Hedendaagse marktliberalen stellen graag dat ze niks met het neoliberalisme te maken hebben. En ook dat linkse mensen het woord graag gebruiken om te schelden. Dat is retoriek, laat Lars Cornelissen zien. Wie het reëel bestaande neoliberalisme zoekt, vindt het om de hoek. 

In zijn boek Never Let a Serious Crisis Go to Waste merkt Philip Mirowski op dat hedendaagse liberale intellectuelen geneigd zijn te ontkennen dat er zoiets bestaat als het neoliberalisme. Hij schrijft:

All manner of commentators, including, significantly, no small number of neoliberals, have insisted that the theory behind the label never really existed; if they happen to be preternaturally pugnacious, they tend to dismiss it as a swearword emitted by addled denizens of the left.’1

In de nasleep van de globale kredietcrisis van 2008 is er in Nederland een soortgelijke trend ontstaan. Publieke intellectuelen die zichzelf als (klassieke) liberalen bestempelen – denk onder anderen aan Frits Bolkestein,2 Patrick van Schie3 en Edwin van de Haar4 – verdedigen nu al jaren de stelling dat het neoliberalisme niet bestaat. Sterker, dat de term een uitvinding is van verongelijkte (overwegend linkse) critici zoals Jan Marijnissen, Paul Kalma en Frank Ankersmit. Deze critici zouden de term gebruiken om een bepaald soort economisch beleid te omschrijven dat in Nederland in de jaren tachtig voor het eerst werd gevoerd; beleid waarbij privatisering, deregulering en bezuiniging centraal staan.5

In de verhitte discussie over het begrip ‘neoliberalisme’ staat meer op het spel dan het etiket dat Nederlandse intellectuelen van liberale snit hanteren voor hun eigen opvattingen. In wezen draait deze discussie over de aard van de politieke filosofie die onze politieke praktijk vandaag de dag in hoge mate bepaalt. Als links Nederland het huidige politieke landschap wil begrijpen doet zij er goed aan deze discussie serieus te nemen. Laat ik beginnen met een kort overzicht van de voornaamste wapenfeiten tot dusver.

Het debat over het al dan niet bestaan van het neoliberalisme kwam tot een climax in het jaar 2014. In februari van dat jaar verscheen er in S&D een reeks stukken die reageerden op een enkele maanden eerder in hetzelfde blad verschenen betoog van Patrick van Schie dat de kritiek op het neoliberalisme wegzette als ‘het hekserijgeloof van deze tijd.’6 Voorts verhoogde Van Schie in juni van 2014 de inzet door samen met Martin van Hees en Mark van de Velde het boekje Neoliberalisme: een politieke fictie te publiceren.7 Zij concluderen dat de politieke filosofie die in de periode na de Tweede Wereldoorlog werd ontwikkeld door auteurs als Walter Eucken, Wilhelm Röpke, Friedrich Hayek en Milton Friedman met recht neoliberaal genoemd kan worden, maar ‘dat “‘het neoliberalisme” als hedendaags verschijnsel niet bestaat.’8 

Deze argumentatie stoelt op een tweedeling tussen een (reëel) historisch neoliberalisme en een (illusoir) hedendaags neoliberalisme. De kern van de aanklacht tegen critici als Marijnissen en Ankersmit is dan ook dat zij ten onrechte de term ‘neoliberalisme’ hanteren voor hedendaags marktgericht beleid – privatiseringen, dereguleringen en bezuinigingen – die geen verwantschap vertonen met de naoorlogse neoliberale doctrine. Neoliberalisme: een politieke fictie is voornamelijk een anti-anti-neoliberaal manifest. De historische argumenten rammelen, concludeerde Merijn Oudenampsen al eerder.9 Hij zag echter het meest cruciale moment uit de geschiedenis van het Nederlandse neoliberalisme over het hoofd: de oprichting van de VVD.

In dit artikel geef ik een aanzet tot een historisch gegronde kritiek op het Nederlandse neoliberalisme. Ik begin door een korte beschouwing te geven van de grondbeginselen van de neoliberale filosofie en de historisch-filosofische context waarin deze werd ontwikkeld. Daarna bespreek ik de oprichting van de VVD en toon ik aan dat de VVD van origine expliciet bedoeld was als een neoliberale partij. Ik besluit met een korte discussie van de hedendaagse Nederlandse politiek.

Ontstaansgeschiedenis van het neoliberalisme

Het neoliberalisme is in de eerste plaats een politieke filosofie die in de eerste helft van de twintigste eeuw werd ontwikkeld door een groep politiek-economen en filosofen, waaronder de reeds genoemde Hayek, Eucken, Röpke en Friedman, alsmede andere vooraanstaande denkers als Lionel Robbins, Henry Simons en Louis Rougier.10 Ondanks veelvuldige verschillen deelden zij de overtuiging dat het liberalisme opnieuw leven ingeblazen moest worden.11

Hoewel enkelen van hen al sinds de jaren dertig bezig waren, kwam het neoliberalisme als coherente politiek-filosofische stroming pas op gang na de Tweede Wereldoorlog. Van specifiek belang is het jaar 1947, toen Hayek het netwerk Mont Pèlerin Society opzette.12 Hiermee kwam het neoliberalisme als coherent politiek project, gericht op een globale neoliberale omwenteling, werkelijk op stoom.

Het voornaamste filosofische doel was het grondig herijken van de klassiek-liberale traditie die teruggaat op Adam Smith en zijn volgelingen. Dit heette nodig omdat aan het eind van de negentiende eeuw, na enkele decennia van op de liberale traditie gestoeld beleid, verscheidene westerse overheden zich grotendeels hadden teruggetrokken uit het economische domein. Algauw bleek dat, paradoxaal genoeg, de daaruit volgende ongelimiteerde marktwerking onherroepelijk leidde tot monopolie- en kartelvorming en dus tot minder groei. Onder- steund door het werk van onder anderen de sociaalliberalen John Maynard Keynes en Karl Mannheim begonnen overheden gericht en veelvuldig in te grijpen in het economische domein om inflatie onder controle te krijgen en om voor de gehele bevolking werkgelegenheid te scheppen.

In de ogen van de neoliberalen waren beide liberale filosofieën – die van Smith en die van Keynes – schuldig aan het ondermijnen van de vrijheid die ze predikten. Het klassieke liberalisme leidt, zo meenden zij, tot een onvrije markt, gedomineerd door kartels en monopolisten, terwijl het sociaalliberalisme noodzakelijkerwijs een totalitaire staat oplevert die de gehele economie onder zijn hoede neemt. In hun ogen moest er een nieuwe filosofie geformuleerd worden, één die in staat zou zijn om het marktmechanisme vrij te waren van overheidsingrijpen zonder daarbij de fouten te maken waaraan het klassieke liberalisme was bezweken. Dit vereiste volgens hen twee grondige hervormingen.

Ten eerste zien neoliberalen de markt als een voorwaardelijk fenomeen; dat wil zeggen, als een reeks processen en relaties die zich alleen voordoen als aan enkele welbepaalde voorwaarden is voldaan. Dit is dan ook de taak van de overheid: het scheppen van de voorwaarden waaronder marktwerking mogelijk is. Hierbij moet men denken aan wetgeving over privé-eigendom en aan een stabiel monetair raamwerk, maar ook aan anti-monopolie-maatregelen en aan beleid dat de invloed van vakbonden op wetgeving sterk inperkt.

Deze opvatting over de rol van de overheid is de eerste grondige hervorming van de liberale doctrine en is niets minder dan een complete omwenteling: waar de klassieke doctrine volhield dat economische vrijheid alleen mogelijk is onder de voorwaarde dat er geen enkele overheidsinvloed in het economische domein is, stelt de neoliberaal dat economische vrijheid alleen mogelijk is als overheidsinmenging de juiste voorwaarden schept.

