Het idee dat globalisering een soort natuurverschijnsel is, zit er diep in. Dat moet maar eens afgelopen zijn. De politiek heeft wel degelijk invloed op de weerslag van mondiale ontwikkelingen op nationaal niveau, en kan de spelregels van globalisering veranderen.
‘De Nederlandse linkse politieke partijen hebben nagelaten een structurele analyse te maken van globalisering. Het voorgestelde beleid in de verkiezingsprogramma’s van PvdA, SP en GroenLinks is een beperkte lijst met veelal mooie actiepunten, zonder veel samenhang en richting’. Dat schreef ik in 2007 in S&D.
Het woord ‘globalisering’ kwam zelfs niet voor in het coalitieakkoord van de regering van CDA, CU en PvdA, die 22 februari 2007 werd beëdigd. Dat was anderhalf jaar voordat de grote internationale crisis uitbrak, die zoals we weten uitliep op jaren van bezuinigen en economische stagnatie. We zijn inmiddels
tien jaar verder. Trump is president van de Verenigde Staten. De meerderheid van de Britten vroeg bij referendum om een Brexit. En in media, door internationale organisaties en door beleidsmakers wordt gesproken over een crisis van globalisering. Van vele kanten wordt gewaarschuwd voor de gevolgen van de globalisering en nationalisme.
Doodlopende ‘derde weg’
De voormalige Amerikaanse president Bill Clinton noemde globalisering ooit ‘the economic equivalent of a force of nature, like wind or water’, en premier Tony Blair waarschuwde na zijn derde verkiezingsoverwinning het Labour Party congres in Brighton: ‘I hear people say we have to stop and debate globalisation. You might as well debate whether autumn should follow summer’.
Alternative’ (TINA).
Het was de tijd waarin het IMF overwoog om in zijn statuten op te nemen dat lidmaatschap van het Fonds onverenigbaar is met enige vorm van controle op kapitaalverkeer. Maar dat voorstel werd in 1997, het jaar waarin in Azië een grote financiële crisis uitbrak, snel weer in de ijskast gestopt. En daar is het niet meer uitgekomen. Het IMF heeft sindsdien een kleine draai gemaakt over de mogelijkheid en wenselijkheid van controles op kapitaalverkeer. Het Fonds adviseert lidstaten nu desgewenst over de trade-offs bij verschillende manieren om de in- of uitstroom van kapitaalverkeer te beperken, en over de beste manier om dat te doen.
We moeten echter niet al te enthousiast worden over deze veranderingen bij het IMF. ‘Vrij kapitaalverkeer’ blijft het ideaal, het fonds veronderstelt dat landen daar langzaam naartoe zullen groeien. Maar wat de wereld nodig heeft, schrijft Rodrik, is ‘case-by-case, hardheaded pragmatism instead, recognizing that capital controls sometimes deserve a prominent place’.
Het idee dat globalisering je overkomt en een soort natuurverschijnsel is, zat (zit?) er diep in bij sociaal-democraten en bij veel andere politieke stromingen. Dat is onjuist. In de naoorlogse Bretton Woods-periode, die van 1945 tot 1973/4 liep en gekenmerkt werd door een historisch ongekend hoge groei in de rijke landen, is door alle landen het grensoverschrijdend kapitaalverkeer gereguleerd. Onafhankelijke centrale banken waren er in die tijd ook nog niet. Dat veranderde toen die lange periode met jaarlijks stijgende lonen en hoge groei vastliep, en de keynesiaanse recepten die tot dan toe soelaas hadden geboden als het minder ging met de economische conjunctuur, niet meer leken te werken.
Vanaf eind jaren zeventig vond een neoliberale contrarevolutie plaats, waardoor het functioneren van de wereldeconomie ingrijpend is veranderd.
De volgzame houding van Clinton, Blair en vele andere politici, beleidsmakers en opiniemakers tegenover de cheerleaders van globalisering en de grote belangen achter de liberalisering van markten en het kapitaal verkeer – Quiggin heeft het over ‘soft neo liberalism’
De vraag welke van deze twee benaderingen juist is, hoeft in elk geval niet meer gesteld te worden. Voor wie daar nog niet van overtuigd was laten de huidige discussies en ontwikkelingen zien dat globalisering geen fataliteit is.
Dominant kapitaal
Maar globalisering heeft toch ook veel goeds gebracht, is vaak de tegenwerping als vraagtekens geplaatst worden bij de huidige manier van globaliseren. En dat is natuurlijk ook zo. Denk aan lagere prijzen voor consumenten. Denk aan de grensoverschrijdende productieketens waarbinnen de productie van goederen en diensten tegenwoordig veel efficiënter kan worden georganiseerd. Denk aan de vele allerarmsten in opkomende landen die uit de armoede zijn gekomen doordat ze deel zijn gaan nemen aan de wereldeconomie. En denk aan de groeiende middenklasse in veel opkomende landen. Die nieuwe welvaart is wel ongelijk verdeeld, laat de inmiddels wereldberoemde olifant van econoom Branko Milanovic zien.
De middenklasse in de rijkere landen moet niet zeuren dat zij minder heeft geprofiteerd van globalisering dan arme mensen in China en andere opkomende landen, is daarop soms de reactie: die hadden nog wat goed te maken. Wie kan er tegen zijn dat de armen in de wereld het beter krijgen? Niemand toch? En het is om meerdere redenen zelfs in ons aller belang. Dat verhaal klinkt sympathiek, maar er is wel een probleem mee. Want het laat buiten beeld dat er nog een andere grote winnaar is van de globalisering van de afgelopen decennia: de factor kapitaal.
Voormalig chief economist van de Wereldbank Kaushik Basu wijst daar bijvoorbeeld op in een working paper over de veranderingen in de wereldeconomie:
‘These shifts are good for the world, since they allow poor workers, earlier kept away from the global labor market by virtue of their location and inability to get a visa to work in high-income countries, to now join the global marketplace. But, at the same time, these shifts give rise to greater inequality between the owners of capital and laborers, and the skilled and the unskilled. These shifts constitute a more serious challenge for the world than most people recognize. On the one hand, the share of income accruing to labor, especially in industrialized nations, is rapidly falling. On the other hand, the income accruing to owners of capital, those who own shares, the robots, and the patents, is rising.’
Basu is niet de enige die wijst op het afnemend aandeel in nationale inkomens van de factor arbeid. Het IMF doet onderzoek naar de oorzaken daarvan.
Het kapitaal is de afgelopen decennia zo dominant geworden in de geglobaliseerde wereldeconomie dat ook steeds meer beleidsmakers, internationale organisaties en economen pleiten voor sterkere vakbonden en andere countervailing powers.
Nog steeds en opnieuw het trilemma
Tien jaar nadat Dani Rodrik het politieke trilemma van de wereldeconomie schetste, constateert Derbyshire in een boekbespreking in de Financial Times:
‘Rodrik’s thesis has aged rather well. Indeed, if anything, the political and economic turmoil that has shaken the world’s major democracies in the 10 years since the global financial crisis shows that the trilemma is sharper and more painful than ever. It also shows that governments are no nearer coming to terms with it than they were when he first formulated it.’ Politike elites hebben ‘either tried to wish away the trilemma altogether or else sought to “make possible the impossible” by torturing terms like democracy and sovereignty into near-meaninglessness. The consequences have been predictably severe, with populists of various stripes gaining ground across the EU.’
Als voorbeeld van fatalisme over globalisering haalt Derbyshire de eerdergenoemde Tony Blair aan op een congres van zijn partij in 2005:
'The temptation is to use government to try to protect ourselves against the onslaught of globalisation by shutting it out, […] to think we protect a workforce by regulation, a company by government subsidy, an industry by tariffs. It doesn’t work today.’
De recensie eindigt met de vaststelling dat onder anderen Rodrik heeft laten zien dat ‘there are other options so long as we don’t delude ourselves that we can have it all.’
Dat wordt inmiddels in steeds bredere kring gelukkig ook onderkend. Zelfs de Conservatieve Britse premier Theresa May wil een nieuwe industriepolitiek voor het Verenigd Koninkrijk. En zij pleit voor een public interest test om bij voorgenomen overnames van bedrijven te bepalen of die wel mogen plaatsvinden, een discussie die ook in ons land hoog op de agenda staat sinds de dreigende overname van AkzoNobel.
Het bestaan van het trilemma van de mondiale economie is een feitelijke vaststelling en geen mening. Verregaande globalisering, democratie, en soevereine nationale staten kunnen niet alledrie tegelijk (zie figuur 3). We moeten kiezen, en ons bewust zijn van de afruil die bestaat tussen hyperglobalisering en de ruimte die je houdt om op nationaal niveau je eigen keuzes te blijven maken. Als een land meer nationale beleidsruimte wil, zal het grenzen moeten stellen aan grensoverschrijdende handel of aan kapitaalverkeer, zoals in de ‘gouden jaren van het kapitalisme’ na de Tweede Wereldoorlog (afgesproken in Bretton Woods) ook gebeurde tot midden jaren zeventig.
