaire periode van het kabinet-Lubbers III. De ministers Hirsch Ballin en Van Thijn traden af, nadat de Tweede Kamer hen per motie-Dijkstal had opgedragen zich niet meer met de problemen van het IRT Noord-Holland te bemoeien.
  • 13. Dit artikel werd op 2 december 2017 afgesloten, voordat de uitkomst van overleg tussen CDU / CSU en SPD duidelijk was geworden.
  • 14. Torbjörn Bergman, Sweden. When Minority Cabinets are the Rule and Majority Coalitions the Exception, in: Wolfgang C. Müller and Kaare Strøm, Coalition Governments in Western Europe, Oxford University Press, 2006, 192-230.

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2018)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [hoofdredactie], Wiljan Linders [eindredactie] en Reinier Tromp

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl