In debatten over de toekomst van de verzorgingsstaat heet het steevast dat we speelbal zijn van globalisering en Europeanisering. Een nuchtere blik op België en Nederland spreekt dat pessimistische beeld sterk tegen. De lessen uit hun beider politiek biedt handelingsperspectief om samen op te trekken, voor broodnodig nieuw Europees sociaal beleid.

De vaststelling is niet nieuw: in het verleden is al geopperd dat kleine staten over een sterk aanpassingsvermogen beschikken precies omdat ze hun kleine schaal combineren met een intens overleg tussen sociaaleconomische actoren.1 Betrokkenheid van werkgevers en vakbonden bij het beleid bevordert niet alleen een goede uitvoering van het beleid; als er de bereidheid is om te leren uit ervaringen, dan kan overleg ook de basis vormen voor aanpassingsvermogen. Het Nederlandse poldermodel is in het verleden vaak geroemd als een voorbeeld bij uitstek van deze kwaliteiten.

Het succes van het poldermodel maakte Nederland op het einde van de jaren negentig toonaangevend in debatten over het Europese sociale model. In 1997 gebruikte Nederland het voorzitterschap van de EU om de gedachte dat een goed georganiseerde verzorgingsstaat een economische troef is en geen ‘last’, als een nieuw paradigma voor heel Europa te promoten.2 Twintig jaar later is het poldermodel aan serieuze vernieuwing toe; tegelijkertijd ontwikkelt zich op het Europese toneel een nieuw sociaal debat, met name over de sociale
dimensie van de muntunie.

Mijn stelling is dat Nederland daarbij niet afzijdig mag blijven. Europese politiek en binnenlandse sociale politiek hebben meer raakvlakken dan men wel zou denken. Maar zowel Nederland als België hebben de neiging om defensief te reageren op het debat over de muntunie.

De Nederlandse arbeidsmarkt: een bewegend doel
Het Nederlandse poldermodel heeft zijn naam en faam te danken aan de omslag uit de jaren tachtig en negentig, en met name de spectaculaire toename van de werkgelegenheid in die periode. Onderhandelingen, coördinatie en consensusvorming waren daarin cruciale factoren. Nederland heeft ook een traditie van ‘grote hervormingen’; het Belgische verhaal is er altijd een van kleine stappen. De kern van het Nederlandse succes lag bij de volgehouden loonmatiging, die leidde tot een mercantiel succes dat in Europa zijn gelijke niet kent. De loonongelijkheid nam toe, en het loonaandeel in het nationaal inkomen daalde ook aanzienlijk. De koopkracht van vele gezinnen werd echter ondersteund door de forse toename van het aantal tweeverdieners; vrouwen gingen op grote schaal aan het werk in deeltijdarbeid. Op het niveau van de gezinnen bleef de inkomensongelijkheid – na een relatief belangrijke stijging in de jaren tachtig – daardoor beperkt.

Vandaag verschilt Nederland niet alleen van andere Europese landen door de omvang van deeltijdwerk. Nederland heeft een van de meest flexibele arbeidsmarkten van Noordwest-Europa. Flexibiliteit was een belangrijk politiek thema in de jaren negentig, maar ook de sociale partners manifesteerden zich uitdrukkelijk: hun Flexakkoord van 1996 legde de basis voor de in 1999 in werking getreden Wet Flexibiliteit en Zekerheid. De idee was dat er voor vast personeel meer flexibiliteit en minder zekerheid zou komen, en voor flexibel personeel minder flexibiliteit en meer zekerheid. De flexibiliteit nam een enorme vlucht, in die mate dat de sociale partners in hun Sociaal Akkoord van 2013 stelden dat de flexibiliteit doorgeschoten was.

Nederland heeft bovendien een omvangrijk segment van laagbetaalde banen, zeker in vergelijking met België. Dat was gedurende vele jaren doelbewust beleid: naast de verlaging van de officiële minimumlonen, oefenden regeringen sinds het midden van de jaren negentig druk uit om de laagste loonschalen in de cao’s te verminderen, waardoor de laagste cao-lonen nu dichter bij de minimumlonen liggen dan vroeger.

Minimumlonen voor mensen die jonger zijn dan 23 jaar liggen in Nederland traditioneel veel lager dan minimumlonen voor mensen van 23 en ouder. In België bestaat er sinds 2015 geen onderscheid meer tussen minimumlonen voor 18-jarigen en minimumlonen voor oudere werknemers. Het is dus niet verbazend dat er in Nederland een uitermate hoge werkzaamheidsgraad is bij jongeren – vaak studenten die bijklussen – terwijl deze in België zeer laag is. Het is niet zo dat laagbetaalde banen steevast leiden tot ‘werkende armen’: in vele gevallen worden ze uitgeoefend door mensen die een huishouden vormen met anderen die een beter betaalde baan hebben, en beschikt men zo over een goed gezinsinkomen. Dit wil niet zeggen dat dit model geen neveneffecten heeft; daarover dadelijk meer.

Nederland doet het beter dan België inzake armoede. Dat ligt zowel aan de hoogte van de uitkeringen als aan de verdeling van werk over gezinnen: op beide punten scoort Nederland beter. Moet België het Nederlandse arbeidsmarktmodel overnemen? Het antwoord op die vraag is niet eenvoudig, omdat we twee sociale realiteiten met elkaar vergelijken en omdat het Nederlandse arbeidsmarktbeleid een moving target is. België kan veel leren van Nederland, maar op dit ogenblik neemt de ongelijkheid aan de onderkant van de inkomensverdeling zowel toe in Nederland als in België. Ik stip kort enkele factoren aan die deze dynamiek in Nederland helpen verklaren.

Het Nederlandse arbeidsmarktbeleid was een succes, maar er zaten ook kiemen in van grotere ongelijkheid tussen de actieven. De volgehouden loonmatiging en het verlagen van de laagste loonschalen leidde tot een grotere loonspanning, omdat hogere lonen in de praktijk minder gematigd werden. In de wijze waarop arbeid gecombineerd werd in gezinnen zat enerzijds een ‘herverdelend’ effect, door de combinatie van deeltijdbanen met voltijdbanen; maar tegelijkertijd groeiden de inkomens van tweeverdieners gemiddeld sterker dan de inkomens van eenverdieners. Het resultaat was niet dat de inkomensongelijkheid sterk toenam, tenminste niet zoals die traditioneel gemeten wordt, met Gini-coëfficiënten. Maar wie onder de oppervlakte kijkt, en zoals Wiemer Salverda de aandacht toespitst op de verhouding tussen de hoogte en de laagste inkomens, ziet wel een groeiende ongelijkheid.3

Op een bepaald ogenblik speelt ongetwijfeld ook een bodemeffect: het lijkt erop dat het percentage Nederlandse gezinnen waar niemand werkt aan het einde van de jaren negentig de bodem bereikte: dat percentage was sindsdien wel gevoelig voor de conjunctuur, maar structureel lijkt het niet meer te dalen. In België en Nederland zien we nu een identiek patroon in de ontwikkeling van relatieve armoedecijfers: ze nemen stelselmatig toe, niet voor de groep gezinnen waar de volwassenen aan het werk zijn, maar wel voor de groep gezinnen waar de volwassenen zeer weinig of niet aan het werk zijn. Nederland heeft daarbij een betere uitgangspositie, omdat er minder gezinnen zijn waar de volwassenen zeer weinig aan het werk zijn, en omdat de financiële armoederisico’s van die gezinnen nog altijd lager zijn dan in België: maar de beweging gaat nu wel in dezelfde richting.

Het poldermodel is aan vernieuwing toe
Toenemende ongelijkheid tussen hoogste en laagste inkomens is niet het enige neveneffect van dit groeimodel gebaseerd op loonmatiging, toenemende loonspanning en flexibiliteit. Ik stip er enkele aan. Wie vandaag als laaggeschoolde een volwaardig inkomen nodig heeft om als enige een huishouden te ondersteunen, concurreert met een grote groep mensen die bijklussen om hun huishouden van een extra inkomen te voorzien. Dat zet druk op de maatschappelijke positie van laaggeschoolden.

Voor veel mensen is het erg interessant als zzp’er te gaan werken, voor anderen is het een terugvalpositie bij gebrek aan beter. Een groeiende groep zzp’ers is niet goed verzekerd tegen ziekte, en bouwt onvoldoende pensioen op. Cok Vrooman bracht in kaart hoe 35 jaar verandering in de sociale bescherming en arbeidsmarkt zekerheden heeft afgebouwd: ‘meedoen in onzekerheid’ treft sommige sociale groepen zwaarder dan anderen.

Ten slotte is de vraag of het op grote schaalbijklussen van studenten maatschappelijk een goede keuze is. Lex Borghans heeft daar mijns inziens terecht grote vraagtekens bij geplaatst.4 Als Nederland een toekomstgericht sociaal investeringsbeleid wil voeren, waarbij de nadruk ligt op de ontwikkeling van menselijk kapitaal, dan mogen studiekeuze en studierendement niet afhankelijk worden van de nood – of de wens – om bij te klussen.

Voor zover dit groeimodel ondanks het werkgelegenheidssucces ongelijkheid in de hand werkte, heeft dit de Nederlandse samenleving blijkbaar niet verontrust in de jaren negentig en de jaren 2000. De gemiddelde inkomensstijging zorgde ervoor dat de armoede in absolute zin daalde tussen 1994 en 2007. Daarna steeg de armoede wel, omwille van het gecombineerde effect van algemeen koopkrachtverlies en groeiende ongelijkheid aan de onderkant van de inkomensverdeling.

In zekere zin ontstaat er een vliegwieleffect. Het delen van risico’s en inkomens in gezinnen vermindert het belang van klassieke individuele beschermingsmechanismen, zoals minimumlonen en de laagste cao-schalen, en daardoor is er ook minder aandacht voor deze klassieke mechanismen.5 Het arsenaal van toeslagen dat de overheid geeft, wordt voor de minimale inkomensbescherming van gezinnen belangrijker dan de hoogte van de minimumlonen. In een samenleving waar tweeverdieners de norm bepalen, zit daar een zekere logica in. Maar die logica botst ook op limieten: de erosie van traditionele standaarden op de arbeidsmarkt leidt wel tot grotere ongelijkheid onder werkenden. Ondanks het blijvende belang van het cao-overleg in Nederland, heeft het poldermodel zijn greep op deze dynamiek verloren. De vaststelling in het Sociale Akkoord van 2013 (zeventien jaar na het Flexakkoord van 1996) dat de flexibiliteit ‘doorgeschoten’ is, getuigt daar in zekere zin van. Klara Boonstra meent daarom dat het aanpakken van misstanden aan de onderkant van de arbeidsmarkt alleen maar mogelijk zal zijn met een meer dwingend overheidsingrepen; ik kom daar dadelijk op terug.6

Flexibiliteit heeft vele gezichten: voor sommige mensen is ze welkom, voor andere mensen is ze een bron van onzekerheid. Het groeiende besef dat meer en meer mensen geconfronteerd worden met onzekerheid waar ze niet voor kiezen, is – veel meer dan ongelijkheid – wel een thema geworden in het Nederlandse beleid. Rutte II voerde in 2015 een Wet Werk en Zekerheid in, mede geïnspireerd door het Sociaal Akkoord van 2013. Rutte III kondigt opnieuw diverse maatregelen aan, waarmee naar een evenwicht gezocht wordt tussen ‘zekerheid’ en ‘flexibiliteit’ op de arbeidsmarkt. Of deze maatregelen voldoende krachtig zijn, durf ik niet zeggen. Ze illustreren wel het breed gedeelde besef dat de arbeidsmarktflexibiliteit in Nederland op een aantal vlakken te ver gaat. Maar misschien is een grondigere bezinning nodig op het onderliggende sociaaleconomische groeimodel.

Vorig jaar werd een interessante bundel opstellen gepubliceerd over de legitimiteit van het poldermodel in de 21ste eeuw. Maarten Keune concludeert daarin dat het poldermodel niet meer in de pas loopt met economie, arbeidsmarkt en politiek en aan serieuze vernieuwing toe is. De traditionele storyline dat een internationaal concurrerend bedrijfsleven gestimuleerd door loonmatiging het recept is voor een goed functionerende economie en arbeidsmarkt voldoet niet meer, aldus Keune. Ik citeer verder:

‘[Er is] meer aandacht nodig voor het stimuleren van de binnenlandse consumptie, voor het terugdraaien van de groeiende ongelijkheid en voor het aanpakken van de private schulden en de kwetsbaarheid voor schokken in het internationale financiële systeem. Ook zou er in overheidsbeleid, cao’s en op organisatieniveau meer prioriteit moeten gegeven worden aan het verhogen van baankwaliteit, productiviteit en innovatie.

De vakbonden en werkgeversorganisaties hebben een belangrijke gezamenlijke rol te spelen in zo’n heroriëntatie van beleid. Hiervoor is het wel een vereiste dat er voldoende vertrouwen tussen hen bestaat. (…) Om dit vertrouwen (…) weer te versterken en de sociale partners ruimte te geven om gezamenlijk aan upgrading te werken, zou de overheid meer duidelijkheid kunnen scheppen over wat wel en niet mogelijk is, bijvoorbeeld door in de wetgeving duidelijk vast te leggen wanneer flexibele contracten wel en niet gepast zijn, wat minimumtarieven voor zzp’ers zijn, welke vormen van arbeidsrelaties wel en niet acceptabel zijn et cetera. (…) [V]oor een krachtig corporatisme is een krachtige overheid nodig.”7

Ik zou daaraan toevoegen dat op domeinen waar de internationale concurrentie sterk is, veel gewonnen kan worden indien ‘duidelijkheid over wat wel en niet mogelijk’ is ook op het Europese niveau tot stand komt.

Keuzes voor de toekomst: een Europees debat
De Europese Unie biedt een uitstekend kader om van elkaar te leren. Een land als België kan interessante lessen trekken uit de Nederlandse ervaring, zowel uit de verschillende uitgangsposities als uit de gemeenschappelijke trends. In welke mate zou een meer flexibele arbeidsmarkt, met lagere loonkosten voor laaggeschoolde arbeid, in België meer kansen creëren voor mensen die nu niet aan het werk raken, maar zonder ‘door te schieten’ zoals in Nederland? Is het mogelijk de loonkosten van laaggeschoolden verder te verlagen, zonder hun netto inkomenspositie aan te tasten? 

Daarover is een breed en open debat wenselijk in België: op sociaal vlak zijn de Belgen soms te conservatief. Maar als het gaat om sociale innovatie kan ook Nederland leren uit ervaringen in andere Europese landen: Frank Pot wijst op onbenutte mogelijkheden inzake autonomie, werkoverleg, competentieontwikkeling en medezeggenschap in bedrijven.8

Flexibiliteit moet niet verketterd worden maar is ook geen doel op zich. Een cruciale opdracht van welvaartsstaten is zorgen voor stabiliteit: macro-economische stabiliteit, maar ook een zekere stabiliteit in het leven van mensen. De twee hangen overigens met elkaar samen. De bescherming van het inkomen van mensen die hun werk verliezen, creëert een macro-economische schokdemper, een ‘automatische stabilisator’ in het jargon van economen. De vraag hoe stabiliteit en flexibiliteit zich met elkaar verhouden, is de kern van het debat dat nu gevoerd wordt over de toekomst van de muntunie.9 

Gedurende vele jaren lag in het Europese beleidsdiscours omwille van de muntunie de klemtoon op flexibiliteit. In de Europese Werkgelegenheidsstrategie van 1997 stond het idee centraal dat de lidstaten van de muntunie flexibele arbeidsmarkten nodig hadden, en dat flexibiliteit en individuele zekerheid konden samengaan door het ontwikkelen van individuele vaardigheden en activering. Lidstaten kregen te horen dat ze hun sociaal overleg vooral moesten decentraliseren.

Wie de publicaties en verklaringen van de Europese Commissie volgt, weet dat daar vandaag een andere wind waait. De Commissie stelt nu dat de muntunie nood heeft aan ‘automatische stabilisatoren’: solidair georganiseerde schokdempers ter  ondersteuning van de lidstaten in tijden van crisis. De Commissie vindt dat de Duitse en Nederlandse lonen sterker moeten stijgen. Impliciet klinkt de boodschap dat nu stabiliteit nodig is in het aandeel van de lonen in het nationaal inkomen en dat daarom gecoördineerd loonoverleg nuttig is, eerder dan loutere decentralisatie.

In alle lidstaten zijn fatsoenlijke minimumlonen en een adequate werkloosheidsverzekering nodig, en iedere Europeaan die werkt zou toegang moeten hebben tot sociale zekerheid.10In vergelijking met het discours dat domineerde tijdens de naschokken van de financiële crisis, is dat een zeer nieuw geluid. De aanslepende crisis heeft zulke diepe wonden geslagen – denk aan de jeugdwerkloosheid in een aantal Europese landen – dat  een koerswijziging overigens niet kon uitblijven.

Deze geleidelijke verschuiving in het beleidsparadigma van de Europese Commissie blijkt uit een reeks van initiatieven, beginnend bij de lancering van het Sociale Investeringspakket in 2013 met als voorlopig hoogtepunt de plechtige proclamatie van een Europese Pijler van Sociale Rechten op de Europese top van november 2017 in Göteborg. Alhoewel die Europese Pijler van Sociale Rechten principes formuleert voor het sociale beleid in de lidstaten, is er verband met een vraagstuk dat de individuele lidstaten overstijgt. Met het oog op grotere stabiliteit, moet de muntunie in de ogen van de Europese Commissie een ‘verzekeringsunie’ te worden. Dit veronderstelt dat solidariteitsmechanismen ontworpen worden op het niveau van de eurozone, maar het veronderstelt ook dat de lidstaten voldoende vertrouwen hebben in de kwaliteit van de bestaande nationale verzekeringsmechanismen.

Iets algemener uitgedrukt: gemeenschappelijke sociale principes moeten ervoor zorgen dat de lidstaten elkaars sociale model kunnen vertrouwen. Voor alle duidelijkheid, de bedoeling is niet dat Europa de bestaande nationale verzekeringssystemen zou overnemen; daar zit men in Nederland zeker niet op te wachten, en terecht. De bedoeling is dat er Europese buffers komen om zware financiële en economische schokken beter op te vangen, zodat de nationale welvaartsstaten kunnen gedijen in een meer stabiele Europese omgeving. Gelijkvormigheid is daarbij niet de boodschap, laat staan ‘overnemen’. Wat Europa moet doen, is: te hulp komen bij zwaar weer.

Europese solidariteit: kunnen we afzijdig blijven?
Kan Nederland afzijdig blijven in dit debat over de ombouw van de muntunie tot een verzekeringsunie? In juli 2017 publiceerde de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV), de belangrijkste Haagse adviseur voor het buitenlands beleid, een interessant rapport over de verdieping en versterking van de Europese muntunie. Volgens de AIV kan Nederland zich niet veroorloven aan de zijlijn te staan als Frankrijk en Duitsland met hervormingsvoorstellen voor de eurozone komen. De AIV vindt dat Nederland voorstellen zoals een eigen begrotingsbuffer voor de eurozone, of zelfs een EU-belasting, een verhoogde afdracht aan Brussel, of de mogelijkheid om gezamenlijk
te lenen, niet kan blijven afwijzen. 

Het aanvaarden van dergelijke voorstellen vormt een prijs die door Nederland overwogen moet worden als Duitsland daarin voorgaat, mits Frankrijk en de zuidelijke lidstaten hun huis zichtbaar op orde brengen. De AIV meent dat Duitsland en Nederland een uitruil mogelijk moeten maken: ‘Ter ondersteuning van economische hervormingen in de zuidelijke eurolanden dient Nederland, samen met Duitsland, een actieve en stimulerende rol te spelen in het opzetten van onder meer investeringsprogramma’s en het aanjagen van de binnenlandse vraag door te sturen op loonontwikkeling die niet langer achter blijft bij de stijging van de arbeidsproductiviteit.’11 Dit sluit mooi aan bij de vernieuwing van het poldermodel waar Keune en zijn collega’s voor pleiten. Dit is niet verrassend. De uitdagingen waar het poldermodel voor staat, vinden we in varianten terug in andere Europese landen en het debat daarover is eigenlijk een Europees debat.

Het regeerakkoord van Rutte III staat haaks op dit advies van de AIV. Het regeerakkoord erkent dat een goed functionerende muntunie van groot belang is voor Nederland. Maar, ‘het gemeenschappelijk financieren van schulden van EU-lidstaten is ongewenst. De EU dient geen schuldengemeenschap te worden. Leidend voor het kabinet is daarom dat er geen verdere stappen in de richting van een transferunie worden gezet, ook niet door het invoeren van (vormen van) Eurobonds.’ En, ‘het kabinet is geen voorstander van een stabilisatiemechanisme (fiscal capacity) op EMU-niveau om de gevolgen van economische schokken op te vangen.’ Kortom, Nederland stelt zich niet alleen principieel zeer terughoudend op in dit debat – dat is niet verrassend – maar sluit ook uitdrukkelijk de deur voor specifieke oplossingen. Daarmee maakt Nederland het zich wel bijzonder moeilijk om een creatieve rol te spelen in Europese onderhandelingen.

Op de stelling dat stabilisering van de muntunie méér solidariteit vergt, reageert ook de Belgische regering vandaag zeer behoedzaam. Het zogenaamde ‘eurorealisme’ van de Vlaams-nationalistische regeringspartner NVA beperkt de bewegingsruimte van de regering Michel. Maar het probleem is ook in België breder dan één partij: tijdens de voorbije tien jaar is België in Europa vooral gaan verdedigen wat het land heeft, of het nu gaat over sociale verworvenheden of fiscale achterpoortjes.

Hiermee is niet gezegd dat Nederland en België geen rol spelen in sociale debatten in de Europese Unie. Beide landen waren actief bij de hervorming van de Detacheringsrichtlijn, die nu zijn beslag krijgt. Nederland en België zijn ook zeker gewonnen voor de principes die vervat zitten in de Europese Pijler van Sociale
Rechten, en voor het sociale model dat eraan ten grondslag ligt. En de Nederlandse en Belgische bewindslui zullen ongetwijfeld beamen dat de mooie principes van de Pijler omgezet moeten worden in tastbaar beleid – wat nu inderdaad een cruciale uitdaging is. Maar wanneer hieraan een vraag naar meer Europese solidariteit gekoppeld wordt, dan geven de Belgische en de Nederlandse regeringen niet thuis.

Toch zal men in de Europese Unie een nieuw evenwicht moeten vinden tussen de eigen verantwoordelijkheid van de lidstaten en solidariteit tussen de lidstaten. In de jaren negentig traden de Benelux-landen bij dergelijke vraagstukken samen op als bruggenbouwers in Europa. Dat was toen bijzonder effectief. Deze traditie is in de jaren 2000 verloren gegaan. Nochtans blijven de Nederlanders en Belgen nog steeds goed geplaatst voor die functie. De Belgen hebben meestal wel wat begrip voor de Fransen, de Nederlanders begrijpen de Duitsers. Eerder dan een defensieve rol is dan een proactieve rol nodig. En men moet correct inschatten hoe nationale vraagstukken – ook nationale sociale vraagstukken – thuishoren in een breder Europees debat.

Ik moet bekennen dat ik soms enigszins verbijsterd ben over hoe Nederlandse public intellectuals, ook ter linkerzijde, hiermee omgaan. Ewald Engelen beschreef het advies van de AIV in de Groene Amsterdammer als een ‘nieuwe coup’ van een ‘praatclub van oud-politici en andere lakeien uit de middenpartijen die vooral geselecteerd zijn op eurofilie’, en die ‘meer neoliberale hervormingen’ en ‘Europese belastingen’ voorstellen. De verschillen tussen Noord en Zuid zijn ‘simpelweg te groot’, en je moet dus niet aankomen met voorstellen voor hervormingen in het zuiden en hogere lonen in Nederland en Duitsland. De muntunie is gewoon niet levensvatbaar, aldus Engelen.12 Bij de uitzichtloosheid van dit advies kan ik alleen maar diep zuchten. Het Nederlandse publieke debat verdient beter.

Dat de politieke rechterzijde niet gelukkig is met de nieuwe geluiden uit de Europese Commissie, is begrijpelijk: de Commissie baant zich geleidelijk een weg uit een eenzijdig paradigma van besparingen en competitiviteit. Ter linkerzijde zou men zijn oordeel toch iets zorgvuldiger moeten vormen. Uiteindelijk gaat het om de vaststelling dat een muntunie ook financiële en economische verzekeringsmechanismen nodig heeft. Een schokbestendige muntunie veronderstelt convergentie op sommige domeinen, maar creëert ook een veilige ruimte die veel diversiteit toelaat. Dat is in ieders belang: ook een zeer competitieve lidstaat als Nederland heeft Europese schokdempers nodig. Nu weet ik wel dat Europa door veel Nederlanders niet ervaren wordt als iets wat bescherming of stabiliteit biedt en dat voorstellen om het beschermende karakter van de unie te versterken vaak gezien worden als in het voordeel van andere lidstaten, maar niet in het belang van Nederland. Dat laatste is een vergissing: stabiliteit is in ieders belang. Sterker, als de muntunie een echt verzekeringsmechanisme zou hebben tegen economische schokken, dan zouden ook landen als Duitsland en Nederland daar op geregelde tijdstippen zelf concrete steun door krijgen.13 Natuurlijk is het nodig dat moral hazard – roekeloos gedrag omdat men zich beschermd weet – maximaal vermeden wordt wanneer verzekeringsmechanismen opgezet worden. Het is echter perfect mogelijk verzekeringsmechanismen zo te ontwerpen dat dit risico aanzienlijk getemperd wordt.14

Op het ogenblik dat ik dit schrijf, is er enige consternatie over een sterke uitspraak van Martin Schulz, die deelname van de SPD aan een nieuwe Duitse grote coalitie motiveert met het perspectief van een ‘Verenigde Staten van Europa’. Je kan vele vraagtekens plaatsen bij het realiteitsgehalte van dit precieze voorstel, maar Schulz heeft overschot van gelijk wanneer hij van het Duitse debat – en het debat binnen zijn partij – een Europees debat maakt: opdat een partij als de SPD een toekomst zou hebben, is een ander Europa nodig. Een ander Europa is inderdaad de ‘levensverzekering’ van sociaal-democraten, zoals Schulz het samenvatte. Maar zelfs als je daar niet mee eens bent, dan nog is de toespraak van Schulz een nuttig signaal, zoals Arnout Brouwers het in de Volkskrant van 11 december stelde: ‘De EU is weer in flux en wie nu niet meepraat, loopt straks het risico in een achterhoedegevecht terecht te komen.’

Daarmee ben ik terug bij mijn uitgangspunt. De grote verschillen tussen Nederland en België illustreren dat de Europese Unie geen eenheidsworst maakt van de lidstaten. Ze zal dat ook in de toekomst niet doen. Maar het debat over onze sociale toekomst is wel een Europees debat. Kleine welvaartsstaten kunnen succesvol zijn in de Europese Unie, maar ze mogen niet ‘klein’ zijn in hun visie op de Europese Unie. De Europese Unie biedt een kader waarin we van elkaar kunnen leren: we doen dat te weinig. Maar er is meer. België en Nederland spelen vandaag in het Europese sociale debat, elk op hun eigen manier, vooral defensief. Hervormingen zijn hard nodig opdat de muntunie de lidstaten zou dienen in wat een kerntaak is van sociaal beleid: zorgen voor stabiliteit. Een defensieve koers ten aanzien van de Europese Unie is geen veilige koers, maar op termijn een riskante koers.

  • 1. Deze tekst is een bewerking van de 34ste Pacificatielezing, gehouden in Breda op 11 november 2017; ik vergelijk daarin ook de Belgische en Nederlandse sociale prestaties; zie www.pacificatielezingen.org. Ik dank academische collega’s en medewerkers van het Nederlandse ministerie van SZW, de Belgische FOD WASO, de Europese Commissie en de WBS voor kritische commentaar, maar de verantwoordelijkheid voor de tekst blijft uiteraard bij mij.
  • 2. Voor het succes van het Poldermodel, zie A. Hemerijck en J. Visser, ‘A Dutch Miracle’. Job growth, welfare reform and corporatism in the Netherlands, Amsterdam, Amsterdam University Press, 1997. In 1997 werd onder het Nederlandse EU-voorzitterschap een conferentie georganiseerd over ‘Social Policy as a Productive Factor’, waar later vaak naar verwezen is.
  • 3. Over ongelijkheid en armoede in Nederland, zie M. Kremer, M. Bovens, E. Schrijvers en R. Went (red.), Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid, Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2014, en het hoofdstuk van Salverda daarin; voor meer detail, zie W. Salverda, ‘The Netherlands: Is the Polder Model Behind the Curve with Regard to Growing Household Income Inequality?’, in: D. Vaughan- Whitehead (red.), Inequalities and the World of Work: What Role for Industrial Relations and Social Dialogue?, Geneva: International Labour Office (te verschijnen, 2017), Hoofdstuk 9, pp. 265-303. Ik verwijs ook naar C. Vrooman en J.M. Wildeboer Schut, ‘Op rozen zitten of op zwart zaad. Twee decennia inkomensongelijkheid’, in: Mens & Maatschappij, Vol. 90, No. 4, 2015, pp. 343-378. En C. Vrooman, ‘Institutionele verandering, sociale opdeling en het ongenoegen van Nederlanders’, TPEDigitaal, 2016, Jaargang 10(3), pp. 49-73.
  • 4. Zie de oratie van L. Borghans uit 2006 en, meer recent, zijn inbreng in het debat over de Nederlandse studiefinanciering (http://onderwijseconomie. org/?q=slim_bezuinigen).
  • 5. Wijzigende machtsverhoudingen tussen vakbonden en werkgeversorganisaties spelen hierin ook een rol, maar de plaats ontbreekt om dit hier uit te werken.
  • 6. K. Boonstra, ‘De invloed van het sociaal akkoord op de Nederlandse arbeidswetgeving’, in M. Keune (red.), Nog steeds een mirakel? De legitimiteit van het poldermodel in de eenentwintigste eeuw, Amsterdam University Press, 2016, pp. 197-223
  • 7. M. Keune (red.), Nog steeds een mirakel? De legitimiteit van het poldermodel in de eenentwintigste eeuw, Amsterdam University Press, 2016, p. 35.
  • 8. F. Pot, ‘Het werk van de robots redden’, S&D 2015/ 5, pp. 74-82.
  • 9. Voor een economische analyse van de trade-off tussen flexibiliteit en stabiliteit in de Eurozone, zie: P. De Grauwe en Y. Ji, ‘Booms, Busts and the Governance of the Eurozone’, in: F. Vandenbroucke, C. Barnard en G. De Baere (red.), A European Social Union after the Crisis, Cambridge: Cambridge University Press, 2017, pp. 160-191.
  • 10. Ik verwijs hierbij naar de recente discussienota van de Europese Commissie over de verdieping van de muntunie (de zgn. ‘reflection paper’) en het voorstel van de Europese Commissie voor een Europese Pijler van Sociale Rechten; dit voorstel is op de top van Göteborg aanvaard door de Raad en het Europese Parlement. Een merkwaardige illustratie van de omslag in het denken van de Commissie is de recente paper van M. Buti en A. Turrini, Overcoming wage inertia (http://voxeu.org/article/ overcoming-eurozonewage- inertia). Voor een bespreking van de samenhang tussen al deze ontwikkelingen en het nieuwe paradigma dat er aan ten grondslag ligt, zie F. Vandenbroucke, Structural convergence versus systems competition: limits to the diversity of labour market policies in the European Economic and Monetary Union, ECFIN discussion paper 065, European Commission Directorate- General for Economic and Financial Affairs, Brussel, 20 juli 2017.
  • 11. Adviesraad Internationale Vraagstukken, Is de Eurozone stormbestendig? Over verdieping en versterking van de EMU, AIV No. 105, juli 2017. De AIV is een onafhankelijk adviesorgaan onder voorzitterschap van oud-CDA-leider, minister en secretaris-generaal van de Navo Jaap de Hoop Scheffer. De raad, in 1998 bij wet ingesteld, adviseert regering en parlement over buitenlandbeleid.
  • 12. E. Engelen, ‘Een nieuwe coup’, in: De Groene Amsterdammer, 23 augustus 2017. De reactie van Coen Teulings, in NRC Handelsblad van 30 augustus 2017, dat het AIV ‘gewoon goede raad’ gaf, was dan weer een verademing.
  • 13. Dit wordt overtuigend en in detail geïllustreerd in N. Carnot, M. Kizior en G. Mourre, Fiscal stabilisation in the Euro- Area: A simulation exercise, CEB Working Paper, N° 17 / 025, Oktober 2017.
  • 14. F. Vandenbroucke, Risk Reduction, Risk Sharing and Moral Hazard: A Vaccination Metaphor, Intereconomics, Vol. 52, May / June 2017, Number 3, pp. 154-159.

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2018)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [hoofdredactie], Wiljan Linders [eindredactie] en Reinier Tromp

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl