Vorige week schreef ik over de salariëring van verpleegkundigen. De vakbonden willen 5% loonsverhoging, de werkgevers bij monde van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) zeggen dit niet te kunnen betalen. De voorzitter van de NVZ richtte zich tot de minister: met €200 mln. zou hij een eind kunnen komen. Minister Bruins liet onmiddellijk weten dat hij er niet over piekerde om extra geld ter beschikking te stellen. De enig overblijvende mogelijkheid om verpleegkundigen beter te belonen, is dan als de zorgverzekeraars dit financieren. Maar ook deze geven nul op het rekest. In de Telegraaf van zaterdag 7 september (had ik vorige week nog niet gezien) geeft de voorzitter van Zorgverzekeraars Nederland, André Rouvoet, tekst en uitleg.

Hij erkent dat er sprake is van een tekort aan personeel en een daardoor oplopende werkdruk. Met als gevolg dat nog meer zorgprofessionals de zorgsector verlaten en het risico ontstaat dat we in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Rouvoet: “Hoe doorbreken we die spiraal? Met een zak geld? Was het maar zo simpel, zou ik bijna zeggen. Natuurlijk hebben medewerkers in de zorg recht op een goede beloning, daarvoor is ook ruimte gemaakt in de contracten tussen zorgverzekeraars en aanbieders. Maar ik vrees dat extra geld – als dat er zou zijn – de spiraal alleen maar zou versterken. Omdat de zorg niet de enige sector is met dit soort problemen; denk bijvoorbeeld aan het onderwijs. Het lijkt mij erg onverstandig dat maatschappelijk belangrijke sectoren hier met elkaar de concurrentie aangaan. En datzelfde geldt voor de zorg zelf: daar kan bijvoorbeeld ook concurrentie ontstaan tussen ziekenhuiszorg en de ouderenzorg. Een betere beloning voor de één zou de personeelsproblemen bij een ander kunnen vergroten. En toch ook maar even: geld moet ergens vandaan komen. Het grootste deel van de zorgkosten bestaat uit personeelskosten. Als we de salarissen in de zorg extra zouden willen verhogen, heeft dat direct gevolgen voor onze zorgpremie.”

In deze redenering zitten drie opmerkelijke aannames. De eerste is dat de mechanismes die werkzaam zijn in het reguliere bedrijfsleven kennelijk niet van toepassing zijn op ‘maatschappelijk belangrijke sectoren’. Als er kritische kanttekeningen worden geplaatst bij de soms bizar hoge beloningen van bestuursvoorzitters van organisaties wordt er altijd gerefereerd aan het risico op vertrek bij een lagere vergoeding. De beoogde verdubbeling van salaris van Ralph Hamer, topman van ING, werd bijvoorbeeld legitiem gevonden omdat je nu eenmaal niet op Europa League-niveau kunt belonen als je Champions League speelt. (De salarisverhoging werd overigens teruggedraaid en Hamer zit er nog steeds). De tweede is dat maatschappelijk belangrijke sectoren alleen met elkaar concurreren. Dat is natuurlijk niet waar. In de zorg en het onderwijs werken inderdaad veel bevlogen mensen, maar van bevlogenheid alleen kun je niet rondkomen. En dat kan op een bepaald moment een reden zijn om de collectieve sector te verlaten. Dat zou geen werkgever en geen zorgverzekeraar moeten willen. De derde ligt iets ingewikkelder. Op zichzelf klopt het dat geld ergens vandaan moet komen. Het is nog maar de vraag of een verhoging van de salarissen directe gevolgen zou hebben voor onze zorgpremie (daarover een andere keer meer). Maar de onuitgesproken aanname hierachter is dat de Nederlandse burger niet bereid zou zijn om meer te betalen voor de zorg. Het kan zijn dat Rouvoet gelijk heeft. Maar het punt is: we weten het niet.

De gedachte achter de Zorgverzekeringswet van 2006 was dat de verschillende belangen (zorgaanbieders, zorgverzekeraars en verzekerden) elkaar in evenwicht zouden houden. In de praktijk is dat niet van de grond gekomen. De enige ‘macht’ die verzekerden hebben is om te wisselen van zorgverzekeraar. En dat dan ook nog op basis van onvolledige informatie. Verzekerden weten de prijs van de zorgpremie en kunnen uitzoeken bij welke zorgaanbieders ze terecht kunnen. Maar onbekend is of er budgetplafonds zijn afgesproken en op welke onderdelen. En in de hamvraag, waar willen we met de zorg naartoe, hebben verzekerden al helemaal geen stem. Zorgverzekeraars onderhandelen, namens de verzekerden, met de zorgaanbieders: wat kopen zij in en tegen welk tarief? Daarbij moeten zij verschillende belangen tegen elkaar afwegen, zoals de hoogte van de zorgpremie en een fatsoenlijke betaling van verpleegkundigen. De verzekerden hebben geen zicht en geen invloed op de wijze waarop deze afweging tot stand komt. Het lijkt me een weeffout in het stelsel.