Larry Summers, ooit minister van Financiën onder Clinton en voormalig chief economist van de Wereldbank, stond bekend als cheerleader van globalisering. Hij pleit nu voor ‘responsible nationalism’.
Nationale staten en ‘global governance light’
Je kunt een uiterste binnen het trilemma kiezen: beleidsmakers en internationale instituties hadden lange tijd sterk de neiging om steeds verder in de richting van hyperglobalisering te willen gaan. Het zal in de praktijk vaak om gradaties gaan, of om een globale richting die je wil bevorderen. Zo pleit Dani Rodrik ervoor om nieuwe regels en verdragen zo te ontwerpen dat niet langer de factor kapitaal maar de factor arbeid daar beter van wordt.
Meer in het algemeen betekent de erkenning dat nationale staten niet verdwijnen of minder belangrijk worden in een globaliserende wereldeconomie, zoals nogal eens werd beweerd,
‘(W)hile some incautious defenders of neoliberal forms of globalization have prophesied the demise of the nation-state, nothing like that is happening. But what is happening with capitalist globalization is that nation-states and multi-nation-states as well are being so transformed that they are losing not just absolute sovereignty (something they probably never had anyway) but any meaningful sovereignty.’
En Rodrik constateert terecht:
‘[…] democratic governance and political communities are organized largely within nation-states, and are likely to remain so for the foreseeable future.’
Een van de conclusies die Rodrik trekt is dat het verstandig is niet zoveel mogelijk mondiaal te willen regelen en coördineren, maar in te zetten op ‘global governance light’. Voor sommigen is dat een bittere pil omdat zij iedereen in de wereld een beter leven willen helpen krijgen, en wie wil dat eigenlijk niet? Maar het getuigt van realisme. Want als de Nederlandse overheid niet allereerst voor de mensen in Nederland zorgt, zoals de Amerikaanse dat doet voor de mensen in de VS en de Franse voor de mensen in Frankrijk, wie doet dat dan wel?
We komen dan op het terrein van de universele rechten van de mens en morele en ethische keuzes. ‘Globalization of our economies does not produce globalization of our hearts and minds’, zag Michael Ignatieff tijdens zijn onderzoek in lokale gemeenschappen in verschillende delen van de wereld:
‘Even in a globalised world, local sources of moral life – our parents and siblings, our home, our place of worship, the local school, if there is one – are bound to be the primary shaping force of our ordinary virtues. In turn, the states that protect us will always exert a stronger moral influence over us than any external source, whether it be a UN agency, international NGO, or the international media. This is especially the case where the local state in question is democratic and can claim that it speaks in the name of the people.’
Waar het om gaat is hoe je nationale voorkeuren en (gepercipieerde) belangen behartigt. Gaat dat ten koste van anderen, of zoveel mogelijk samen met anderen: met zoveel mogelijk positieve en zo min mogelijk negatieve externe effecten? Ignatieff zegt het zo:
‘The question becomes how the sovereign can guarantee security and justice for its own people without extinguishing the virtues of generosity and hospitality toward desperate and defenseless people at its gates.’
Voor opkomende landen wordt inmiddels vrij algemeen erkend dat zij recht hebben op ‘policy space’, om invulling te kunnen geven aan hun ontwikkelingsproject. Rodrik pleit ervoor om in de nieuwe spel- of verkeersregels die we nodig hebben voor de mondiale economie aan alle landen dat recht te geven.
Waarom mogen van de WTO wel beschermende maatregelen genomen worden als bedrijven zich benadeeld voelen door dumping van bijvoorbeeld zonnepanelen uit China, maar niet als vakbonden klagen over sociale dumping omdat goederen die onder slechte sociale arbeidsomstandigheden zijn geproduceerd worden geïmporteerd?
Tempo en wenselijkheid van verandering
Er is, tot slot, nog een andere manier om naar de opties en trade-offs in het trilemma te kijken. In zijn veelbesproken boek The Road to Somewhere stelt David Goodhart dat de hoger opgeleide en vaak meer kosmopolitisch ingestelde anywheres (zeg zo’n 25.% van de bevolking) de afgelopen decennia vooral het tempo van globalisering bepaald hebben, terwijl de somewheres (het overgrote deel van de bevolking) zich daaraan moesten aanpassen.
Een voorbeeld. In opdracht van de minister van ontwikkelingssamenwerking en handel onderzochten onderzoekers het effect op de Nederlandse economie van zes kleine handelsverdragen die in de pijplijn zitten. De kop boven het artikel dat zij daarover in economenblad ESB schreven, stelt dapper: ‘Handelsverdragen dragen bij aan een economische groei’.