Vorige maand verscheen het Capaciteitsplan 2020-2023, een berekening van het benodigde aantal opleidingsplaatsen tot medisch specialist en, daarvan afgeleid, het aantal studenten geneeskunde dat wordt toegelaten. De berekening wordt gemaakt door het Capaciteitsorgaan dat hiervoor gebruik maakt van geregistreerde gegevens, (‘maatwerk’)onderzoek laat doen en uitvoerig spreekt met verschillende betrokkenen ‘uit het veld’. De raming wordt iedere drie jaar herhaald om zo nodig tijdig bij te kunnen sturen.

Het is verstandig dat de behoefte in kaart wordt gebracht en nauwgezet gemonitord. Een opleiding tot medisch specialist duurt lang en is duur, zo’n €150.000 per jaar. Niemand zit te wachten op tekorten, maar evenmin op specialisten die na hun opleiding geen werk kunnen vinden.

Het is boeiende lectuur. Om de behoefte zo goed mogelijk in te schatten worden 50 verschillende parameters gehanteerd. Van demografische ontwikkelingen (naarmate mensen ouder worden neemt de zorgbehoefte toe) tot technologische ontwikkelingen (meer mogelijkheden vergroten de vraag) en sociaal-culturele factoren (een diverse patiëntenpopulatie vraagt méér tijd van de specialist).

Het ingewikkelde bij een dergelijke raming is dat van de meeste ontwikkelingen wel duidelijk is welk effect zij zullen hebben, maar dat hoogst onzeker is hoe groot dat effect zal zijn. Bovendien werken sommige ontwikkelingen tegen elkaar in. Toch is het Capaciteitsorgaan erin geslaagd een samenhangend en gedetailleerd advies uit te brengen.

Het Capaciteitsplan kent drie varianten. De demografievariant, waarin de behoefte aan medisch specialisten wordt gebaseerd op demografische ontwikkelingen en veranderingen in de samenstelling van de beroepsgroep, zoals pensionering. De werkprocesvariant; deze neemt de demografische raming als uitgangspunt maar voegt daar parameters uit het werkproces, zoals vakinhoudelijke ontwikkelingen en efficiency, aan toe. En tenslotte de arbeidstijdvariant, waarin nog twee factoren worden meegenomen: verticale substitutie en arbeidstijdverandering. Met verticale substitutie wordt bedoeld dat zorg van de medisch specialist wordt overgeheveld naar gespecialiseerde verpleegkundigen, medisch ondersteunende beroepen en de huisarts. Arbeidstijdverandering houdt in dat medisch specialisten anders zijn gaan denken over het aantal uren dat zij in hun werk willen stoppen. Zij willen een betere balans tussen werk en privé en vinden het niet meer vanzelfsprekend om structureel over te werken, veel (avond-, nacht-, en weekend) diensten te draaien en voltijds te werken.

De arbeidstijdvariant is nieuw en is direct de voorkeursvariant geworden. De reden is dat de experts unaniem van mening zijn dat arbeidstijdverandering de komende jaren dè bepalende factor wordt in de vraag hoeveel medisch specialisten er nodig zijn. Alleen zijn er nog geen cijfers beschikbaar die kunnen aangeven hoe groot het effect zal zijn.

Van de drie varianten leidt de demografische variant tot het laagste (816) en de werkprocesvariant tot het hoogste (1257) aantal benodigde opleidingsplaatsen. De arbeidstijdvariant komt uit op 1182 opleidingsplaatsen. De reden voor deze lagere uitkomst is dat de twee ontwikkelingen in deze variant tegen elkaar inwerken. Door verticale substitutie hoeven er minder medisch specialisten te worden opgeleid, terwijl de arbeidstijdverandering juist om méér opleidingsplaatsen vraagt. Het Contactorgaan gaat ervan uit dat het effect van verticale substitutie (verplaatsing van taken naar niet medisch specialisten) groter zal zijn dan dat van arbeidstijdverandering. Ik vrees dat zij hier de plank misslaan.

Theoretisch zijn er nog tal van taken die kunnen worden overgeheveld. Maar de cruciale vraag is of er ook mensen beschikbaar zijn die deze taken kunnen overnemen. Het Contactorgaan stelt in zijn eigen advies vast dat er een groot tekort is aan gespecialiseerde verpleegkundigen en medisch ondersteunend personeel. En dat de door het Capaciteitsorgaan geadviseerde opleidingscapaciteit voor deze beroepsgroepen niet gerealiseerd is. Ook merkt het Contactorgaan op dat huisartsen overbelast zijn en dat er in sommige regio’s een tekort aan huisartsen en praktijkondersteuners is. Dus je kunt wel willen overdragen, het moet ook kunnen.

En dan is er een tweede kanttekening. Het Contactorgaan houdt in zijn raming ook rekening met de stijgende pensioenleeftijd. Als specialisten langer blijven werken, hoeven er minder specialisten te worden opgeleid, is de gedachte. Dat valt nog te bezien. Op de eerste plaats is het nog maar de vraag of medisch specialisten ook langer zullen doorwerken. Uit onderzoek1 blijkt dat het daadwerkelijke pensioentijdstip sterk uiteenloopt. Hoogopgeleiden verlaten de arbeidsmarkt veelal vóór hun 65e, laagopgeleiden zien zich gedwongen door te werken. Medisch specialisten vallen overduidelijk niet in de tweede categorie.

En als de specialisten massaal doorwerken tot hun officiële pensioengerechtigde leeftijd, ontstaat er een nieuw probleem. Medisch specialisten van 60 jaar en ouder hoeven geen (avond-, nacht- en weekend) diensten meer te doen. Op zich terecht. Maar als zij langer blijven doorwerken wordt de groep waar de diensten over verdeeld kunnen worden, kleiner. De ‘dienstendruk’ speelt nu al een grote rol. Die zou niet verder vergroot moeten worden.     

  • 1. Raymond Montizaan, ESB, 19 juni 2017