Direct hieraan verbonden is de tweede grondige hervorming die het neoliberalisme introduceert: het scheppen van de voorwaarden voor marktwerking vereist overheidsingrijpen, maar dit is niet het soort ingrijpen dat de keynesiaanse politieke economie voorstaat. De belangrijkste vraag gaat volgens de neoliberalen over de aard van het overheidsingrijpen, dat mag alleen raken aan de voorwaarden voor marktwerking – zoals de reeds genoemde wetten tegen monopolie – of kartelvorming. Dit is, in een notendop, de historische context waarin het neoliberalisme werd geformuleerd. De vraag is nu: hoe is het neoliberalisme in de Nederlandse politiek geïntroduceerd?

Pieter Oud, neoliberaal

De VVD werd in januari 1948 – negen maanden nadat Hayek de Mont Pèlerin Society leven inblies – opgericht door Pieter Oud, toenmalig hoogleraar parlementaire geschiedenis, oud-minister van Financiën en oud-burgemeester van Rotterdam. Vlak na de Tweede Wereld-oorlog werd Oud lid van de in 1946 opgerichte PvdA, maar deze partij stond hem om twee redenen tegen: zij was bereid de Indonesische onafhankelijkheid te accepteren13 en zij be- pleitte een politiek-economisch beleid dat Oud tegenstond. Daarom verliet hij de PvdA en richtte hij de VVD op.

Hoewel hij een groep sympathisanten om zich heen had verzameld (waaronder de wat charismatischere Dirk Stikker, die direct na de oprichting van de partij haar voorzitter werd), duldde Oud geen enkele tegenspraak bij het formuleren van de grondbeginselen van zijn nieuwe partij. Deze werden vastgelegd in een beginselprogram dat 24 artikelen kent en dat in januari 1948 werd vastgesteld.14 Een korte beschouwing van dit door Oud eigenhandig in elkaar gedraaide document geeft direct een inzicht in de neoliberale principes die eraan ten grondslag liggen. Zo luidt artikel 5:

‘Op het terrein der stoffelijke welvaart streeft de Partij, met verwerping zo van de socialistische als van de individualistische economie, naar maatschappelijke verhoudingen, die sociaal gerechtvaardigd en economisch verantwoord zijn. Zij verwerpt derhalve de leer van het laissez faire laissez passer, die eenieder de vrijheid wil laten naar eigen goeddunken te handelen. Die leer moge aanvaardbaar zijn geweest voor een voorbijgegaan tijdperk in de maatschappelijke ontwikkeling, voor de huidige wereld is een vrijheid voor de enkeling, die geen verantwoordelijkheid tegenover anderen kent, niet langer te aanvaarden. Even onaanvaardbaar is echter een maatschappij waarin de Staat alle macht tot zich zal hebben getrokken en aan de individuele mens alle vrijheid zal zijn ontnomen. De Partij wenst daarom te streven naar het juiste midden, naar een evenwicht tussen maatschappelijke en individuele factoren, omdat zij alleen daarin de mogelijkheid ziet voor de verwezenlijking ener ware vrijheid.’

Wat direct opvalt is dat dit artikel punt voor punt de neoliberale kritiek op de klassiek-liberale filosofie enerzijds en de collectivistische filosofieën anderzijds herhaalt. Wat tevens in het oog springt is de verbinding die gemaakt wordt tussen ‘stoffelijke welvaart’ en ‘ware vrijheid’, wat de suggestie wekt dat het Oud voornamelijk te doen is om een vrijemarkteconomie.

In hetzelfde beginselprogram wordt de rol van de overheid besproken. In artikel 16 staat:

‘Erkennende, dat het ingrijpen der overheid in de tegenwoordige maatschappelijke ver- houdingen niet kan worden gemist, oordeelt de Partij [...] dat het doel van het over- heidsbeleid moet zijn rechtstreekse overheidsbemoeiing zoveel mogelijk overbodig te maken, opdat de overheid zich op den duur zal kunnen beperken tot een taak van toezicht, waarbij zij als hoedster van het algemeen belang corrigerend ingrijpt, wanneer maatschappelijke organisaties, door te eenzijdig te letten op het groepsbelang, het algemeen belang dreigen te schaden.’

Om hetzelfde punt in hedendaags Nederlands te maken: overheidsingrijpen is noodzakelijk, maar enkel met als doel het verminderen van de algemene overheidsinmenging. De overheid heeft dus wel degelijk een cruciale rol volgens dit program.

De aard van het overheidsingrijpen dat de VVD voorstaat wordt in dit program eveneens uit de doeken gedaan. Volgens artikel 4 is de VVD van mening ‘dat ware vrijheid alleen bestaanbaar is, indien zij gepaard gaat met verantwoordelijkheid. Het is de taak der democratie de voorwaarden te scheppen, waardoor die verantwoordelijkheid tot haar recht kan komen.’ 

Met het woord ‘democratie’ bedoelt Oud het ‘parlementair regeringsstelsel’ – ofwel de overheid. Met de term ‘ware vrijheid’ wordt, zoals hierboven reeds werd vastgesteld, hoofdzakelijk gedoeld op economische vrijheid. Kortom: de overheid mag alleen ingrijpen door te interveniëren op het niveau van voorwaarden.

De grondbeginselen van de VVD komen dus stuk voor stuk overeen met de grond- beginselen van het neoliberalisme.15 De VVD werd opgericht als alternatief voor het socialisme, maar verwierp eveneens de klassiek-liberale leer. In plaats daarvan wilde men een liberalisme dat een zeer specifieke taak aan de overheid toeschreef, namelijk het schep- pen van de voorwaarden voor ‘ware’ – dat wil zeggen: economische – vrijheid. Wie op deze manier de ontstaansgeschiedenis van de VVD bekijkt moet concluderen dat zij over duidelijk op een neoliberaal fundament gestoeld is.

Wie niet bereid is mijn oordeel te volgen kan beter vertrouwen op de woorden van de grondleggers van de VVD zelf. Zo omschreef niemand minder dan Pieter Oud, tijdens zijn openingsrede voor het jaarlijkse congres van de VVD in 1952, de ideologie van zijn partij als het ‘neo-liberalisme,’ dat hij voorts omschreef met de volgende woorden: ‘het oude beginsel is gestoken in een nieuw gewaad, passend bij onze tijd. Maar moge het gewaad nieuw zijn, een verloochening van het oude beginsel betekent dit allerminst.’16

Zes jaar later schreef J. Alers, in een door Oud geredigeerde bundel over de partij-ideologie van de VVD, lovend over Hayek en Röpke, ‘twee neo-liberalen die een zeer logisch economisch gebouw optrekken en daarbij duidelijk zeggen wat zij willen’. Hij voegt daaraan toe: ‘Veel, maar niet alles, van wat de VVD op economisch gebied wenst, hebben zij theoretisch uiteengezet.’17

Mark Rutte, neoliberaal

Dit roept natuurlijk de volgende vraag op: is de VVD vandaag de dag nog steeds neolibe- raal? Het antwoord is: ja. Neem, bijvoorbeeld, een studie die door de Teldersstichting in 1985 werd gepubliceerd, getiteld Liberalisme en politieke economie. Dit geschrift, opgesteld door Klaas Groenveld en Andreas Kinneging, stelt zich ten doel ‘een standpunt te bepalen omtrent de grondslagen van een liberale economische politiek’.18

Bij het identificeren van die grondslagen gaan Groenveld en Kinneging te rade bij Eucken, Röpke, Hayek en Friedman – en zij hanteren daarbij de term ‘neoliberalisme’ om de school van Eucken en Röpke aan te duiden. Men trekt vervolgens de typisch neoliberale conclusie dat de enige taak van economische politiek is ervoor ‘te zorgen dat de economie zich weer beweegt naar het gebied waarbinnen het marktmechanisme zorg kan dragen voor stabiele economische ontwikkelingen’.19 Dat wil zeggen, in de termen die ik eerder hanteerde, dat de politiek de structurele voor-waarden moet scheppen voor marktwerking, maar dat gericht ingrijpen in de markt uit den boze is.

