Waar moet het heen met de woningcorporaties? Negatieve berichtgeving over exorbitante salarisstijgingen, gebrekkig toezicht en een haperende aanpak van de Vogelaarwijken hebben de laatste tijd het beeld over de woningcorporaties bepaald. Het actuele debat is echter niet te begrijpen zonder een blik te werpen op de historie van de corporaties. Wie kent nog de rijke maatschappelijke tradities van de woningcorporaties? Wat zeggen deze tradities over de huidige problematiek? In hoeverre mag nog van woningcorporaties een bijdrage worden verwacht in het opknappen van wijken en het verbeteren van de leefomgeving? Over deze vragen werd gesproken tijdens een bijeenkomst van de werkgroep geschiedenis van de Wiardi Beckman Stichting.
Waar kon deze bijeenkomst beter plaatsvinden dan in Almere, dé groeistad van Nederland? Wethouder Adri Duivesteijn zat de bijeenkomst voor. Hij kon het natuurlijk niet laten om vol enthousiasme over zijn bouwplannen voor Almere te spreken. Maar voor het zover was, kwamen eerst de drie genodigde sprekers aan het woord.
VU-historicus Wouter Beekers beet het spits af. Hij had de taak een algemene introductie te geven op het historische spanningsveld van woningcorporaties temidden van publieke taken en private belangen. Dit verhaal laat zich volgens Beekers samenvatten in de driehoek staat, markt en maatschappij. Woningcorporaties hebben van meet af aan moeten opereren in een spanningsveld tussen deze drie pijlers. Actieve overheidsbemoeienis met de volkshuisvesting had zijn oorsprong in de woningwet van 1901. Door deze woningwet kwamen allerlei nieuwe corporaties tot stand die mochten ingrijpen in de maatschappij, maar werden gecontroleerd door de staat. Punt van discussie bleef de vraag hoe ver de invloed van de staat bij de corporaties moest reiken. Anders dan de meeste historici constateert Beekers al vanaf het begin van de twintigste eeuw een ontwikkeling van verstatelijking. Na de Tweede Wereldoorlog nam de overheidsbemoeienis hand over hand toe om in de jaren zestig tot een hoogtepunt te komen. Sindsdien heeft zich een proces van vermarkting ingezet. De overheid heeft haar invloed aan de markt uit handen gegeven.
De geschiedenis van de woningcorporaties overziend, vermoedt Beekers dat deze ontwikkeling nu ook zijn hoogtepunt bereikt heeft. In zijn driehoek is er dan nog één pijler over: de maatschappij. De toekomst van de woningcorporaties ligt volgens Beekers in een proces van vermaatschappelijking. Bewoners moeten weer betrokken raken bij een woningcorporatie die in de maatschappij geworteld is. Deze maatschappelijke verankering is hun enige bestaansrecht, of zoals Beekers het met een knipoog uitdrukt: ‘De sector moet maatschappelijk zijn of zij zal niet zijn’.
Dit heldere betoog werd door Jos van der Lans, onderzoeksjournalist en oud-Eerste Kamerlid voor GroenLinks, kleurrijk aangevuld met een verhaal over de opkomst en ondergang van de Algemene Woningbouw Vereniging. De geschiedenis van deze Amsterdamse corporatie - de grootste ooit van socialistische snit - illustreert de diepe verbondenheid tussen de sociaal-democratie en de woningcorporaties. Verheffing en emancipatie, daar draaide het in de kern om. Met een eigen woning konden arbeiders deel hebben aan de kwaliteit van het bestaan: volkshuisvesting als klassenstrijd. De esthetiek van deze woningen was daarbij niet minder van belang. Integendeel, ook arbeiders hadden recht op architectonische hoogstandjes. In 1980 was de AWV nog de grootste corporatie, maar daarna draaide ze niet mee in de elkaar snel opvolgende markt- en vastgoedontwikkelingen. De AWV bleef klassiek socialistisch en moest uiteindelijk vorig jaar fuseren met ‘Het Oosten’ tot de Amsterdamse corporatie Stadgenoot.
Het voorbeeld van de AWV deed voor de toehoorders welhaast nostalgisch aan: de goede oude tijd. Maar waar staan we nu? Is er nog een corporatie denkbaar die zich het lot van de onderklasse aantrekt? Deze vragen kwamen aan het eind van Van der Lans’ betoog in vogelvlucht aan de orde. De negatieve trends van de afgelopen jaren zijn helder. Om enkele te noemen: van leden naar huurders, van zelforganisatie naar vastgoedbeheer, van emancipatie naar consumentisme, van voorzitters naar managers en van bezieling naar beheersing. Tot overmaat van ramp is het ook nog eens de SP die met het kleurrijke erfgoed van de socialistische woningcorporaties aan de haal gaat. Maar het tij kan nog gekeerd worden door de sociaal-democraten. De PvdA-ers zijn immers getalsmatig dominant in corporatieland, zo licht Van der Lans toe. Er moet weer een visie ontvouwd worden, te beginnen bij het herdefiniëren van solidariteit. Het uitgangspunt moet zijn dat kwetsbaren in de samenleving een mooie plek wordt gegund. In de huidige context zou dit bijvoorbeeld kunnen worden vertaald naar een praktijk van ‘huren als aandelen’. Dit soort vernieuwende ideeën, daar zit de in het slop geraakte huurmarkt volgens Van der Lans op te wachten. En met het elan van Wibaut, niet te vergeten.
Tot slot was het woord aan bestuurskundige Leo Gerrichhauzen. Hij reflecteerde op de voorgaande betogen vanuit zijn dagelijkse praktijk als adviseur van woningcorporaties en overheidsorganisaties rondom woonbeleid. Gerrichhauzen wist de vele betrokkenen in de zaal gerust te stellen: ook in de 21e eeuw zijn er corporaties nodig, maar wel met een andere rol en betekenis. Corporaties presteren veel beter dan de berichtgeving in de media doet vermoeden. De vermaatschappelijking waar Beekers om vroeg komt volgens Gerrichhauzen al op gang. 90% van de woningen wordt passend toegewezen. Er is alleen op dit moment veel verwarring in de sector. Gerrichhauzen schetst het ingewikkelde speelveld waarin corporaties zich tegenwoordig bevinden. De overheid wordt voor de aanpak van de Vogelaarwijken bijvoorbeeld door de EU op de vingers getikt. De vele extra miljoenen voor de corporaties zouden immers een ongeoorloofde vorm van staatssteun zijn. Volgens Gerrichhauzen is er echter voor de overheid voldoende speelruimte om de sector aan te sturen. Anders dan Van der Lans, legt Gerrichhauzen niet de nadruk op het formuleren van een ideologische visie, maar op het formuleren van een visie op de vele miljarden surplus die bij de woningcorporaties aanwezig zijn.
Naar mijn mening gaat Gerrichhauzen helaas op dit punt te veel mee met de economenlobby, terwijl het voor de toekomst van de PvdA juist van cruciaal belang is dat er een fundamentele visie op deze problematiek geformuleerd wordt. Zo’n visie geldt niet alleen de woningcorporaties – die kan hier als pars pro toto worden aangezien, zoals iemand uit het publiek opmerkte – maar de publieke sector in het geheel. Hoe gaan de sociaal-democraten organiseren? Uit het afsluitende debat bleek dat velen de oplossing bij de lokale overheid zochten. Is de lokale setting de nieuwe machine voor de publieke vormgeving? Daar zullen de PvdA-leden zich op het congres van 12 december aanstaande over buigen. Een historische voorzet is vandaag gegeven.
Ilse Raaijmakers
Verslag bijeenkomst Werkgroep Geschiedenis
13 november 2009 te Almere
Downloaden nee
