Het is tot dusver in meerdere analyses opgemerkt: het regeerakkoord van Rutte III is een nogal onsamenhangend samengestelde grabbelton van liberale en christelijk-communautaire voorstellen. Een mengelmoes van maatregelen, waarin soms zelfs de ambitie om economische verschillen tussen mensen te verkleinen wordt benadrukt. Dat lijkt een veelbelovende ambitie voor een coalitie van rechts signatuur.

Een vluchtige blik op de CPB-doorrekening van het Regeerakkoord stemt ook nog enigszins optimistisch: het CPB voorspelt een daling van de Gini-coëfficiënt, een veelgebruikte samenvattingsmaat voor inkomensongelijkheid. Dat is echter te vroeg gejuicht: de Gini-coëfficiënt zegt niet alles over de inkomensverdeling, en ongelijkheid draait niet enkel om inkomen. Hier zou ik inmiddels clichématig de waarschuwing van Thomas Piketty voor onhoudbare vermogensongelijkheid kunnen herhalen - maar dat is waarschijnlijk ten overvloede.

Helaas staan tegenover de voor de bestrijding van ongelijkheid positieve voorstellen, een reeks grote en kleinere maatregelen die juist het tegenovergestelde bereiken. De afbouw van de hypotheekrenteaftrek wordt bijvoorbeeld direct gecompenseerd door de verlaging van het eigenwoningforfait, waardoor huizenbezitters toch weinig reden tot klagen houden.

Een greep uit de grabbelton van Rutte III levert verder een serie maatregelen op die aan de ene kant de well-to-do een extra steuntje in de rug geven en aan de andere kant aan de stoelpoten van de lagere inkomensgroepen zagen: een verhoging van het heffingsvrije vermogen in combinatie met een verlaging van de tarieven voor vermogen dat wel belast wordt; verlaging van de zorgtoeslag voor alleenstaanden, een hard gelag voor bijvoorbeeld moeders in de bijstand; ruimhartige belastingverlaging voor bedrijven, terwijl die dat helemaal niet nodig hebben; inzet op verkoop van sociale huurwoningen, wat in potentie een grootschalige privatisering van publiek vermogen betekent; het intrekken van de Wet Normering Topinkomens, waarmee de normstellende voorbeeldfunctie van de overheid wat betreft zeer hoge inkomens te grabbel gegooid wordt.

De invoering van een tweeschijvenstelsel voor de loonbelasting en de verhoging van het lage btw-tarief naar 9% zijn wellicht de meest in het oog springende maatregelen met de potentie om ongelijkheid te doen groeien. Omdat mensen met een lager inkomen een groter deel van hun inkomen direct besteden, worden die harder geraakt door verhoging van de belasting op consumptie. Na jaren waarin de lonen amper gegroeid zijn, is het bovendien een volkomen onnodige lastenverzwaring voor de normale burgers waar Rutte III voor zegt op te komen.

Van het tweeschijvenstelsel profiteren in eerste instantie ook lagere inkomens, maar ze gaan er wel minder op vooruit dan de hogere. Dat iedereen erop vooruitgaat betekent niet dat de ongelijkheid niet kan groeien. Tegelijkertijd betekent een tweeschijvenstelsel dat het voeren van inkomenspolitiek in de toekomst een stuk ingewikkelder wordt, waarmee de politiek zichzelf een nuttig instrument uit handen neemt. De gevolgen daarvan voor de toekomst zijn moeilijk te overzien.

Onder de streep is het lastig om de balans op te maken. Op korte termijn hoeft de ongelijkheid onder deze coalitie niet te groeien, omdat bijna iedereen meeprofiteert van de geldkraan die deze rechtse coalitie opendraait. Dat neemt niet weg dat toekomstige correcties op de inkomensverdeling die de markt produceert moeilijker worden door de invoering van een tweeschijvenstelsel. Ook blijven vermogens buiten schot, terwijl het CPB al eerder aangaf dat de vermogensongelijkheid in Nederland behoorlijk groot is. Het lijkt er dus op dat deze rechtse coalitie waarmaakt wat doorgaans van rechtse regeringen verwacht wordt: het dempen van ongelijkheid heeft geen prioriteit, zeker niet in een situatie waarin ook de onderkant (een beetje) profiteert.

> De Wiardi Beckman Stichting vroeg wetenschappers en deskundigen uit haar netwerk om een reactie op het Regeerakkoord. Lees ook de analyses, van onder anderen Flip de Kam, Marith Volp, Klara Boonstra, Rinda den Besten, Menno Hurenkamp, Bob Deen en Wim Derksen.