In het afsluitende hoofdstuk bespreken Groenveld en Kinneging de concrete maatregelen die de neoliberale filosofie voorschrijft om, anno 1985, het marktmechanisme te herstellen en versterken. Van vooraanstaand be- lang, zo menen zij, is ‘evenwichtsherstel’ op de markt.20 De beleidsmaatregelen die dat volgens hen mogelijk maken zijn ‘bezuiniging, deregulering en privatisering’, waarnaast ook verlaging van de belastingdruk wordt genoemd.21 Strikt gesproken zijn de beleidsmaatregelen die doorgaans met het neoliberalisme worden geassocieerd dus niet noodzakelijk met de neoliberale politieke filo- sofie verbonden, maar werden zij in de jaren tachtig door neoliberale denkers voorgeschreven om de fundamentelere reden dat het marktmechanisme in hun ogen moest worden hersteld. Dat beleid is zelf, met andere worden, niet inherent neoliberaal, maar de filosofische beginselen waarop zij berusten zijn dat wel.

Sinds het verschijnen van Liberalisme en po- litieke economie heeft de Teldersstichting verscheidene studies gepubliceerd die deze filosofische grondbeginselen verder uitwerken. Een in 1988 verschenen rapport Liberalisme: een speurtocht naar de filosofische grondslagen, is een passend voorbeeld. In dit boek zet de stichting bij monde van onder anderen Frits Bolkestein, Uri Rosenthal, Klaas Groenveld en Andreas Kinneging uiteen dat de voornaamste taak van de staat bestaat in ‘de regelgeving en de handhaving daarvan die noodzakelijk is om de zelfregulerende orde in goede banen te leiden’; een opvatting die de auteurs expliciet ontlenen aan Hayek.22

Ook in recentere jaren hebben de VVD en haar wetenschappelijk onderzoeksbureau hun neoliberale erfenis veelvuldig bevestigd. Niemand minder dan Mark Rutte beriep zich in 2007 bijvoorbeeld op het gedachtegoed van Hayek om te betogen dat de overheid louter een ‘voorwaardenscheppende functie’ heeft.23 Voorts worden in recente publicaties van de Teldersstichting vooraanstaande neoliberale denkers zoals Hayek, Eucken en Friedman on- verminderd vaak aangehaald om de beginselen van het liberalisme te duiden.24 Tot slot wordt de ideale staat in publicaties van diezelfde stichting nog altijd omschreven als een staat ‘die actief vormgeeft aan de randvoorwaarden van een zuivere markt.’25

De centrale stelling van Neoliberalisme: een politieke fictie – dat het neoliberalisme geen hedendaags verschijnsel is – blijkt dus ongefundeerd. De neoliberale filosofie, waarvan de onderscheidende kwaliteit is dat zij het als de voornaamste taak van de overheid beschouwt om de voorwaarden voor marktwerking te schepping, wordt in ons land al ruim tachtig jaar vertegenwoordigt door de VVD en is, gezien het electorale succes van deze partij het afgelopen decennium, invloedrijker dan ooit.

Neoliberalisme en linkse kritiek

Volgens Mirowski is het ten tonele verschijnen van hardnekkige ontkenners van het bestaan van deze of gene ideologie doorgaans een te- ken dat die ideologie juist bij hen welig tiert. Het is dan ook geen toeval dat in ons land de meest hardnekkige ontkenners van het neoli- beralisme stuk voor stuk gelieerd zijn aan de VVD of aan de Teldersstichting. Dit wil uiteraard niet zeggen dat de VVD de enige politieke partij is die er een neoliberale politieke filosofie op nahoudt (of na heeft gehouden), temeer daar enkele aspecten van het neoliberale gedachtegoed zich in de jaren tachtig in hoog tempo door het Nederlandse politieke land- schap verspreidde.26 Het impliceert echter wel dat de VVD als enige partij nagenoeg volledig op de neoliberale filosofie is gestoeld.

Dit verklaart waarom de VVD het meeste baat heeft bij het optrekken van een rookgor- dijn omtrent het neoliberalisme. Immers, middels dat rookgordijn kan zij zich distantiëren van de neoliberale ideologie, die vandaag de dag (volledig terecht) te boek staat als de drijvende kracht achter de Chileense coup van 1973, de vernietiging van de westerse verzorgingsstaat, de autoritaire afhandeling van de Griekse schuldencrisis en talloze vergelijkbare sociale catastrofes.

Om beter te begrijpen hoe deze zelfde ideo- logie de hedendaagse Nederlandse politiek in haar grip heeft, zou links Nederland zich moeten richten op het formuleren van een coherent begrip van en rigoureuze kritiek op het neoliberalisme. Doordat de linkse kritiek tot op heden overwegend zwak is geweest en nog altijd een rigoureus historisch begrip van het neoliberale denken ontbeert, is het voor de VVD makkelijk gebleken de eigen wortels te verbergen. Zolang er aan een dergelijk begrip gebrek is zal het eenvoudig zijn voor de VVD om zichzelf als een ideologisch neutrale partij voor te doen; gelijk een kameleon tegen een groene achtergrond. 

  • 1. Mirowski, P. (2013), Never Let a Serious Crisis Go to Waste: How Neoliberalism Survived the Financial Meltdown, Londen: Verso, p. 27.
  • 2. Zie bijvoorbeeld Bolkestein, F. (2009), ‘De ware liberaal is een realist’, Trouw, 17 maart, https://www.nrc.nl/ nieuws/2009/03/17/de-ware- liberaal-is-een-realist-11699053-a345821.
  • 3. Van Schie, P. (2013), ‘Neoliberale nachtmerrie... ontwaakt!’, S&D/2013-6, pp. 72-78; Dupuis, H. & P. van Schie (2013), Liberale Spiegel. Reflecties op zestien veelgehoorde vooroordelen over het liberalisme en de VLF, ‘s-Gravenhage: Teldersstichting, p. 43; Van Schie, P. (2014), ‘Neoliberalisme is een nonsenswoord’, Trouw, 8 september, https://www.trouw. nl/home/neoliberalisme-is- een-%20nonsenswoord~ aebda1c0f/; Van Schie, P. & P. Kalma (2014), ‘Het neolibera- lisme is een links spookbeeld’, de Volkskrant, 1 maart, www.volkskrant.nl/archief/ het-neoliberalisme-is-een- links-spookbeeld~a3605532/.
  • 4. Van de Haar, E. (2012), ‘Het neoliberale fantoom’, De groene Amsterdammer, nummer 7 (februari), https://www.groe- ne.nl/artikel/het-neoliberale-fantoom.
  • 5. Zie bijv. Marijnissen, J. (2003), Nieuw optimisme, Soesterberg: Aspekt; Ankersmit, F. (2009) ‘Het neoliberalisme is niet liberaal’, Filosofie.nl, 17 maart, https://www.filosofie. nl/nl/nieuws/12424/het-neoliberalisme-is-niet-liberaal.html.
  • 6. Van Schie, 2013, p. 73. Voor de reacties, zie S&D/2014-1. De bijdragen waren van Thomas von der Dunk, Paul Kalma, Arjan Vliegenthart en Naomi Woltring.
  • 7. Van Hees, M., P. van Schie & M. van de Velde (2014), Neoliberalisme. Een politieke fictie, Amsterdam: Boom.
  • 8. Ibidem, p. 8.
  • 9. Oudenampsen, M. (2014), ‘Mistvorming rond het neoli- beralisme’, www.wbs.nl/opinie/all/twist-over-het-neoliberalisme.
  • 10. Voor overtuigende historische portretten van het neoli- beralisme, zie o.a. Audier, S. (2012), Néo-libéralisme(s): Une archéologie intellectuelle, Parijs: Grasset; Foucault, M. (2004), Naissance de la biopolitique. Cours au Collège de France, 1978-1979, Parijs: Seuil/ Gallimard; Mirowski, P. & D. Plehwe (red.) (2009), The Road from Mont Pèlerin: The Making of the Neoliberal Thought Collective, Cambridge: Harvard University Press; Peck, J. (2010), Constructions of Neoliberal Reason, Oxford: Oxford University Press. Goede historische studies van het neoliberalisme door Nederlandse auteurs zijn helaas schaars. Zie o.a. Zijlstra, J. (1956) Economische orde en economische politiek, Leiden: H.E. Stenfert Kroese; Meijer, G. (1988) Het neoliberalisme. Neoliberalen over economische orde en economische theorie, Assen & Maastricht: Van Gorcum; Woltring, N. (2012) ‘De erfenis van het neoliberalisme’, S&D/2012-6, pp. 7-15; Woltring, N. (2014), ‘Neoliberalisme in drie bedrijven’, S&D/2014-1, pp. 36-42.
  • 11. Voor een gedetailleerde discussie van de verschillen tussen de diverse substromingen die het neoliberalisme rijk is, zie o.a. Audier, 2012.
  • 12. Zie in het bijzonder Mirowski & Plehwe (red.), 2009.
  • 13. Ik heb hier helaas niet de ruimte om in te gaan op de rol die koloniale politiek speelde in de oprichting van de VVD. Voor meer informatie over het ontstaan van de VVD en de rol die hierin gespeeld werd door de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog zie bijvoorbeeld Vermeulen, A. (2013), De liberale opmars. 65 jaar VVD in de Tweede Kamer, Amsterdam: Boom.
  • 14. Dit program is online te vinden: irs.ub.rug.nl/dbi/ 4c3f013a03ee7.
  • 15. Zie ook Oud, P.J. (1958), ‘Modern staatkundig liberalisme,’ in: P.J. Oud, N.E.H. van Esveld, J. Alers, J.P. van Mullem & H. van Riel, Enige aspecten van het moderne liberalisme, Leiden: H.E. Stenfert Kroese, pp. 1-20. In dit artikel ontwikkelt Oud eveneens een kritiek op het klassieke liberalisme en spreekt hij op dezelfde manier over de rol van de overheid en over de aard van diens ingrijpen.
  • 16. Oud, P. (1952), ‘Openingsrede voor jaarlijkse algemene vergadering VVD,’ Vrijheid en democratie, no. 208, p. 6.
  • 17. Alers, J. (1958), ‘Modern economisch liberalisme,’ in: Oud et al., Enige aspecten van het moderne liberalisme, pp. 44- 63, p. 50.
  • 18. Groenveld, K. & A.A.M. Kinneging (1985) Liberalisme en politieke economie, ’s-Graven- hage: TeldersStichting, p. v.
  • 19. Ibidem, p. 70.
  • 20. Ibidem, p. 90.
  • 21. Ibidem, p. 95.
  • 22. Kinneging, A.A.M. (1988) Liberalisme: Een speurtocht naar de filosofische grondslagen, ’s-Gravenhage: TeldersStich- ting, p. 28.
  • 23. Rutte, M. (2007), ‘Politiek van wantrouwen’, Elsevier (11 au- gustus), pp. 26-27, p. 27.
  • 24. Zie bijvoorbeeld de bijdragen in Van de Velde, M. (red.) (2004), Marktmeesters: Por- tretten van vooraanstaande liberale economen, Amsterdam & Den Haag: Boom & Teldersstichting. Zie ook Van Hees, M., F. de Beaufort, B. de Bruin, P. van Schie & M. Wissenburg (2014), Liberale verantwoordelijkheid: Individu- ele, economische en democratische plichten, Den Haag: TeldersStichting, hoofdstukken 4 en 5.
  • 25. Wissenburg, M. (2011), Eerlijk is eerlijk: Wat een liberaal van de staat mag verwachten en van zichzelf moet vergen, Den Haag: Teldersstichting, p. 34. Zie ook Van Hees et al. (2014), pp. 10-11 en passim.
  • 26. Zie bijvoorbeeld Woltring (2012) en Kalma, P. (2014), ‘Het neoliberalisme voor coalitie- partners verklaard’, S&D/2014- 1, pp. 14-22 over de neoliberale invloeden op de PvdA. 

Auteur(s)

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2018)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [hoofdredactie], Wiljan Linders [eindredactie] en Reinier Tromp

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl