Half juni bracht Paul Depla, burgemeester van Breda, verslag uit over een rondgang door de PvdA na de dramatische verkiezingsnederlaag van afgelopen maart. Bestaanszekerheid als cruciaal thema en een goede sfeer als meest concrete doel zijn de uitkomsten. Of dat kiezers op gaat leveren is nog een open vraag.

Paul Depla heeft een mooi rapport geschreven. Zo mocht het niet heten, want rapporten zouden toch maar in een la verdwijnen, maar Op de toekomst is dat natuurlijk wel. Met zijn 33 bladzijden is het niet eens zoveel korter dan het rapport De kaasstolp aan diggelen dat in 2002 eveneens enkele maanden na een grote verkiezingsnederlaag werd gepubliceerd.

Depla heeft met verschillende mensen gesproken en mede op basis hiervan zijn bespiegelingen aan het papier toevertrouwd. Als het stuk iets is, dan is het een sfeerdocument. Depla wil wegblijven bij de grimmigheid en verbetenheid die na de historische verkiezingsnederlaag van dit voorjaar op de loer ligt. Hij was door het partijbestuur gevraagd de PvdA een spiegel voor te houden, niet om met ‘een grote commissie een doorwrocht weten schappelijk rapport te schrijven’. Dat is het inderdaad niet geworden. Maar er wordt wel degelijk gerapporteerd wat er zoal mis ging, dat er maar niet zomaar op de oude voet kan worden doorgegaan en er dus zaken moeten veranderen. Impressies opgedaan in die gesprekken worden afgewisseld met ‘columns’ waarmee hij hoopt discussies uit te lokken. De conclusie is dat PvdA toekomst heeft en dat dat gevoel breed gedragen is.

Maar aan die toekomst moet volgens Depla wel hard worden gewerkt. De partij moet daarom veranderen. Opvallend is dat de meeste van de voorstellen neerkomen op een terugkeer naar eerdere ideeën en organisatievormen, ondanks de titel van het werkstuk.

Klassieke thema’s

Inhoudelijk bepleit Depla een concentratie van de aandacht op klassieke thema’s als ‘werk en inkomen’, ‘zorg’ , ‘wonen’ en ‘milieu’. De eerste drie zijn van oudsher centrale thema’s van de sociaal-democratie; het milieu is daar in de jaren 1970 van de vorige eeuw bijgekomen. Door recente ontwikkelingen als de globalisering, flexibilisering, robotisering, klimaatverandering, vergrijzing en de multiculturele samenleving moeten op die thema’s nieuwe antwoorden worden geformuleerd, maar ook dat is een klassiek sociaal-democratische attitude: het bevorderen van bestaanszekerheid in veranderende omstandigheden. Bestaanszekerheid wordt door Depla een ‘kernwaarde’ genoemd.

Deze concentratie op klassieke thema’s is een verstandige keuze. Kiezers associëren de PvdA vooral daarmee. Wanneer de PvdA in de ogen van die kiezers niet of niet voldoende ‘levert’, ontstaat een vertrouwenscrisis. Dat is een belangrijke verklaring voor de electorale positie waar de PvdA is komen te verkeren. Het herstel van vertrouwen door de focus op die thema’s zal de nodige tijd vergen. Temeer omdat de thema’s slechts worden aangestipt. Het zijn niet meer dan ‘de vier hoekstukjes van een puzzel die we de komende jaren met vele mensen moeten leggen. Alleen dan is het proces geslaagd en zullen we als PvdA een mooie toekomst tegemoet kunnen zien.’ Veel verder gaat het rapport van Depla niet. Er wordt vooral een sfeer opgeroepen. Onduidelijk is bijvoorbeeld of Depla voorstelt door te gaan op de weg van het Van Waarde-project, ook al wordt veelvuldig gesproken over de PvdA als een ‘waardenpartij’. Evenmin wordt verwezen naar het recente verkiezingsprogramma. Dat roept de vraag op of Depla met de focus op klassieke thema’s niet herhaalt wat de PvdA reeds – althans op papier – had omarmd. Reeds in het beginselprogramma van 2005 staat bijvoorbeeld: ‘Iedereen heeft tenminste recht op een dusdanig niveau van bestaanszekerheid dat men volwaardig aan de samenleving kan deelnemen’. Wanneer dat zo is, moet het iets anders zijn dan een gebrek aan focus op genoemde thema’s dat de beroerde electorale positie van de PvdA verklaart. Depla geeft wel verklaringen, maar in een vriendelijke, ietwat ontwijkende, vorm van vragen en ‘beelden’. Zo stelt hij dat ‘het dominante beeld was dat de PvdA vooral bezig was om binnen de VVD-kaders het beleid te maken’. Dat Rutte II op weinig steun van de PvdA achterban kon rekenen, verklaart hij vragenderwijs. Bijvoorbeeld: ‘Was men in het kabinet zo druk bezig met de immense hervorming dat men kritiek niet hoorde of geïrriteerd terzijde schoof? Of had de PvdA – ondanks het Van Waarde-project – verzuimd om een echte sociaaldemocratische hervormingsagenda op te stellen waardoor men in het kabinet eigenlijk weinig anders kon dan vooral leunen op de heersende trends en doctrines?’

