Een WBS-ooggetuigenverslag door Pim Paulusma en René Cuperus
Afgelopen vrijdag 19 februari vond in Londen de Progressive Governance conferentie plaats. Wetenschappers, denktankers, politici en beleidsadviseurs vanuit de hele wereld reisden af naar One Great George Street om met elkaar van gedachten te wisselen over strategieën voor groei na de crisis. De line up was indrukwekkend: naast Gordon Brown, Peter Mandelson en David Miliband, de Britse ministers voor wie het natuurlijk een thuiswedstrijd was, waren ook de Zweedse oppositieleidster Mona Sahlin, de Noorse premier Jens Stoltenberg, de door de euro zeer geplaagde Griekse premier George Papandreou, de Spaanse regeringsleider Jose Zapatero en Wereldhandelsorganisatie-baas Pascal Lamy opgesteld om hun visie te geven op de weg die we moeten gaan ná de crisis. Wouter Bos zou ook van de partij zijn, maar moest afzeggen vanwege de Uruzgan-perikelen die uiteindelijk in een kabinetscrisis zouden uitmonden.
De Britse premier Gordon Brown trapte de dag af met een speech. Net als Obama keurig voorgelezen van een teleprompter, zoals het een wereldleider betaamt. Brown omschreef de economische crisis als “the first crisis of globalisation”. Globalisering heeft heel veel nieuwe kansen gecreëerd, maar minstens zoveel nieuwe risico’s en onzekerheden. De dagen van het “free market fundamentalism” zijn echter over. “Wij”, als progressieven, moeten ervoor zorgen dat deze globaliseringscrisis een keerpunt wordt. Daarom moeten we gezamenlijk handelen, om te voorkomen dat de tijden van het “unfettered capitalism” weer terugkomen: “Markets need morals”.
Zoals het een speech in bijna-verkiezingstijd betaamt, gebruikte Brown grote woorden, zo ook voor de oplossingen uit de crisis. Die moeten we namelijk zoeken in een wereldwijde hervorming van de financiële sector (“a world constitution for common regulation”), de omschakeling naar een “low-carbon economy” met “new skilled jobs”, en maar liefst twee revoluties: “a social mobility revolution” en een “digital revolution”, die van het Verenigd Koninkrijk in één klap the world leading digital economy moeten maken, door iedereen een breedband internetverbinding te geven.
Misschien nog wel grotere woorden had Brown over voor de conservatieven. Kort samengevat zijn de Conservatieven volgens Brown “out of tune with the Modern World”. Zij schoppen de ladder van sociale mobiliteit onder mensen vandaan en zorgen er met hun “narrow nationalism” voor dat het Verenigd Koninkrijk steeds meer wegdrijft van mainstream-Europa.
In de discussies en bijdrages die op de aftrap van Brown volgden, kwamen zowel strategieën aan bod om uit de economische crisis te geraken, als suggesties om de Europese sociaal-democratie uit haar electorale en ideologische neteligheden te bevrijden. Een bron van inspiratie voor een duidelijk sociaal-democratisch verhaal werd tijdens de discussies vaak gevonden in Scandinavië. Daar blijkt het zeer wel mogelijk in globaliserende tijden een kwalitatief sterke verzorgingsstaat te handhaven, terwijl de hoge belastingen die daarvoor nodig zijn, de internationale concurrentiepositie van die landen niet in de weg zit. Integendeel. De gevreesde race to the bottom blijkt dus niet onontkoombaar. De lofzang op de Nordic Countries ging op een gegeven moment zelfs zo ver dat buitenland-minister David Miliband een oproep deed of er alsjeblieft iemand iets negatiefs kon zeggen over Scandinavië. Dat bleek moeilijk. De Nordics werden namelijk goed vertegenwoordigd in de panels.
Jonas Gahr Støre, minister van Buitenlandse Zaken van Noorwegen, betoogde dat het voor de kwaliteit van een samenleving essentieel is dat ongelijkheden op alle niveaus niet te groot zijn: Equality is efficient. Daarnaast moet de staat selectief en strategisch opereren. Sterke, representatieve vakbonden spelen in Noorwegen daarbij een belangrijke rol: door daar betrouwbare middellange termijn allianties mee te bouwen, kan sociaal en flexibel op verandering worden ingespeeld. Niet BNP-groei, maar welvaart in een brede zin is daarbij het doel.
Het belang van het bouwen van progressieve coalities werd benadrukt door Mona Sahlin, de leidster van de Zweedse sociaal-democraten. De komende verkiezingen in september 2010 zullen ze ingaan als rood-groene coalitie: samen met de groenen en de Linkspartij hebben de sociaal-democraten één gemeenschappelijk coalitieprogram. De sociaal-democraten brengen hun ervaring van een sterke arbeidsgeoriënteerde verzorgingstaat in; de groenen hun ideeën voor een ecologische transitie en de Linkspartij een libertair vrijheidsbegrip: een ideaal elkaar aanvullende progressieve combinatie, aldus Sahlin, de beoogd rood-groene premier. Het initiatief voor deze samenbundeling kwam vooral vanuit de jonge en vrouwelijke leden van de partijen en het zal volgens de recente peilingen leiden tot een verkiezingsoverwinning.
De laatste sessie van de conferentie bestond uit speeches van progressieve premiers. Achtereenvolgens gebruikten Papandreou uit Griekenland, Stoltenberg uit Noorwegen en Zapatero uit Spanje een aanzienlijk deel van hun speech om Gordon Brown de hemel in te prijzen als dé leider die de wereld door de crisis heeft geleid en voor erger heeft behoed. Zapatero ging zelfs zo ver door te stellen dat in de historische analyses die ooit gemaakt zullen gaan worden van de crisis, Gordon Brown als onbetwiste leider de boeken in zal gaan. Een verhaal dus over Gordon Brown als redder van de wereld. Het valt alleen te betwijfelen of dit verhaal ook maar enigszins aansluit op de beleving van het Britse electoraat.
John McTernan, voormalig politiek secretaris van Blair, wist deze kortsluiting goed te verwoorden. Onze visie sluit vaak helemaal niet aan op de beleving van onze achterban. We roepen allemaal heel rationeel dat we naar een low carbon economy toe moeten, maar waarom zou onze achterban willen betalen voor vervuiling die vooral in China plaatsvindt? En wat heeft onze achterban aan globale regulering en aan het concept van een digitale kenniseconomie? Is dat niet eerder iets wat ze schrik aanjaagt, dan dat men er een uitdagende toekomst in kan ontdekken?
Goede toekomstverhalen zijn dus zeker belangrijk. Maar misschien nog wel belangrijker is het vertelperspectief. Verhalen over klimaatverandering, new skilled jobs, comparative advantages en hervormingen van het financiële systeem. Die verhalen zijn echter ver-van-het-bed-show-verhalen vanuit de wereld van de internationale beleidsmakers van WTO en OESO, maar vragen, op zijn minst, om een vertaling en hertaling op het niveau van de belevingswereld van onze achterban. Ze moeten worden verteld vanuit het perspectief van onze achterban, niet vanuit het perspectief van de beleidsmakers.
Laat dat nu precies het oogmerk zijn van The Amsterdam Process, het nieuwe transnationale heroriëntatieproject voor de Europese sociaal-democratie, dat geleid wordt door de Britse internationale denktank Policy Network en de Wiardi Beckman Stichting. Niet louter van bovenaf macrobeleidsanalyses maken en trickle down beleid laten neerdalen, maar dit radicaal verbinden met de alledaagse “narratieve” belevingswereld van mensen en van professionals. Alleen op basis van die verbinding kunnen we opnieuw een echt vertrouwenwekkend sociaal-democratisch verhaal maken en vertellen.
Pim Paulusma en René Cuperus, medewerkers van de Wiardi Beckman Stichting
Downloaden nee