Depla bedient zo de kritiek die er leeft in de PvdA, zonder dat hij zichzelf er volledig mee vereenzelvigt. Zo probeert hij te voorkomen dat hij wordt als ‘Ome Harry’, die hij opvoert in één van zijn ‘columns’. Die Ome Harry verpestte vroeger een verjaardag of familiefeestje, omdat hij altijd het grootste woord had en ontzettend zat te zeuren, bijvoorbeeld over het eten dat vroeger beter was. Meestal liet men hem begaan: ach, Ome Harry. Maar dat leidde er toe dat nieuwe generaties die familiefeestjes gingen mijden omdat ze geen zin hadden in dat gezeur van Ome Harry. Het is duidelijk: in de PvdA van Depla is geen plaats meer voor Ome Harry.

Naar een beweging!

De organisatievorm van de PvdA moet veranderen, volgens Depla. De PvdA moet ‘voorbij de klassieke tegenstelling kiesvereniging of ledenpartij’ en zich als ‘onderdeel van een maatschappelijke beweging’ opstellen. In een andere column scherpt hij dat nog eens aan door te zeggen dat de PvdA een voorbeeld moet nemen aan de Sex Pistols van Johnny Rotten in plaats van aan Dire Straits van Mark Knopfler. De laatsten mochten dan misschien een paar muziekakkoorden hebben vervangen, de eersten ‘vonden de muziek opnieuw uit’. Les: je moet niet uitgaan van het bestaande, maar proberen radicaal te vernieuwen. Depla is duidelijk een fan van de Sex Pistols. Ikzelf zou eerder Frank Zappa genoemd hebben als radicale vernieuwer.

Wanneer je echter kijkt naar de suggesties die Depla doet voor de vernieuwing van de partij, komt veel bekend voor. Weliswaar is de omgeving veranderd, met name door de digitale revolutie, waardoor velen in een zuiltje van gelijkgestemden zijn komen te verkeren. Maar veel ideeën voor nieuwe organisatievormen zijn al geopperd en uitgeprobeerd vóór die digitale revolutie. Bovendien kan een vraagteken worden gezet bij de analyse of die ‘netflixisering’, zoals Depla deze ontwikkeling noemt, wel de belangrijkste uitdaging is waarvoor de PvdA zich gesteld ziet.

Juist vanwege het ontstaan van filter bubbles bepleit Depla het vasthouden aan de ambitie van een brede, progressieve volkspartij. De PvdA zal daarom tegen de stroom in moeten roeien. Ook het reeds genoemde rapport De kaasstolp aan diggelen uit 2002 schreef als één van de aanbevelingen: ‘herontdek het karakter van een volkspartij!’. Dat rapport uitte zware kritiek op de campagnepartij. Depla zegt dat in reactie op die campagnepartij destijds pleidooien werden gevoerd voor een democratische ledenpartij, maar dat het nu de vraag is of de ledenpartij niet teveel nadruk op de leden legt. Moet de PvdA de tegenstelling tussen kiesvereniging (campagnepartij) versus ledenpartij niet achter zich laten, zo vraagt Depla zich af? Nu is een ledenpartij niet meer dan een partij waarin leden reële zeggenschap hebben in het bepalen van de koers van de partij. Zij staat dus niet tegenover het zich richten op de kiezers (dat moet een partij altijd), maar vult die gerichtheid aan met interne partijdemocratie. Wat de laatste jaren echter is gebeurd is een ver doorgevoerde ‘stemdemocratie’, waarbij ‘het stemmen over moties en amendementen op congressen beschouwd wordt als de hoogste vorm van de ledendemocratie’ (de termen zijn van Depla). Depla had zijn analyse nog iets scherper kunnen stellen door te analyseren dat deze overdreven gerichtheid op stemmen de plebiscitaire democratie binnen de PvdA heeft doen zegevieren ten koste van de ontmoetingsdemocratie (zie: Socialisme & Democratie, december 2016, p. 7). Een democratische ledenpartij hoeft niet te verworden tot een ‘stemdemocratie’, maar dat is wel gebeurd.

Als belangrijke oplossing voor de penibele situatie waarin de PvdA is komen te verkeren, stelt Depla voor de PvdA in te richten als een organisatie van themanetwerken, waarbij per netwerk de thema’s aan bod komen die voor de PvdA centraal staan. Nu is de PvdA teveel een organisatie van beroepsgroepen. De inzet van de netwerken zou minder moeten liggen op besluitvorming, en veel meer op de ideeënvorming. Daarbij zou geleerd kunnen worden van manieren waarop nieuwe politieke bewegingen in andere landen hun organisatie opzetten. Belangrijke voorwaarde is in ieder geval dat de netwerken worden ondersteund vanuit organisatie van de PvdA, aldus Depla.

Het is alsof de jaren negentig terugkeren. Alleen heetten die thema-netwerken toen kenniscentra. Kennelijk toch wat meer Dire Straits dan Sex Pistols. Prima om nog eens te proberen om leden en andere belangstellenden ook een andere manier aan te bieden om actief te worden dan via de geografische organisatie van afdelingen en gewesten. Maar dat is enorm moeilijk gebleken. Er dient voor te worden gewaakt dat met die themanetwerken niet opnieuw verwachtingen worden gewekt, die niet kunnen worden waargemaakt. Depla stapt daar wel erg gemakkelijk over heen. Veel verder dan dat hier in de begroting van de partij ruimte voor moet worden gemaakt en dat ‘groepen – alla Niet Nix – de ruimte moeten krijgen om voor deze netwerken te organiseren, te modereren en te begeleiden’ komt hij niet. Het citaat verraadt tevens dat Depla zijn inspiratie niet alleen haalt uit de jaren zeventig, toen hij als kleine jochie naar muziek begon te luisteren, maar ook uit de jaren negentig, toen hij actief werd in de politiek.

De verwijzing naar ‘bewegingen’ elders is nog niet erg richtinggevend. Wat wordt überhaupt ‘met ‘beweging’ bedoeld? Meestal tooien groeperingen zich met die aanduiding om zich af te zetten tegen de bestaande politieke partijen. Dat is van alle tijden. De liberalen van de negentiende eeuw noemden zich liever ‘Unie’ dan partij, omdat zij moeite hadden met het ontstaan van moderne politieke partijen. De NSB in de jaren dertig noemde zich een beweging, uit afkeer van partijpolitiek. Rita Verdonk moest evenmin iets hebben van de ‘gevestigde’ partijen en noemde Trots op Nederland een beweging. Forum voor Democratie doet iets soortgelijks. In Frankrijk wist Emmanual Macron vanuit het niets de beweging En Marche! uit de grond te stampen.

Met de term ‘beweging’ worden kennelijk nogal verschillende organisaties bedoeld. Ook GroenLinks van Jesse Klaver wordt soms met de term aangeduid. Sommige bewegingen hebben een formeel lidmaatschap, andere staan (ook) open voor niet-leden. Wel zou men voorzichtig kunnen zeggen dat zij alle gebaseerd zijn op een leidersprincipe: de persoon van de politiek leider staat centraal. Niet voor niets komt de afkorting van de beweging van Macron overeen met zijn initialen: EM! Wil de PvdA daar heen? De indruk bestaat dat Depla met zijn pleidooi voor een ‘beweging’ meer de sfeer heeft willen oproepen van een open partij, dan dat die gedachte is uitgewerkt. Groen Links laat overigens zien dat nieuwe vormen van campagnevoeren en open bijeenkomsten (meet ups) goed gecombineerd kunnen worden met het bestaan van een formele partij organisatie, waarbinnen ook democratische besluitvorming plaatsvindt.

Niet de vorm, maar de inhoud!

Alle aandacht die Depla besteedt aan nieuwe vormen van het betrekken van mensen bij de PvdA, zou mogelijk de indruk kunnen wekken dat die nieuwe vormen doorslaggevend zijn voor het versterken van de electorale positie van de PvdA. Niets is minder waar. Hoezeer ik ook de poging waardeer om de gezelligheid in de partij terug te brengen (graag zelfs!), voorkomen moet worden dat nu de meeste energie wordt gestoken in vormdiscussies over themagroepen, bewegingen en ‘doe-democratie’, terwijl het inhoudelijke verhaal nog niet is uitgewerkt. Om het vertrouwen van kiezers terug te winnen, zijn uitgewerkte inhoudelijke voorstellen nodig op de vier thema’s die Depla terecht heeft benoemd. Net zoals De kaasstolp aan diggelen in 2002 ‘nieuwe maatschappelijke coalities’ bepleitte, is het goed dat te doen in contact met maatschappelijke initiatieven en zo mogelijk ook in samenwerking met de andere linkse partijen. Die inhoudelijke voorstellen moeten dan door de gezichtsbepalende figuren van de partij met overtuiging worden uitgedragen, willen de verloren kiezers en nieuwe kiezers hun vertrouwen (weer) stellen in de PvdA. Dan heeft de PvdA inderdaad toekomst.

 

Auteur(s)

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2018)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [hoofdredactie], Wiljan Linders [eindredactie] en Reinier Tromp

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl