VAN WAARDE

Sociaal-democratie voor de 21ste eeuw

Monika Sie Dhian Ho
Print versie

Dubbele vervreemding

Esther

Esther Kortenhoff is ergotherapeut in het oosten van het land. Toen we haar spraken had ze juist een vakantie naar Brazilië geboekt. Dat je weer iets hebt om naartoe te leven, even weg met partner en vrienden, lekker naar de zon. Daar wordt ze blij van. Ze dacht dat reizen buiten Europa niets voor haar was, maar sinds ze dat een keer heeft gedaan blijft het prikkelen en probeert ze eens in de twee jaar wat verder en ook wat langer weg te gaan.

 

Esther houdt van haar vak en gaat met plezier naar de revalidatiekliniek waar ze werkt. Ze is gefascineerd door de manier waarop hersenen werken. Wat een kleine verandering in je hoofd allemaal teweeg kan brengen in je leven. Ergotherapie is heel praktisch. Samen koken met mensen, samen met de bus reizen als ze dat weer willen. Bereiken dat mensen weer dingen kunnen doen die ze niet meer konden doen, en dat ze daar gelukkig van worden, daar wordt Esther ook gelukkig van. Kortgeleden heeft ze een presentatie gegeven op een congres. Over een nieuwe behandelmethode van mensen met waarnemingsstoornissen. Ze is er erg enthousiast over. Deze methode is nog niet zo bekend in Nederland, maar Esther heeft drie jaar geleden al een cursus gevolgd, in een kliniek in Zwitserland. Ze had behoorlijk tegen de presentatie opgezien, maar achteraf vond ze het fijn om te doen. Ze kreeg veel leuke reacties, over de manier waarop ze contact legde met het publiek en zo.

Esther heeft het de laatste jaren thuis niet makkelijk gehad. Toen ze veertien was is haar oudste broer aan een zeldzame vorm van lymfeklierkanker overleden. Hij was zevenentwintig. In de zomer van 2003 kreeg haar gezin te horen dat hij ziek was. Hij heeft chemokuren gehad, maar in juni 2004 volgde de diagnose ongeneeslijk ziek. Hij is in augustus nog getrouwd met zijn vriendin, ze waren al twaalf jaar samen. In november is hij overleden, dat ging heel snel. Ook al weet je dat hij ongeneeslijk ziek is, je denkt toch dat hij niet dood gaat. Totdat hij dood is. Dat werkt blijkbaar zo. Zijn dood heeft een grote impact gehad op het gezin. Totdat haar broer overleed gingen ze elke zondag twee keer naar de kerk. Daar hadden de kinderen een grote hekel aan, maar haar vader vond dat het moest. Door de dood van haar broer is hij heel erg teleurgesteld in het geloof. Hij had niet verwacht dat God hem zijn zoon zou afnemen. Sinds het overlijden van haar broer is Esther niet meer in de kerk geweest. Ze heeft niks op de kerk tegen, maar voelt er ook weinig meer voor. Ze ging naar de kerk en catechisatie omdat haar vader dat wilde, maar eigenlijk vindt ze dat je er zelf en met mensen onderling wat van moet maken. Esther is zich een beetje af gaan zetten tegen thuis. Ze is voor haar havo-eindexamen gezakt. Maar vervolgens heeft ze in de avonduren alsnog haar diploma gehaald. En toen is ze naar de opleiding ergotherapie gegaan, in Amsterdam.

De laatste maanden waren er op het werk van Esther veel reorganisaties. Teams zijn gesplitst terwijl lang niet iedereen dat wilde. Er is een nieuw gebouw gekomen waarvan niet duidelijk is of het beter is. Je moet weten, mensen met hersenletsel functioneren het beste in een vertrouwde omgeving. Als je koffie met ze gaat zetten om te kijken of ze dat nog kunnen, dan probeer je dat met een apparaat te doen dat lijkt op het ding dat thuis staat. En nu staat er allemaal horeca-apparatuur. Esther moet zelf al uitzoeken hoe dat werkt, laat staan dat iemand met hersenletsel het begrijpt. Alles lijkt op elkaar in het nieuwe gebouw, mensen kunnen vaak de weg niet meer vinden. Allemaal van dat soort dingetjes. Mensen met hersenletsel zijn vaak overprikkeld, dus ze hebben last van geluid en licht. Maar in het nieuwe gebouw branden de hele dag felle lampen, die je zelf niet uit kan zetten, want ze werken alleen op een sensor. En als je in een kamer aan het werk bent met iemand, hoor je constant anderen voorbijlopen. Je hoort de hakken. Ze hebben een architect gekozen die van gebouwen houdt maar geen verstand heeft van zorg en van de doelgroep. Er mocht eerst ook niks opgehangen worden, nog geen klok, omdat de architect dat niet wilde. Want er zouden nog allemaal mensen langskomen, voor prijsuitreikingen en van alles en nog wat. Dan zat Esther net met een revalidant in een ruimte, waar dan al die mensen op hakken doorheen kwamen lopen, en maar ‘oh’ en ‘mooi’ roepen. Op het moment dat dit allemaal speelde, had ze het gevoel dat er helemaal niet naar haar werd geluisterd. En dat terwijl zij en haar team behoorlijk wat hebben opgebouwd. Ze hebben vaker moeten verhuizen, en dan werkten ze altijd zo goed samen dat ze als voorlopers, als proefkonijnen, werden ingezet.

Esther vindt haar werk echt heel leuk, maar over dat gebouw, daar had ze zo de p over in dat ze wel eens thuiskwam en een potje heeft zitten huilen. Zij en haar collega’s zitten er voor de mensen, maar je kunt zo je werk niet uitvoeren. Een reorganisatie mochten ze het niet noemen, want dan zouden ze mee mogen praten. Ze hebben wel een brief geschreven naar de ondernemingsraad, maar die kon ook niet veel doen. Het was gewoon niet duidelijk waarom dit allemaal moest. Esther heeft zich heel machteloos gevoeld, omdat zij het gevoel had dat zij en haar teamleden weten wat goed is voor de revalidanten, maar niet werden gehoord. Ze dacht: nou ja, dan doen wij het allemaal zo goed, en krijgen we dit… Stank voor dank, zo voelde het.

De directeur heeft het allemaal bedacht. Ze hebben hem daar wel een brief over geschreven. Maar daar hoorden ze niets meer van. Esther heeft ook niet meer de behoefte om hier een voortrekker in te zijn, omdat ze het er niet meer zonder emotie over kan hebben. Ze heeft het gevoel dat alles al besloten is, dat het allemaal zo blijft. Ze heeft bewust gekozen zich er niet meer mee te bemoeien, om bepaalde dingen niet meer te doen, om de frustratie te beperken. Ze houdt het nu klein voor zichzelf. Zodra ze zich meer met de organisatie gaat bemoeien, wordt ze er ongelukkig van. En ze wil gelukkig zijn.

Vrijheid

Het verhaal van Esther gaat over heel het leven, maar er zitten op z’n minst ook twee vertellingen in over vrijheid. Eén verhaal gaat over de grote vrijheid die Esther in haar privédomein heeft weten te realiseren. Over de verhouding die ze heeft gevonden tot haar ouderlijk huis en het geloof, en over de mogelijkheden die ze zichzelf heeft verschaft om het goed te hebben met haar partner en vrienden, rond haar mooi opgeknapte huis, en op de verre vakanties waar ze voor spaart en waar ze telkens zo naar toeleeft.

Maar er zit ook een andere vertelling over vrijheid in, of eigenlijk juist het gebrek daaraan. Het is treffend hoe competent Esther is in haar werk, maar hoe weinig greep ze desalniettemin heeft op haar werkomstandigheden. Hoe ze geprobeerd heeft die zeggenschap wel te verwerven, maar daarin niet is geslaagd. Als reactie daarop heeft ze bewust haar leven verkleind en is ze zich gaan richten op de inzet voor de individuele revalidanten die ze begeleidt, de wereld van haar partner en vrienden, op de aanstaande reis naar Brazilië. ‘Ik hou het voortaan klein voor mezelf, want ik wil gelukkig zijn.’

Vergelijkbare verhalen hoorden we van collega’s van Esther. Een van die gesprekken had nog een venijnig staartje, overigens verstopt in een aardig bedoelde vraag. Na afloop van bijna twee uur praten, zei een collega van Esther dat ze eigenlijk nog nooit het hele verhaal over de reorganisatie achter elkaar aan iemand had verteld. Dat ze het prettig had gevonden om dat wel een keer te doen. Maar, zo vroeg ze zich af: ‘Hebben jullie hier eigenlijk iets aan?’

Deze vraag, ‘hebben jullie hier eigenlijk iets aan?’ is in feite een pijnlijke diagnose van een dubbele vervreemding. Van de politiek die vervreemd is geraakt van de ervaringswereld van mensen. En van mensen die vervreemd zijn geraakt van de politiek. In de gesprekken met Esther en haar collega’s realiseerden we ons hoe weinig mensen zich ervan bewust zijn dat hun persoonlijke frustraties een publieke dimensie hebben, en dat hun problemen vragen om gemeenschappelijke actie om ze bij de wortel aan te pakken. En hoezeer politieke partijen vandaag de dag tekortschieten in het verbinden van de persoonlijke levenssfeer met het publieke domein, van de dagelijkse verzuchtingen en dromen van mensen met politieke strijd en idealen. Wat we zien is dat het vermogen van mensen om persoonlijke problemen te vertalen in publieke issues en politieke oplossingen onder de kritieke grens is gezakt. Men lijkt het vertrouwen kwijt dat ‘de politiek ertoe doet’, dat zij het verschil zou kunnen maken bij de oplossing van individueel ervaren problemen. Of dat krachtenbundeling, bijvoorbeeld via de vakbeweging, een oplossing zou kunnen bieden. Eerder vlucht men in het individuele: ‘Ik hou het voortaan klein voor mezelf, want ik wil gelukkig zijn.’

Door dat politieke onvermogen en die politieke vervreemding zijn we onvoldoende bij machte om harde economische, bureaucratische en maatschappelijke ontwikkelingen en gevestigde machten van politiek tegenwicht te voorzien. Mensen zijn verleerd gezamenlijk een vuist te maken om de koers te verleggen in een richting die meer recht doet aan gedeelde waarden. Als gevolg dreigen we door de vloer te zakken waar het om een aantal kernwaarden gaat, die ons allen dierbaar zijn. De kernwaarde van zeggenschap op je werk en kwaliteit van je werk uit het verhaal van Esther is daar een aansprekend voorbeeld van. Maar onderzoek laat zien dat mensen zich ook grote zorgen maken over het gebrek aan basiszekerheden in de toekomst, zoals economische bestaanszekerheid, veiligheid en gezondheidszorg; en over de manier waarop we met elkaar samenleven. Het gevoel heerst dat het op deze terreinen steeds slechter gaat en dat we daar in wezen niets aan kunnen doen. Van de politiek wordt in dit kader nog maar weinig verwacht.

Greep op het leven

Met name sociaal-democratische politieke partijen zouden zich dit ernstig moeten aantrekken. Van oudsher vertegenwoordigen zij immers het streven naar lotsverbetering via samenwerking. Juist zij hebben aan verschillende generaties en miljoenen mensen greep op het leven en de toekomst geboden door solidariteit tussen individuen te organiseren. Zij zijn samen met de vakbeweging voor al deze mensen een breekijzer geweest om zich te bevrijden uit beknelling en bestaansonzekerheid, door tegenmacht te vormen en zo gezamenlijk invloed uit te oefenen op de maatschappelijke ontwikkelingen, door de strijd aan te gaan.

 

Beteugelen en breidelen, dat is wat de sociaal-democratie altijd heeft gedaan ten aanzien van die maatschappelijke en economische dynamiek. Niet onversneden progressief dus, noch across the board conservatief, maar gedreven door een waarden-geladen vooruitgangsidee. Het socialisme ontstond in de negentiende eeuw als reactie op het liberalisme in de praktijk, en als kritiek op de ingrijpende economische en maatschappelijke dynamieken in die tijd: het kapitalisme en de modernisering.

Beteugelen in de richting van gemeenschappelijke waarden. Dat is de opstelling geweest in reactie op de modernisering van de samenleving die sinds de Verlichting in een versnelling was geraakt. ‘Constructief verzet’, heeft Paul Kalma die opstelling genoemd: een streven om het moderniseringsproces dat door technologische en economische ontwikkelingen wordt voortgedreven, in goede banen te leiden. Door weerwerk te bieden tegen de amorele hardheid van economie en techniek, zoals Piet de Rooy het mooi verwoordde. Door zich te verzetten tegen een samenleving die bepaald wordt door markt, geld en ongecontroleerde machtsuitoefening, en door hier een ethisch geïnspireerd ideaal tegenover te stellen. En een streven om mensen door gemeenschappelijk optreden en gemeenschappelijke arrangementen greep te geven op de schijnbaar anonieme structuren en processen die de modernisering met zich meebracht.

Bijsturen in de goede richting is ook de strategie die de sociaal-democratie heeft gekozen ten opzichte van de dynamiek van het kapitalisme. Historisch is dit overigens met harde politieke (klassen)strijd gepaard gegaan, tegen uitbuiting en achterstelling, en voor gelijke rechten en kansen. Maar waar het socialisme aanvankelijk een utopisch ideaal voor ogen stond, namelijk een volledig andere samenleving dan de bestaande liberaal-kapitalistische, kozen de sociaal-democratische bewegingen ervoor gebruik te maken van de productieve kracht van het kapitalisme en tegelijkertijd de kapitalistische dynamiek te breidelen in de richting van gemeenschappelijke waarden.

 

We onderscheiden hier vier waarden die centraal hebben gestaan in dat sociaal-democratische streven. Ten eerste bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil voor iedereen, door vrijwaring van uitbuiting en bescherming tegen de crisisgevoeligheid van het kapitalisme. Vervolgens verheffing, door gelijke kansen op een leven in vrijheid in materiële en culturele zin, en het nastreven van maatschappelijke bloei. Dan goed werk voor iedereen, de mogelijkheid om je in je werk, naast je werk, en via je werk te ontplooien. Door kwaliteit van de arbeid permanent te bevechten op het streven naar winst op korte termijn. En ten slotte binding, de mogelijkheid voor mensen om die gemeenschappen te vormen die het leven ondersteunen en waar zij naar verlangen, tegen de trends in die individuen op zichzelf terugwerpen en maatschappelijke tegenstellingen aanscherpen. Om samenhang tussen mensen na te streven tegen de fragmentering in, de boel bij elkaar te brengen en houden, en samen strijd te voeren voor wat ons lief is.

Waar het om draait is dat we de mensen weer die greep op het leven geven die de sociaal-democratie aan de vorige generaties heeft weten te bieden. En politiek is er, moet er zijn, om dat mogelijk te maken. Want rond de wisseling van de twintigste naar de eenentwintigste eeuw gaan we wederom door een kritieke overgangstijd. En is er sprake van een nieuwe moderniseringsspurt, en van een nieuwe fase van het kapitalisme, die tezamen welhaast even grote veranderingen teweegbrengen als in de begintijd van het socialisme. Grote transformaties voltrekken zich in de economie, in de staat, en in de intermenselijke relaties, met ingrijpende gevolgen voor bovenbeschreven waarden: bestaanszekerheid, verheffing, goed werk en binding. Dat geldt zeker voor Nederland, maar ons land is geen eiland noch een uitzondering.

Die transformaties lijken de vorm aan te nemen van ontwikkelingen ‘achter onze rug om’ die we niet ter discussie kunnen stellen en waarvan we de gevolgen steeds minder kunnen ontlopen. De mondialisering en financialisering van de economie, de technologische ontwikkelingen, en de dominantie van het Angelsaksische bedrijfsmodel dat gericht is op kortetermijnwinsten. Met als consequentie een herverdeling van kansen voor individuen, groepen, regio’s en landen; een grotere instabiliteit van de economie; een afwenteling van risico’s en kosten op werkenden; en een toenemende ongelijkheid in de wereld. Een Europese Unie die verstrikt is geraakt in haar ambities om tegelijkertijd jonge democratieën uit Zuid- en Oost-Europa te laten toetreden, een monetaire unie op te richten, en de financiële sector ruim baan te geven. Met als gevolg een diepe eurocrisis en recessie, genadeloze bezuinigingen, snel oplopende werkloosheid en een integratie van de kleine stapjes die plaats lijkt te maken voor een federalisering van de wanhoop. Een publieke sector waarin zogenaamde efficiencyoverwegingen, prestigeprojecten en foute managementmethoden te vaak domineren over overwegingen die de kerntaken van instellingen betreffen, zoals goede zorg voor mensen met hersenletsel in het geval van Esther. Het is alsof we steeds meer gevangen zitten in een wereld van markten en bureaucratieën, die ons keuzes en realiteiten opdringen. Nieuwe blitse gebouwen, almaar slechtere arbeidscontracten, gekmakende formulieren, leven te midden van vreemden, je niet gezien weten, uren schrijven, en altijd tijd te kort. Wie of wat heeft ons het leven uit handen genomen en hoe krijgen we de greep daarop terug?

Maar we hebben het in Nederland toch goed voor elkaar, althans de meesten van ons? We hebben ons ontworsteld aan al te verstikkende sociale en religieuze verbanden. Vrouwen hebben zich kunnen emanciperen en kunnen zich steeds meer ontplooien via werk. We gaan langer naar school, hebben meer geld te besteden aan steeds geweldiger consumptiegoederen, en bereiken eerbiedwaardige leeftijden. We hebben een steeds groter privédomein bevochten waarbinnen we, ongestoord door anderen, kunnen doen waar we zin in hebben.

En toch zanikt er iets, want onze invloed op wat wij van waarde vinden is afgenomen. Op belangrijke zekerheden in ons leven, op onze arbeidsomstandigheden, op onze loopbanen, op de manier waarop wij samenleven, en op de bindingen die ons dierbaar zijn. Nog niet zo lang geleden was de gedachte dat bestaanszekerheid in Nederland geen thema meer was, omdat iedereen immers een inkomen of een mooie uitkering had; was de gedachte dat iedereen wel min of meer tevreden was met zijn werk, omdat we toch allemaal leuke dingen in de kenniseconomie deden; meenden we ook dat meer gemeenschap dan de zelfgekozen omgeving conservatieve ballast was, dat binding iets voor de Veluwe was; veronderstelden we dat bemoeienis met hoe mensen zich ontwikkelen geen cultuur maar dwang was; en ten slotte ook dat nationale politiek misschien niet zo veel meer voorstelde, maar dat we via Europees of zelfs mondiaal beleid nog betekenisvol konden sturen. Nederland was eigenlijk zo'n beetje af, klaar, en wat er nog niet klopte kon door wat draaien aan de bestuurlijke knoppen te lijf gegaan worden. Achtereenvolgende crises, in de culturele verhoudingen, in de politieke verhoudingen, in de financiële verhoudingen, in de Europese verhoudingen, maakten duidelijk dat 'klaar' het woord niet was dat bij Nederland hoorde. Er is tegenwicht nodig.

Tegenwicht

Tegenwicht veronderstelt dat politiek weer wordt wat het hoort te zijn, namelijk een middel in handen van de mensen om hun leven te sturen, om samen vorm te geven aan de toekomst, en de kwaliteit van hun leven en samenleven veilig te stellen. Daar is het ons met Van waarde om te doen. Aan energie voor zo’n type politiek ontbreekt het niet in Nederland en Europa, maar die krachten verdienen een betere bundeling. Aan de ene kant neemt die energie de vorm aan van ‘gepersonaliseerde politiek’, in de woorden van de Amerikaanse socioloog Paul Lichterman in Searching for Political Community. Mensen identificeren zich met een specifieke zaak, en zetten zich in om een goed doel te realiseren of een bepaalde bedreiging te keren. Neem Serious Request, de actie van de vastende 3FM-dj’s die elk jaar weer een enorm engagement lostrekt op scholen, kantoren, ja hele dorpen, voor kinderen in Afrika. Of denk aan allerlei lokale milieuactiegroepen en vrijwilligersinitiatieven in de buurt. Deze manifestaties van geïndividualiseerd burgerschap maken onderdeel uit van een sterke trend naar de ‘do it yourself-samenleving’, zo analyseert WBS-collega René Cuperus. Veel mensen hebben het met top-down gezag helemaal gehad. Men voelt zich niet thuis in hiërarchische, bureaucratische door procedures geregeerde organisatievormen en organiseert zichzelf. Mensen hunkeren naar inspirerende

samenwerking op menselijke maat en vormen voor korte of langere tijd lichte gemeenschappen en netwerken. In dezelfde netwerksamenleving echter voelen nogal wat mensen zich onbeschermd en in de steek gelaten. Hun betrokkenheid op de samenleving kan dan de vorm aannemen van maatschappelijke onvrede, door een aantal van hen geuit via steun aan populistische partijen of een roep om sterk leiderschap.

 

Enige tijd leek de politiek verworden tot een theater waarin politici naar beste vermogen hun rol spelen. De democratie leek verworden tot een dramademocratie, de naam die Mark Elchardus gaf aan een politiek systeem waarin burgers niet meer worden vertegenwoordigd. Maar de geëngageerden uit de doe-het-zelf-samenleving en de boze burgers die de populistische bewegingen dragen, leggen zich niet langer bij deze passieve toeschouwersrol neer. Zoals Marc Chavannes het schrijft in zijn boek Niemand regeert: ‘Cynisme is moe. Mensen zijn 'fired up and ready to go'. Ook in Nederland.’ Ad-hoc initiatieven leiden tot indrukwekkende incidentele of lokale resultaten. Maar het ontbreekt nog aan moderne vormen van binding die deze politieke energie kunnen bundelen en richten tot effectief en duurzaam tegenwicht. Tot het type samenhangende en duurzame politiek dat nodig is om vergelijkbare goede doelen in een breder kader te plaatsen en de meer structurele oorzaken van het aangeklaagde onrecht aan te pakken.

Cruciaal voor zo’n type politiek is ten eerste dat er een betere verbinding tot stand komt tussen wat mensen in hun alledaagse leven als waardevol ervaren aan de ene

kant, en een maatschappijvisie en politieke idealen aan de andere kant. Kijken we naar het verhaal van Esther: tussen haar wens om kwalitatief goede zorg te verlenen aan revalidanten en een politiek programma dat de maatschappelijke betekenis en waarde van goede zorg voor iedereen weer centraal stelt. Ten tweede dat concreet ervaren frustraties en onvrede worden verbonden met inzicht in de wijze waarop maatschappelijke ontwikkelingen en maatschappelijke verhoudingen inwerken op die waarden. Ofwel in Esthers geval: een verbinding tussen haar ervaren gebrek aan zeggenschap en kwaliteit van de arbeid en de introductie van managementmethoden in de publieke sector, die de kerntaken van die sector in toenemende mate frustreren. En ten derde is het nodig dat langs deze weg zicht ontstaat op een strategisch doordacht optreden om gemeenschappelijke waarden te realiseren. Dat zou in Esthers geval toch verder gaande gemeenschappelijke actie door de zorgwerkers kunnen zijn geweest, als zij politieke steun hadden ervaren van lokale volksvertegenwoordigers en vakbeweging, die de zaak ook via de media onder de publieke aandacht hadden kunnen brengen en zo tegenwicht hadden kunnen organiseren.

 

Kort gezegd, de sociaal-democratie moet permanent het debat aanvuren over drie vragen:

  1. Wat is van waarde?
  2. Hoe staat dat onder druk, en waar ontstaat nieuwe energie?
  3. Wat staat ons te doen?

Linkse politieke partijen en in het bijzonder hun wetenschappelijke bureaus dragen een belangrijke verantwoordelijkheid in het permanent voeden van dit ‘publieke gesprek’, een uitdrukking van de Amerikaanse sociologe Nina Eliasoph. Alleen door dit publieke gesprek, een voortdurend proces van explicitering van gemeenschappelijke waarden, analyses van hoe die onder druk staan, en de formulering van plannen hoe de verwezenlijking van die waarden naderbij te brengen, kunnen politieke partijen een rol spelen in het naderbij brengen van het Algemeen Belang. Dit publieke gesprek en de politieke mobilisatie rond de kernwaarden die op het spel staan kan ingedutte politieke partijen ook een broodnodige impuls geven, want door het debat over gedeelde waarden en verzuchtingen, en de voortdurende koppeling daarvan aan concrete lokale kwesties, ontstaat een moderne beweging die een veel natuurlijker drager kan zijn van het politieke programma.

De Universiteit van Tilburg deed de afgelopen jaren onder leiding van Gabriël van den Brink onderzoek naar de betekenis van waarden en morele beginselen in het

bestaan van moderne Nederlanders. Tegen het heersende beeld in dat Nederlanders in de greep zijn van toenemend egoïsme en verloedering, stellen zij vast dat waarden en morele beginselen nog altijd een voorname rol spelen in het moderne leven. Mensen worden wel degelijk bewogen door elkaars lot, verbinden hun eigen lot met dat van anderen en willen zich inzetten voor gezamenlijke lotsverbetering. Maar dit verlangen naar samenhang, dit reiken naar het Algemeen Belang is weinig robuust en dreigt ook telkens te stagneren doordat het publieke gesprek onvoldoende wordt gevoerd, zo analyseren deze onderzoekers. Wij beschouwen het bij uitstek als een opdracht aan wetenschappelijke bureaus en politieke partijen om dit te publieke gesprek los te maken en te inspireren en de politieke mobilisatie rond kernwaarden te kanaliseren.

 

Diepe economische crises zijn momenten van politieke waarheid. Anton Hemerijck analyseerde in zijn oratie voor de Vrije Universiteit hoe in de nasleep van zowel de Grote Depressie in de jaren dertig van de vorige eeuw, als ook van de tweede oliecrisis in de jaren zeventig, de maatschappelijke orde in de westerse wereld fundamenteel van karakter veranderde. Vier jaar na de val van de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers is evident dat we met een diepe economische crisis van doen hebben van jaren dertig- en jaren tachtigachtige proporties. Staan we in de nasleep van de wereldwijde kredietcrisis, na drie decennia ruim baan voor liberalisering, aan de vooravond van wederom een ingrijpende verandering van onze economische en maatschappelijke orde? En zo ja, in welke richting eigenlijk? In heel Europa bezuinigen regeringen; de dure reddingsoperaties voor banken en voor landen binnen de eurozone en de naschokken van de crisis in de vorm van stijgende sociale uitgaven en lagere inkomsten uit sociale premies hebben de staatskassen drooggelegd. Bezuinigd wordt er vooral op de sociale voorzieningen. Ook de gezondheidszorg, onderwijs en cultuur moeten het ontgelden. Ondertussen is de Europese Unie, voorheen een baken van internationale vrede, veiligheid en voorspoed, gevangen in een veel te smal economisch en monetair beleidsrepertoire met een hoge prijs op sociaal en democratisch terrein. We zien te weinig Europese politiek, die nu noodzakelijk is om de eurocrisis, de meest ingrijpende crisis sinds de Grote Depressie, te overwinnen.

Te midden van het geweld van banken die nog steeds omvallen in Europa en grote onzekerheid over de ingrijpende maatregelen die kabinetten gaan nemen in de komende tijd is het van kardinaal belang dat we ons realiseren dat dit een politiek moment zonder weerga is. Er is een momentum voor verandering. Maar dan moeten we wel hard zijn op onze waarden en daar politiek naar handelen. Doelstelling van Van waarde is om in deze tijden van politieke waarheid het publieke gesprek tussen burgers en politici structureel aan te jagen, en zo bij te dragen aan de mobilisatie van het broodnodige politieke tegenwicht. Dit essay wil alledaagse waarden en zorgen van mensen plaatsen in een bredere, kritische analyse van maatschappelijke ontwikkelingen, en verbinden met de politieke idealen en een programma op hoofdlijnen voor de sociaal-democratie.

Dat is dus iets anders dan de onvrede van mensen die we spreken één-op-één in politieke actie vertalen, wiki-politiek of puur populisme. We verbinden de zorgen van mensen met een actualisering van sociaal-democratische waarden, en we plaatsen die in een bredere beschouwing van maatschappelijke ontwikkelingen waarin ook de zorgen en dromen van diegenen die we niet gehoord hebben of die moeilijk of niet te horen zijn een plaats hebben.

‘Van waarde’ is ook iets anders dan een beginselprogramma of een verkiezingsprogramma. In beginselprogramma’s worden idealen gesteld in relatief abstracte waarden en in verkiezingsprogramma’s in de vorm van opsommingen van plannen. Met dit manifest willen we dichter op het alledaagse leven schrijven dan in een beginselprogramma. We zullen ons richten op de waarden die mensen onder druk voelen staan, die verbinden met de klassieke missie van de sociaal-democratie, en een visie en programma op hoofdlijnen om die waarden te borgen. Daarmee willen we bijdragen aan meer menselijkheid in de politiek, en meer politiek in het leven van mensen. Politiek in de zin van gemeenschappelijke greep op het leven. In een tijd waarin het regime waarin wij leven zal veranderen, ten goede of ten kwade.

Daartoe hebben we twee sporen gevolgd. Ten eerste hebben we een groep wetenschappers uit verschillende disciplines bij elkaar gebracht. Zij hebben onderzocht hoe de grote transformaties in respectievelijk de economie, de staat, en in de intermenselijke relaties, inwerken op vier grote thema’s die de sociaal-democratie altijd heeft gekoesterd en waarvan we aanleiding hebben te denken dat ze op verschillende manieren onder druk staan: bestaanszekerheid, goed werk, verheffing, en binding. Dat hebben ze gedaan door voor ieder thema de drie Van waarde-vragen te beantwoorden, op basis van eigen en beschikbaar normatief en empirisch onderzoek: wat is van waarde; hoe staat dat onder druk door de transformaties in de economie, staat, en intermenselijke relaties; en wat staat ons te doen? Een selectie uit hun werk verschijnt tegelijk met dit essay in de bundel Tegenwicht.

Ten tweede hebben we een groot aantal individuele gesprekken gevoerd met mensen, dwars door Nederland en dwars door de beroepsgroepen. Hun ambities, hun zorgen, de hindernissen die ze tegenkomen, hun helpers en hun verwachtingen van de politiek komen in die gesprekken aan de orde. Het gesprek met Esther is er één van. De interviews zijn bijeengebracht in de bundel Vooruit die tegelijkertijd met dit essay verschijnt. Met deze werkwijze hebben we ons politieke programma willen verankeren in de verzuchtingen en dromen van mensen die we politiek willen vertegenwoordigen.

Dit essay brengt die twee onderzoekslijnen bijeen. De volgende hoofdstukken gaan over bestaanszekerheid, goed werk, verheffing, en binding, gebaseerd op de analyses uit de wetenschappelijke verkenningen, waarbij telkens verbindingen worden gemaakt met de interviews uit Vooruit. Het streven is telkens om de hoop of vrees die uit een levensverhaal spreekt te plaatsen in een analyse van de maatschappelijke ontwikkelingen en een politiek perspectief; om de morele betrokkenheid die je voelt bij het lezen van deze verhalen te vertalen in een opdracht voor de sociaal-democratische beweging. Het laatste hoofdstuk brengt de politieke consequenties uit deze analyses bijeen: wat zijn onze politieke idealen voor de eenentwintigste eeuw, en wat zijn de politieke programma’s en strategieën voor het herstel van de klassieke sociaal-democratische waarden die zo duidelijk resoneren in de levensverhalen die we optekenden: bestaanszekerheid, goed werk, verheffing, en binding.

 

 

Bestaanszekerheid


Brigitte

Brigitte de Waal maakt scholen schoon, in Groningen. Dat doet ze nu tien jaar. Bij haar vorige opdrachtgever had ze ruim tien minuten om een klaslokaal schoon te maken. Bij het schoonmaakbedrijf dat de laatste aanbestedingsronde won heeft ze nog maar anderhalve minuut voor hetzelfde lokaal. Ja, maak dat de kat wijs. Een klaslokaal goed schoon krijgen in negentig seconden, dat kan gewoon niet. Weet je wat een smeerkezen die basisschoolkinderen kunnen zijn? Kinderen tussen de vier en twaalf, vertel haar wat, Brigitte heeft er vijf gehad. Snot overal en met een beetje pech plakken ze hun kauwgom erbij. Met poepschoenen het lokaal in, tja dat geeft een hoop ranzigheid. Misschien kan je bij een bedrijf met dit soort tijden werken, maar om een klaslokaal schoon te krijgen ben je wel effe langer bezig.

‘Resultaatgericht schoonmaken’, zeggen ze dan. Eerst het zichtbare vuil zoals papiersnippers en modder. Ze weten het wel hoor, dat het niet kan. Maar het interesseert ze gewoon geen ene moer. Brigitte heeft het ze wel eens recht in hun gezicht gezegd. Tegen zo’n managementtroela in een mantelpakje met een decolleté tot aan haar navel: ‘Als je het zo goed weet allemaal, laat dan maar zien.’ Verdommen ze gewoon. Tja, dat zegt genoeg. Terwijl zo’n wijffie zelf haar werk niet eens doet. Een collegaatje van Brigitte heeft een half jaar geen schone mop gehad. Een half jaar het lokaal schrobben met een mop die je ook gebruikt voor de wc’s. Ranzig toch? Ja, als die vrouw zich nou eens bezighield met de materialen en wat minder met haar make-up, dan zouden ze al wat verder zijn. Zegt ze: ‘Ja, het komt wel.’ Niet dus. Kom je op een school aan, zijn er geen vuilniszakken. Krijg je te horen dat je al de vuilniszakken van de maand al hebt gebruikt. Of je ze even van een andere locatie mee kan nemen. Dat moet gewoon niet mogen.

 

Brigitte werkt voor twee bedrijven, ’s ochtends voor CSU en ’s middags voor Effektief. Met de rayonmanager van CSU heeft ze totaal geen probleem, dat is een prima vrouw. Die staat achter haar mensen, lost problemen op en zorgt gewoon dat het goed is. Dan ga je ook met plezier naar je werk. Je meldt je niet ziek. Niemand doet dat daar eigenlijk. Als je behandeld wordt zoals je zelf behandeld wil worden, kan het dus wel.

De baas bij Effektief denkt dat schoonmakers dom zijn en dat ze daarom alles maar pikken. Nou, mooi niet. Maar op één punt geeft Brigitte hem gelijk: hoe dom kun je zijn om voor zo weinig geld zulk werk te doen? Welke gek staat er nou voor zo’n karig loon iedere morgen om vijf uur op? Je bent toch niet helemaal normaal dan, he? Voor een uitkering krijg je net zoveel, maar mag je wel tot tien uur in je bed blijven liggen. Die baas, dat is een echte gladjanus. Toen Effektief de zaak vorig jaar overnam, hield die vent een praatje. Deed net alsof-ie het tegen een stel kleuters had. ‘Snappen jullie dit wel? Ga ik niet te snel?’ We moesten niet zo zeuren. Harder werken, minder uren. ‘Ja, het is crisis, dus iedereen moet inleveren’, zegt-ie nog. Brigitte was echt heel kwaad. Want ze heeft van een collegaatje gehoord dat-ie wel in een Porsche rijdt. Zij moeten maar op hun fietsje, reizen de hele stad af. Fietsen zich de vernieling in, omdat ze anders te laat komen. Draaien een halve dienst op een schooltje in Beijum, en dan nog een uurtje aan de andere kant van de stad. Want ja, je hebt te weinig uren anders om van rond te komen. Maar meneer zit mooi te doen in zijn sportauto.

Ongelooflijk dat Effektief die aanbesteding heeft kunnen winnen. Dat komt zo, die vent werkte eerst voor OCS. OCS deed vroeger die scholen, maar is inmiddels failliet. Dat zag die baas waarschijnlijk aankomen, want ineens zat-ie bij Effektief. Maar hij wist natuurlijk precies hoeveel uren OCS nodig had, om die panden schoon te krijgen. Er konden wel 2500 schoonmaakuren vanaf, beweerde hij. En de gemeente dacht dat ze goedkoop uit was. En ja, op papier is het allemaal prachtig natuurlijk. ‘Resultaatgericht werken’ en ook nog de goedkoopste, wat wil je nog meer? Dat een collegaatje van Brigitte drie kwartier in haar eigen tijd lokalen staat te dweilen vergeten ze dan maar even. Maar zo is het wel. Brigitte vertikt het, want anders verandert er nooit wat. Maar vrouwen hebben ook een moedergevoel. Ze willen niet dat die kinderen in een smerige, ongezonde omgeving les krijgen. Dus veel van die vrouwen voelen zich schuldig, willen de school niet in zo’n puinzooi achterlaten. En dus werken ze maar voor niks, voor noppes.

Zelfs de uren die je wel werkt, krijg je niet goed uitbetaald. Sinds de boel is overgenomen door Effektief heeft Brigitte nog geen enkele keer het goede salaris gehad. En dat scheelt een boel. Iemand van de vakbond heeft ernaar gekeken. Het precieze overzicht heeft ze nog niet, maar laatst kreeg ze een mailtje van hem, dat er nu al tussen de driehonderd en vijfhonderd euro verschil was. En hij had nog niet eens alles geteld. Als Brigitte nou de enige was, maar dat is dus niet zo. Iedereen heeft klachten. Als je geen mailadres hebt, krijg je niet eens een loonstrookje. Want zoiets met de post opsturen, dat is veel te duur. Meneer moet wel zijn auto betalen natuurlijk.

Ze hebben te lang hun bek gehouden, te lang over zich heen laten lopen. Al die jaren alles gepikt. Maar op een gegeven moment moet je in opstand komen om iets voor elkaar te krijgen. Brigitte is helemaal alleen begonnen met een collegaatje van haar. Op 9 september was dat. Ze hadden het helemaal gehad. Maar ja, wat moet je doen? Ze had nog nooit gestaakt of zo. Gelukkig had een leraar op school waar ze de lokalen schoonmaakt wel een naam voor haar. Carine Bloemhoff van de PvdA, die moest ze maar eens bellen. Nou, gedaan en een paar dagen later zat ze met een bak koffie in haar woonkamer. Toen heeft Brigitte met nog een paar schoonmakers erbij verteld hoe het allemaal in mekaar zit. Die Carine heeft haar goed geholpen hoor, maar na een tijdje zei ze: je moet de bond erbij halen. Zo is Brigitte dus bij de FNV terechtgekomen. Ja, toen ging er wel een lampje branden zeg. Niet alleen op de scholen worden schoonmakers on-respectvol behandeld. Ook op de universiteiten en bij Duo, bij het ministerie, is het een puinzooi.

Bij Duo weet Brigitte dat schoonmakers soms met cateringspullen moeten lopen. Schalen vol met borden. Maar dat mag dan weer niet via de lift. Eigenlijk hebben ze het liefst dat je onzichtbaar bent. ‘Ga maar met de brandtrap omhoog, dan zien we je tenminste niet.’ Man, je wil niet weten hoe klein je je dan voelt. Miezerig, alsof je niks waard bent. Brigitte heeft zich van ellende vorig jaar een tijdje ziek gemeld. Ze trok het gewoon niet meer. Elke keer als ze een schoolplein opkwam, die blik. Ouders die je nastaren. Want die ouders die zien alleen haar, he. Die weten niet dat ze in negentig seconden een lokaal glimmend en wel achter moet laten. Zij zien een ranzig lokaal en denken: ‘Wat komt dat wijf in haar malle shirtje eigenlijk doen? Schoonmaken doet ze in ieder geval niet.’ Tja, alleen daarom al is het belangrijk dat iedereen van zich laat horen. Zodat ook voor die ouders duidelijk wordt dat ze niet de schoonmakers maar die vent in zijn Porsche moeten hebben.

Met CSU in de morgen heeft ze altijd nog iets achter de hand. Ze weet het natuurlijk niet zeker, maar als ze alleen van Effektief afhankelijk was, had ze het misschien niet gedurfd. Ze kan zich nu toch wat meer permitteren. Maar veel van haar collegaatjes kunnen dat dus niet. Ze proberen je ook te intimideren, je te pesten. ‘Denk maar niet dat je zomaar eventjes kunt gaan staken.’ Brigitte hebben ze op een ander pand gezet. Nou, ze doen maar. Ze staat daarboven. Makkelijk is het alleen niet. Een vrouwtje, die dus al zeventien jaar bij dezelfde school schoonmaakte, werd van de ene op de andere dag weggehaald. Gewoon omdat ze de waarheid vertelde. Bij de EO was dat. Maar ja, die kreeg de volgende dag dus wel te horen: ‘Je moet ergens anders heen.’ Zeventien jaar, nooit geen klachten gehad en nou ineens moest ze eraf.

Het werkt wel, dat actievoeren. Brigitte en haar collega’s proberen de gemeente over te halen om meer tijd te geven voor het werk dat gedaan moet worden. Ze hebben ze nu al goed geplaagd. Ze heeft het idee dat ze hen helemaal spuugzat zijn daar in het stadhuis. En dat is goed, daardoor komt het in beweging. Eerst wilden ze hen niet eens te woord staan. Het zijn toch maar schoonmakers, zullen ze wel gedacht hebben. Maar nu hebben ze een nieuwe man bij de gemeente. Die is wel netjes tegenover de schoonmakers. Dus Brigitte heeft goeie hoop.

Wat ze jammer vindt is dat ze twee van haar kinderen weinig ziet. Die wonen in Rotterdam en Den Haag. Ze kan zich een retourtje Groningen – Den Haag gewoon niet veroorloven. Ze redt het niet aan het einde van de maand. Alleen als ze die kaartjes in de aanbieding gooien, zeventien vijftig voor een dagretour of zo, lukt het. Kijk, het is geen vetpot die schoonmaakwereld. Als ze alles bij elkaar optelt, haar ochtendwerk bij CSU en de middag bij Effektief, dan komt ze rond de 1200 in de maand uit. Nou, daar kan ze haar vaste lasten nog niet eens van betalen. 36 uur werken, he. En dan is Brigitte nog voorvrouw bij CSU, dus krijgt ze nog meer dan haar collegaatjes. Moet je nagaan. Maar ja, haar vaste lasten zijn ongeveer 1500 euro per maand. Alleen al 632 euro aan huur. Geen subsidie, want je zit net boven hoe heet dat, die dinges. Ziektefonds en alles, zo kom je wel aan die vijftienhonderd. Anderhalf maandsalaris, dat gaat er iedere keer hap vanaf. Zie je niks van terug. Haar man zit ook in de schoonmaak en lapt daarnaast nog ramen. Mag-ie eigenlijk niet doen vanwege zijn gezondheid, maar ja, je moet toch wat om rond te komen. Laatste keer dat Brigitte op vakantie kon? Geen idee. Lang geleden in ieder geval.

Bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil voor iedereen

De moeite die Brigitte heeft om als schoonmaakster een salaris te verdienen waarvan zij behoorlijk kan leven, en de grote baanonzekerheid waarmee ze continu te maken heeft, roepen een klassieke sociaal-democratische waarde op: bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil voor iedereen. Zo werd de doelstelling van de sociaal-democratie omschreven in het Plan van de Arbeid uit 1935 – midden in een tijd van crisis, waarmee de huidige crisis inmiddels in ernst en duur vergeleken wordt. Sindsdien is bestaanszekerheidspolitiek een centraal uitgangspunt gebleven.

 

Bestaanszekerheid ging in de allereerste plaats om de positie van de werknemer op zijn of haar werk, in de directe arbeidsrelatie met de werkgever. Dan ging het onder meer om een behoorlijk inkomen, om goede fysieke werkomstandigheden en om fatsoenlijke werktijden. Opdat werkgevers risico’s en kosten van de bedrijfsvoering niet afwentelen op werknemers. Door collectieve actie hebben de werknemers, georganiseerd in vakbeweging en politieke partijen, op dit terrein veel bereikt. In de tweede plaats ging het om bescherming tegen verlies van inkomen en vooral werk als gevolg van de economische conjunctuurbewegingen en crises en van structurele veranderingen in de economie – zoals grote verschuivingen in sectorale en regionale werkgelegenheid. Sociaal-democraten hebben daarom gestreden voor een stelsel van sociale zekerheid, in het bijzonder een werkloosheidsverzekering. Bovendien beoogden zij het risico van werkloosheid zelf te beperken door middel van actieve overheidsinterventie in de vorm van conjunctuur- en structuurpolitiek. In de derde plaats moest de doelstelling van bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil voor iedereen gelden, en dus ook voor hen die door ziekte of arbeidsongeschiktheid werden getroffen, en vanzelfsprekend voor de ouderen. Het staatspensioen was een kernthema van sociaal-democratische politiek.

We kunnen concluderen dat de sociaal-democratie tezamen met de vakbeweging, maar ook met de christendemocraten en tot op zekere hoogte de liberalen, de afgelopen eeuw zeer succesvol is geweest in het vergroten van de bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil. De arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden van de werknemers zijn, zowel door cao-afspraken als door wetgeving, sterk verbeterd, het risico op willekeurig ontslag is verminderd en in geval van verlies van werk is er een breed vangnet van uitkeringen. Alleen op het terrein van conjunctuurbeheersing is er geen blijvend succes geboekt.

Oude en nieuwe onzekerheden

Wat is, gegeven deze belangrijke verworvenheden, nog de actualiteit van bestaanszekerheid als centrale doelstelling van de sociaal-democratie? Tegen de achtergrond van het niveau van onze welvaart en collectieve voorzieningen, klinkt een diagnose van ‘bestaanszekerheid onder druk’ als niet meer van deze tijd, als te zwaar aangezet. Het gaat in Nederland niet om een massale bedreiging van ‘het bestaan’ door honger, ziekte, of geweld zoals in verschillende andere landen nog wel het geval is. En weinig mensen claimen dat ‘zekerheid’ voor het leven voor hen geregeld kan en moet worden. Maar uit het Van waarde-onderzoek en de interviews die we gedaan hebben blijkt dat de oude bestaansonzekerheidsproblematiek terugkeert, dat nieuwe onzekerheden zich manifesteren, en dat grote verschillen ontstaan tussen groepen mensen in hun vermogen om die onzekerheden op te vangen en ermee om te gaan. Het organiseren en beschermen van bestaanszekerheid is dus nog altijd en met hernieuwde urgentie van belang.

Het afwentelen van risico’s en kosten op de werkenden

De achtergrond van de hernieuwde bestaansonzekerheidsproblematiek wordt allereerst gevormd door trends in de internationale economie. De wijze waarop de mondialisering van de economie sinds de jaren tachtig heeft vorm gekregen, wijkt scherp af van de ordening zoals die na de Tweede Wereldoorlog heeft bestaan in het Bretton Woods-systeem. Het geniale van Bretton Woods was dat het tegelijkertijd verschillende doelen goed diende. De Amerikaanse econoom Dani Rodrik beschrijft dat mooi in zijn boek The Globalization Paradox. Door de gematigde, gecontroleerde mondialisering onder dit systeem werden de ergste belemmeringen voor de handel weggenomen, terwijl overheden in de gelegenheid bleven om hun eigen, onafhankelijke economische beleid te voeren, en het type verzorgingsstaat te ontwikkelen dat gedragen werd door de bevolking. Ontwikkelingslanden werd toegestaan om hun eigen specifieke groeistrategieën te kiezen zonder al te veel externe bemoeienis. En de internationale kapitaalstromen bleven streng gereguleerd. Dit Bretton Woods-systeem was een groot succes: het stelde de ontwikkelde landen in de gelegenheid om zich te herstellen van de oorlog en welvarend te worden, terwijl de meeste ontwikkelingslanden historische niveaus van economische groei bereikten.

Het monetaire regime van Bretton Woods bleek uiteindelijk onhoudbaar toen kapitaal internationaal mobieler werd en toen de olieschokken van de jaren zeventig de ontwikkelde economieën hard troffen. Economen en beleidsmakers gaven vanaf de jaren tachtig steeds meer de voorkeur aan een vergaande agenda van economische liberalisering. Rodrik noemt dit hyperglobalisering. De beperkingen voor internationale kapitaalmarkten werden zo goed als opgeheven. Het is gaan ontbreken aan countervailing power – aan tegenmacht – aan checks and balances in de economie, aan ordening die kon zorgen voor een nieuw evenwicht. De financiële deregulering leidde tot de ontwikkeling van steeds ingewikkelder, speculatiever en ondoorzichtiger instrumenten. En de mondialisering van de financiële wereld vergrootte het besmettingsgevaar in plaats van bij te dragen aan risicospreiding. Binnen landen heeft mondialisering meer ongelijkheid en onzekerheid tot gevolg gehad in plaats van dat iedereen er beter op is geworden. De centrifugale krachten van het huidige kapitalisme worden onvoldoende in bedwang gehouden door politieke, maatschappelijke of culturele tegenkrachten.

Tegen de achtergrond van de mondialisering van de economie en de toenemende internationale concurrentie zijn werkgevers gaan zoeken naar een nieuw verdienmodel waarin zij de toegenomen risico’s kunnen beperken en hun kosten reduceren met het oog op de concurrentiepositie van hun bedrijven. Dat komt veel te vaak neer op afwenteling van risico’s en kosten op werkenden. Zij moesten in extreme mate extern flexibel worden en zij moesten inleveren op inkomen en arbeidsomstandigheden. Doordat Nederland een van de meest welvarende landen is en de welvaartsverschillen tussen landen nog steeds groot zijn, is het voor buitenlandse arbeidskrachten – vooral Oost-Europeanen – daarnaast aantrekkelijk om in Nederland te komen werken. Zelfs als deze arbeidsmigranten minder loon uitbetaald krijgen dan hun Nederlandse collega’s – hetgeen bij wet verboden is – en ze met slechte secundaire arbeidsvoorwaarden genoegen moeten nemen, verdienen ze nog steeds meer dan thuis. Door dit alles staan de baanzekerheid, inkomens- en arbeidsomstandigheden van werkenden in Nederland steeds meer onder druk.

Vanuit een perspectief van bestaansonzekerheid gaat daarbij de meest urgente zorg uit naar de positie van een aanzienlijke groep werkende armen. Mensen die betaald werk hebben, maar er desalniettemin niet in slagen om aan de armoede te ontsnappen. Onder hen bevinden zich relatief veel zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) die geen aanspraak kunnen maken op een minimumloon en cao-afspraken. Werkende armen hebben vaak dead end jobs, van waaruit niet of nauwelijks doorstroming mogelijk is naar hogere functies. De arbeidsspecialisatie is zo ver doorgevoerd dat meer en meer bedrijven zoveel mogelijk activiteiten afstoten die niet onder de core business vallen. Kon de kantinemedewerker of schoonmaker met talenten op technisch of ICT-vlak vroeger in een groter bedrijf of bij de overheid nog wel eens doorgroeien naar een hogere functie, dat is in een onderneming die zich uitsluitend toelegt op cateren of schoonmaken vrijwel onmogelijk. Met name laagopgeleide flexwerkers lopen grote risico’s om in een neerwaartse spiraal op de arbeidsmarkt terecht te komen, door zeer beperkte werkzekerheid en daaraan gekoppeld ook betrekkelijk weinig inkomenszekerheid en nauwelijks mogelijkheden zich in het werk verder te ontwikkelen. Dat wordt nog versterkt door de gebrekkige manier waarop binnen het sociale-zekerheidssysteem kan worden omgegaan met de zeer flexibele arbeidspatronen die worden afgewisseld met periodes van werkloosheid.

Ook als er geen acute bestaansonzekerheid is, leven mensen vaak nog in armoede, afhankelijk van hun persoonlijke omstandigheden. De situatie van Brigitte is daar een voorbeeld van: zij en haar man werken bijna alleen voor hun vaste lasten. Een retourtje Groningen – Den Haag om haar kinderen te zien zit er eigenlijk niet in, en haar laatste vakantie is zo lang geleden dat ze het zich niet kan herinneren. Het contrast tussen de levens van deze mensen en de welstand van anderen met modale of topinkomens is hard. De wetenschap dat je je net zozeer inzet voor je werk als die anderen en toch veel minder salaris en waardering krijgt, leidt tot gevoelens van relatieve deprivatie en woede.

Wat ook pijnlijk blijkt uit het verhaal van Brigitte is dat de overheid als werkgever steeds meer eenzijdig opereert met het oog op kostenbesparing en zich eveneens begeeft in praktijken die neerkomen op het afschuiven van risico’s en kosten op werkenden. Te vaak wordt louter vanuit een perspectief van financieel beheer gestuurd en onvoldoende vanuit een visie op de maatschappelijke betekenis en achterliggende waarden van de verschillende overheidsactiviteiten, en de normen die de overheid als werkgever in de praktijk zou horen te brengen. Tegen de achtergrond van een continu ervaren noodzaak om de verzorgingsstaat betaalbaar te houden, is de aandacht van de politiek steeds meer gericht op economische groeicijfers en op de financiële kosten van verschillende overheidstaken. ‘We weten tegenwoordig van alles wat het kost, maar we kennen niet meer de maatschappelijke betekenis en waarde ervan’, aldus Frank Ankersmit en Leo Klinkers in hun bundel De tien plagen van de staat.

 

Veel analyses wijzen op een dreigende tweedeling als gevolg van de mondialisering en technologische ontwikkelingen. Winnaars van de modernisering zijn over het algemeen de hoger opgeleiden, die voor hun werk niet langer gebonden zijn aan een bepaalde plek. Zij profiteren van de mondialisering, doordat de producten en diensten die zij consumeren goedkoper worden en zij onbeperkt over de wereld kunnen reizen en werken. Hun succes staat in schril contrast met het lot van diegenen die de dupe zijn van deze ontwikkelingen door verlies van werk of een neerwaartse druk op hun loon. Duidelijk is dat de toenemende onzekerheid tot diep in de middenklasse reikt. Uit onderzoek van het Centraal Planbureau blijkt dat in Nederland mensen uit de middenklasse met een gemiddelde opleiding een

relatief hoge kans lopen om werkloos te worden, omdat hun werk het makkelijkst kan worden geautomatiseerd of uitbesteed. Deze herverdeling van kansen is een mondiaal verschijnsel. De afgelopen decennia is de inkomensongelijkheid in grote delen van de wereld sterk gestegen. Er ontstaat een wereld waarin de voornaamste tegenstelling niet ligt tussen rijke landen en arme landen, maar tussen een rijke mondiale bovenlaag, met een middenklasse die in de armere landen groeit (maar dat betekent in veel gevallen niet meer dan dat mensen iets meer dan twee dollar per dag verdienen) en in rijke landen afneemt, en een grote groep armen die nauwelijks de vruchten plukt van de mondiale economische groei.

Inkomensderving door economische crises

Een tweede aloud risico dat zich manifesteert is een bedreiging van de economische bestaanszekerheid door de crisisgevoeligheid van de economie. Door de financialisering van de economie, de oplopende schulden, en de toegenomen internationale verwevenheid is de wispelturigheid van de economie en de frequentie van financiële crises toegenomen.

Het economische groeimodel van de afgelopen periode was in veel landen een kredietmodel: de motor liep op een mengsel van private en publieke schulden, op risicovolle financiële innovaties en een onroerend goed-boom. Het model maakte deel uit van wat Arie van der Zwan de financialisering van ons wereldbeeld heeft genoemd. De toon daarvan wordt gezet door eenzijdige oriëntatie op aandeelhouderswaarde. Binnen ondernemingen bepalen beurskoers en winst per aandeel het gedrag van de leiding. Maar ook de dominantie van de financiële sector in onze economie speelt mee. De groei van het ‘financiële complex’ is gepaard gegaan met financiële crises die de afgelopen decennia zijn toegenomen in frequentie en in hevigheid, met als voorlopig dieptepunt de financiële crisis van 2008.

Ook in de reële economie is het rendement te veel de maat der dingen geworden. De ongeremde jacht naar het snelle geld is een van de drijfveren van de golf aan fusies en overnames in het bedrijfsleven die de crisis in de startblokken hielp. Deze huwelijksmarkt van grote ondernemingen leidt meestal tot mislukking en levert vaak geen economische meerwaarde op. Aangezien de kosten van de overname wel moeten worden opgebracht, is het gevaar dat er enige tijd na de overname, als blijkt dat de voordelen uitblijven, gesneden wordt in de werkgelegenheid om nog zo veel mogelijk te redden van wat er te redden valt. Voor de werkenden in deze bedrijven betekent het dat de onderneming als gemeenschap wordt vervangen door de onderneming als middel tot snelle winst voor aandeelhouders en management, met aanzienlijke risico’s voor hun baanzekerheid.

Na het uitbreken van de kredietcrisis volgde eind 2008 een ongekende daling van het bbp in Nederland. De stijging van de werkloosheid viel aanvankelijk mee, maar is sinds medio 2010 snel gestegen, tot een niveau dat in Nederland sinds de jaren negentig niet zo hoog is geweest, en in sommige Europese landen angstaanjagende proporties bereikt. De economische neergang die inzette met de bankencrisis van 2008, had aanvankelijk ook een relatief bescheiden effect op de armoedecijfers in Nederland, maar ook hier raken de naschokken van de financiële beving ons hard.

Nieuwe onzekerheden rond de moderne levensloop

Maar ook onze manier van samenleven en werken brengt nieuwe onzekerheden met zich mee. Door de massale toetreding van vrouwen tot de arbeidsmarkt moeten ouders werk en opvoeding combineren en is de ‘huisvrouw als buffer’ weggevallen. Dat er meer gescheiden wordt, betekent ook meer problemen voor eenoudergezinnen om rond te komen. De zekerheid van een baan voor het leven is voor de meesten verleden tijd. En met het toenemende belang van opleiding en scholing loopt eenieder het risico dat zijn kennis en vaardigheden verouderd blijken als hij of zij zonder werk komt te zitten.

De nieuwe onzekerheden treffen vooral laagopgeleide werknemers, jongeren, werkende vrouwen en gezinnen met kleine kinderen. De risico’s die zij lopen zijn nog onvoldoende afgedekt, met als gevolg dat er een steeds groter verschil groeit tussen degenen die aan die risico’s blootstaan, en degenen aan wie deze risico’s voorbij gaan. Armoede en onzekerheid dreigen weer in belangrijke mate erfelijk te worden. Naarmate hun achterstand toeneemt, nemen de mogelijkheden van kwetsbare gezinnen relatief gezien af om in de toekomst van hun kinderen te investeren. Resultaat is een achterblijvende sociale en cognitieve ontwikkeling van deze kinderen evenals hogere schooluitval, met problemen op latere leeftijd bij het vinden van werk tot gevolg.

Verbreding van het bestaanszekerheidsbegrip

Naast deze primair economische onzekerheden dienen andere vormen van bestaansonzekerheid zich aan. ‘Van waarde is een behoedzamer omgang met de beschikbare “milieugebruiksruimte”’, zoals Heleen de Coninck het in het kader van het Van waarde-onderzoek formuleerde: wij eten van de grond, wij ademen de lucht, wij produceren en consumeren gebruikmakend van natuurlijke hulpbronnen, wij verwarmen onze huizen met behulp van eindige grondstoffen. Dat alles groeit, vooral mondiaal, met zo’n snelheid en op zo’n schaal dat landoppervlakte schaars wordt, dat grondstoffen in hoog tempo worden verbruikt, dat de lucht verontreinigd raakt. Toegenomen bevolking en welvaart hebben invloed op de drinkwater- en voedselvoorziening, economische mogelijkheden en de volksgezondheid, en daarmee de fundamenten van bestaanszekerheid.

Ook de waarde van veiligheid verdient een prominente plaats in de sociaal-democratische bestaanszekerheidspolitiek. Dat betekent strijd tegen de misdaad, omdat deze steeds meer gepaard gaat met (de dreiging van) geweld tegen personen en een sfeer van intimidatie schept in de samenleving; omdat dergelijke misdaad zich niet alleen meester maakt van ‘kwetsbare’ branches als die van de prostitutie, de drugsverkoop en de kansspelen, maar op allerlei manieren ook kan doordringen in minder omstreden sectoren van een stedelijke economie; en omdat dit soort misdaad zich op den duur openlijk keert tegen een overheid die zich sterk maakt voor de afbraak van illegale machtsposities.

Daarnaast is ook de beleving van veiligheid van belang. Deze is serieus te nemen, ook, of misschien wel juist, omdat daar andere gevoelens van existentiële onzekerheid in schuilgaan. Veiligheid verwijst ook naar sociale spanningen en maatschappelijk onbehagen. Naast materiële onzekerheid speelt hier een nieuw soort, breed gevoelde mentale onzekerheid. Het ontbreekt veel mensen aan wat Freud ooit conceptualiseerde als Sicherheit, en wat Zygmunt Bauman helder beschreef als een complex fenomeen dat gaat over: ‘de zekerheid dat wat we verworven en bereikt hebben zijn waarde behoudt, ook als bron van trots en respect, de normatieve helderheid over het verschil tussen redelijk en onzinnig, vertrouwenswaardig en verraderlijk, fatsoenlijk en onfatsoenlijk, en al die andere onderscheiden die richting geven aan onze dagelijkse beslissingen; en de veiligheid dat als je je op de goede manier gedraagt, er geen grote gevaren dreigen in je huis, buurt en omgeving.’


Verzorgingsstaat onder druk

We hebben de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog opgebouwd om bescherming te bieden tegen risico’s die we niet individueel het hoofd kunnen bieden, maar waarvoor collectieve actie nodig is. In de afgelopen dertig jaar heeft dit aanvankelijke idee van de klassieke, beschermende verzorgingsstaat, plaatsgemaakt voor dat van een activerende en meer verplichtende verzorgingsstaat. Deze trend lijkt nu te worden doorgezet in de sociale zekerheid en qua reikwijdte uitgebreid te gaan worden naar de zorg in een context van grootschalige bezuinigingen door de overheid. Op zich is het een goed idee om te investeren in de vermogens en veerkracht van mensen, om de autonomie van burgers en gemeenschappen te bevorderen – Pieter Hilhorst noemt dat ‘sociale veerkracht’ of ‘samenredzaamheid’,

Nico de Boer en Jos van der Lans spreken in dit licht van ‘burgerkracht’ – en mensen te stimuleren tot participatie via scholing en begeleiding naar werk. Maar dit motief wordt in de praktijk op een griezelige manier vermengd met een harde bestuurlijke bezuinigingsagenda en een neoliberale ideologie van versobering van voorzieningen, selectievere toegang tot voorzieningen, en een verkleining van de verzorgingsstaat.

Deze cocktail van activerende, bestuurlijke en neoliberale motieven bedreigt al snel de bestaanszekerheid van mensen die kwetsbaar zijn, geen sterke sociale netwerken hebben, en die zich moeilijk laten activeren. En als de activerings- en investeringscomponent van dit beleid sneuvelt op het argument dat de schatkist leeg is, bedreigt dit zelfs de bestaanszekerheid van een veel grotere groep van mensen die tegenslag in het leven ontmoeten. De uitkomst is dan: wel een drastische versobering van de werkloosheidswet in crisistijd, maar geen collectieve arrangementen voor scholing en begeleiding van werk naar werk. Wel een zwaar beroep op samenredzaamheid en mantelzorg, maar geen collectieve verlofregelingen die mannen en vrouwen in staat stellen om werk en zorg te combineren wanneer die zorg zeer veeleisend wordt.

Moderne bestaanszekerheid

Wij vatten bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil op als een voorwaarde voor emancipatoire vrijheid. Zonder een minimum aan economische zekerheid en veiligheid, ben je toch vooral bezig met het naakte bestaan, en komt er van ontplooiing weinig terecht. Zonder een minimum aan continuïteit en vastigheid ontbreekt al snel de zelfredzaamheid en het zelfvertrouwen om voortvarend vorm te geven aan je eigen leven. Zolang dat fundament er niet ligt, komen mensen er niet aan toe om levensplannen te maken.

Van waarde is dat de basis op orde komt, en wel voor iedereen. In de praktijk is deze ambitie aan beperkingen onderhevig. Het is allereerst de taak van de eigen overheden om hun burgers bestaanszekerheid te bieden. Maar van belang is dat ons bestaanszekerheidsstreven in Nederland niet ten koste gaat van het streven naar een veilig en menswaardig bestaan in andere landen. En van belang is dat er een perspectief is, dat de internationale solidariteit bestaat, om burgers in andere landen te ondersteunen bij hun pogingen een behoorlijk levenspeil te bereiken en zich te ontwikkelen, via Europese en internationale samenwerking.

Wat staat ons te doen om dit te bereiken? Keren we terug naar Brigitte de Waal. Zij wenst simpelweg bestaanszekerheid en respect. Ze zou graag een vaste baan hebben met een inkomen waarvan ze rond kan komen. Niet dagelijks zich zorgen te hoeven maken over het geld, en over de toekomst. Het is een politieke keuze om ook Brigitte bescherming te bieden tegen bestaansonzekerheid en om haar toe te rusten om beter om te gaan met de onzekerheden van de moderne arbeidsmarkt.

Van waarde is en blijft ten eerste een bescherming van werkenden tegen de afwenteling van risico’s en kosten door werkgevers, en tegen nog steeds voorkomende vormen van uitbuiting. Het motto ‘voor jou tien anderen’ maakt nog te vaak dat werkenden genoegen moeten nemen met lage lonen, lange arbeidstijden, slechte arbeidsomstandigheden en een gebrek aan waardering voor hun vakmanschap. Het arbeidsrecht moet de werknemer hier ten principale tegen beschermen. De functie van het arbeidsrecht is altijd geweest om te compenseren voor de relatief zwakke positie van de werknemer ten opzichte van de werkgever, en deze functie dient erkend en behouden te blijven, tegen de druk in om het arbeidsrecht puur vanuit economisch perspectief te bekijken en in te zetten als smeermiddel voor de economie. Blijkbaar waren er de afgelopen decennia heel veel Partijen voor het Kapitaal: de beloning van kapitaal is relatief toegenomen, de beloning van arbeid relatief afgenomen, de belasting op kapitaal is relatief afgenomen, de belasting op arbeid is relatief toegenomen. De druk op werkenden neemt toe, terwijl hedgefondsen, private equity en banken nog steeds zo goed als vrij spel wordt geboden. Tegen die achtergrond moet de Partij van de Arbeid haar naam serieus nemen en samen met de vakbeweging en gelijkgezinde partijen veel meer gezamenlijk optrekken om te voorkomen dat risico’s en kosten eenzijdig op werkenden worden afgewenteld.

De onderneming en de werkplek als gemeenschap gaan zien, dat is de opdracht aan ons allemaal. Talrijke ondernemers, werkgevers en werknemers brengen dit

gemeenschapsdenken rond de werkplek al in de praktijk, maar waar dat nog niet het geval is kan een beweging van burgers en werkenden die elkaar hier op aanspreken het verschil maken. Een inspirerend voorbeeld geeft burgerrechtenactivist en Labour-ideoloog Maurice Glasman. Samen met kerken en burgerrechtenorganisaties organiseert hij kerstborrels in grote bedrijven, waar een groot deel van het personeel inmiddels geoutsourcet is en het slachtoffer is van foute flexibilisering. Op die kerstborrel brengt hij die schoonmakers, cateraars, bewakers en jonge onderzoekers weer samen met het vaste personeel en het management en laat hen vertellen over hun onvermogen om onder de omstandigheden waaronder zij werken nog een loon te verdienen waarvan je kunt leven: een living wage. ‘In vijfenzeventig procent van de ondernemingen vindt hierna spontaan een herverdeling van de inkomens plaats’, zo vertelde Glasman trots op een Van waarde-bijeenkomst.

 

Aangezien dit soort gemeenschapsvorming en goed werkgeverschap niet meteen overal tot stand zullen komen, zou het goed zijn om werkenden die niet voldoende verdienen om het minimuminkomensniveau te bereiken, een of andere vorm van inkomensondersteuning te bieden. Het Amerikaanse model van de Earned Income Tax Credit is daarvoor een interessante optie. De EITC houdt in dat mensen met een laag arbeidsinkomen geen belasting hoeven te betalen, en juist een bedrag van de belastingdienst ontvangen, waardoor hun netto-inkomen hoger is dan hun brutoloon. Het Nederlandse systeem van inkomensafhankelijke arbeidskorting zou in die richting kunnen worden aangepast.

De overheid zal harder moeten optreden om schijnconstructies aan te pakken die haaks staan op de gedachte van de onderneming als gemeenschap, zoals payrolling of schijnzelfstandigheid. Van belang is ook dat er een Europees kader komt voor goed werkgeverschap zodat ondernemingen via uitbestedingen niet hun verantwoordelijkheden kunnen ontlopen. De overheid als werkgever dient het goede voorbeeld te geven door voorafgaand aan aanbestedingen kritisch te kijken of zij de dienst niet beter in eigen beheer kan uitvoeren en zo het personeel in dienst kan nemen. Indien alsnog wordt gekozen voor aanbestedingen, zoals in de thuiszorg, dan zou de overheid nooit enkel op prijs mogen selecteren zoals in het geval van Brigitte gebeurde, maar hoort de kwaliteit van de dienst en het werk altijd te worden meegewogen.

Van waarde is ten tweede dat mensen beschermd worden tegen de crisisgevoeligheid van het kapitalisme, en dat we toewerken naar een meer gezonde, stabiele, duurzame en sociale economie. De vergaande financialisering en mondialisering van de economie hebben de crisisgevoeligheid van de economie vergroot. De nieuwste fase van het kapitalisme – het mondiale financiële kapitalisme – heeft ons weinig goeds gebracht, en Nederland zit er tot over zijn oren in getuige de giftige activiteiten van Nederlandse banken die mede leidden tot de bankencrisis van 2008, ons aandeel in het beruchte mondiale schaduwbankieren, Nederlandse banken die te groot zijn om bij mismanagement failliet te laten gaan, de duizenden belastingontduikende brievenbusmaatschappijen met als vestigingsplaats Schiphol, en de steeds eenzijdiger gerichtheid van ondernemingen op de korte termijn. We moeten scherper onderkennen dat onze waardevolle sociaaleconomische orde en de bestaanszekerheid van velen door dit mondiale financiële kapitalisme worden ondermijnd.

Bescherming tegen de crisisgevoeligheid van het kapitalisme begint bij een gezondere, duurzamere en socialere economie, bij een alternatief groeimodel. Ook binnen het bedrijfsleven, en zeker binnen het midden- en kleinbedrijf neemt de roep hierom toe. Ook daar is behoefte aan een financiële sector die weer dienstbaar is aan de reële economie, aan een economie die werkt voor de mensen in plaats van andersom.

Voor een robuuste economische groei zal een industriële kern nodig zijn die beantwoordt aan criteria van duurzaamheid. De Duitsers zijn verder op dit terrein, terwijl wij op sociaal terrein mogelijk lessen kunnen delen met hen. Van de Scandinavische activerende verzorgingsstaten valt eveneens veel te leren. 'Op de Nederlandse, Duitse en Scandinavische ervaringen valt een robuust en modern Rijnlands model te bouwen, en sociaal-democraten in deze landen zouden de denkkracht daartoe moeten bundelen. Sociale overwegingen en duurzaamheidsoverwegingen verdienen voortaan te worden geïntegreerd in het economische beleid van de Europese Unie en van Nederland, in plaats van dat sociaal en milieubeleid slechts wordt ingezet om de negatieve gevolgen van het economische beleid te compenseren. Als individuele burger ervaar je weinig grip op de stijgende zeespiegel, de vervuilde plastic soep in grote delen van de oceaan, de toename van extreem weer en bijbehorende klimaatvluchtelingen. Ook uit oogpunt van bestaanszekerheid is het van belang om een goed milieubeleid te voeren, in Nederland en daarbuiten.

Van waarde is ten derde dat overheden een anticyclisch beleid voeren waardoor de zekerheden voor mensen worden vergroot in tijden van toenemende onzekerheid. De sociaal-democratie hoort de behoefte van mensen aan basiszekerheid en enige continuïteit te erkennen. Natuurlijk kan de politiek geen zekerheid bieden in het leven, maar de sociaal-democratie kan wel aan de basiszekerheid van mensen willen bijdragen en voor zover er onzekerheden bestaan mensen willen toerusten om daarmee om te gaan. Met sociale maatregelen als deeltijd-WW en investeringen in vergroening van de economie zijn de ergste klappen van de bankencrisis van 2008 opgevangen, maar de aansluitende crisis van de Europese overheidsuitgaven noopt tot forse bezuinigingen. We zien hierdoor in diverse Europese landen, inclusief Nederland, de bestaanszekerheid van mensen onder druk komen te staan; massaontslagen, bezuinigingen op sociale voorzieningen en onzekerheid over de toekomst. Door dit procyclische beleid van bezuinigingen en afbraak van zekerheden in tijden van crisis, dreigt onze economie in een neergaande spiraal terecht te komen. Vergrijzing en ontgroening van de bevolking zetten de overheidsfinanciën verder onder druk. Van groot belang is dat de overheid onder deze omstandigheden aan de ene kant het beschermingsniveau van mensen niet onder een sociaal minimum laat zakken en aan de andere kant mensen en daarmee de economie blijft toerusten om grote risico’s tegemoet te treden, zich te ontwikkelen, en een bijdrage te leveren aan de productie. Het is urgenter dan ooit te investeren in de kennis en vaardigheden van mensen, met name van degenen die zwak staan op de arbeidsmarkt. Een collectief scholingsfonds dat ook open staat voor zelfstandigen zou hierin kunnen voorzien.

Op Europees niveau moet afscheid genomen worden van de versoberingsreflex en moet ruimte gemaakt worden voor sociale investeringen. In het afgelopen decennium hebben de Europese instellingen de nationale economieën eenzijdig de maat genomen wat betreft groei, inflatie en begrotingsevenwicht. Anton Hemerijck en Annemarieke Nierop stellen dat de EU uit gaat van een te smal economisch beleidsrepertoire van marktordening en fiscale soberheid – de agenda van de liberalen. Er is grote behoefte aan een Europees sociaal investeringspact, niet ter vervanging maar als aanvulling op het fiscale pact dat reeds gesloten is. Zolang reële sociale investeringen budgettair terzijde worden geschoven, vormt de EU-begrotingsdiscipline een belemmering voor een economisch, sociaal en politiek groeibeleid in de nasleep van de crisis, ook voor Nederland.

Ook internationaal geldt dat de huidige trend van hyperglobalisering ten koste gaat van onze democratie en het vermogen om onze verzorgingsstaat naar eigen maatstaven vorm te geen. Het antwoord daarop moet zijn dat we kiezen voor een ander type mondialisering. Kern daarvan: herziening van een aantal internationale spelregels, maar vooral meer ruimte voor democratische besluitvorming van nationale staten en regeringen. In de woorden van Rodrik: we moeten mondialisering niet opvatten als één systeem met één institutionele vormgeving, maar als een verzameling natiestaten die nogal van elkaar verschillen en waarvan het onderlinge verkeer wordt gereguleerd door een dun laagje eenvoudige, transparante, op gezond verstand gebaseerde verkeersregels: een Bretton Woods II. Daardoor kan een gezonde, duurzame wereldeconomie ontstaan, die landen de ruimte biedt op democratische wijze hun toekomst te bepalen.

Om te beginnen gaat het om de vormgeving van de handel. Het streven naar volledige vrijhandel dient te worden omgebogen naar een vrijhandelssysteem dat meer ruimte biedt aan diversiteit en mogelijkheden voor een nationaal economisch ontwikkelingsbeleid. Het gaat in de tweede plaats om een nieuwe internationale en nationale ordening van het financiële verkeer, hoe moeilijk het ook zal zijn om het financiële motief en risico in onze maatschappij tot verstandige proporties terug te brengen. Internationale spelregels zijn nodig om het internationale financiële verkeer aan banden te leggen, de ontwrichtende financiële speculaties tegen te gaan en belastingparadijzen aan te pakken. Een sociaal-democratisch ontwerp van financiële ordening zal de nutsfunctie van banken rigoureus moeten scheiden van de risicovolle activiteiten.

Van waarde is ten vierde dat een verantwoord evenwicht wordt gevonden tussen collectieve verantwoordelijkheid en sociale veerkracht als antwoord op de cumulatie van oude en nieuwe bedreigingen van bestaanszekerheid. In Nederland doen mensen in vergelijking met andere landen veel aan mantelzorg, maar de verzorgingsstaat is niet goed ingericht om deze vorm van solidariteit ruim baan te geven. Dat mensen verbindingen aangaan en van hun sociale netwerk gebruikmaken zou veel meer kunnen worden gestimuleerd en gefaciliteerd, en vooral ook: veel minder kunnen worden gehinderd. Veel problemen kunnen in sociale netwerken van familie en vrienden worden opgelost. Het is wel aan de overheid om betere voorwaarden en spelregels te scheppen voor mensen om werk met zorgtaken te combineren.

 

 

Goed werk

Sandra

Sandra Lonnee is buurtregisseur bij de politie in Amsterdam, in de rang van inspecteur. Haar vader werkte in de fabriek en haar moeder zorgde voor huis en gezin. Vrij traditioneel. Ze herinnert zich dat ze bij de schooldokter zat en dat die vroeg: wat wil jij later worden? Nou, bij de politie dus. Vriendinnen gingen naar het ziekenhuis en werden zuster, maar dat is Sandra te veel verzorging. Iets betekenen voor mensen, dat wilde ze wel. En bij de politie sta je overal met je neus bovenop, dat maakt het spannend. In de assistentiedienst gaat alles heel snel. Wat je dan meemaakt is vijf minuten of misschien een uur later voorbij. Maar in de buurtregie heb je een wat langere adem. Als Sandra ziet dat het slecht gaat met iemand, kan ze de GGD of een andere instanties vragen om wat te doen, ze kan de bal leggen waar die hoort.

Sandra heeft lang in Amsterdam-West gewerkt, Amstelveen is dan wel een cultuurschok. Mensen maken zich druk over dingen waar ze in West blij mee zouden zijn als ze zich daarover druk konden maken. Straattegels die niet goed liggen, bosjes die overhangen, een schuttingplank die te hoog is. De politie is er voor de veiligheid, de veiligheid van de burgers. Op de koffie bij iedereen om eens een gezellig praatje te maken, nou nee. Maar dat is wel het verwachtingspatroon. Mensen hebben het idee dat als ze een probleem hebben, dat ze dat dan bij de politie moeten neerleggen, ook bij een burenruzie. Maar dan denkt Sandra: wat verwachten die mensen nu eigenlijk van mij?

In West heb je veel meer criminaliteit en overlast. Soms van gestoorde mensen, die midden in de nacht de muziek aanzetten of gaan stofzuigen. Bij dat soort zaken zit je toch meer op je vakgebied. Amsterdammers zijn ook anders. Mensen met een grote mond, die je vervolgens wel een schouderklopje geven. Ze zeggen wat ze van je verwachten en als het niet lukt dan zeggen ze je de volgende keer toch weer gedag. Hier in Amstelveen klagen mensen eerder op een formele manier, zodat Sandra via haar chef te horen krijg dat er een klacht ligt, dat ze mensen niet serieus genomen zou hebben. Mensen zijn moeilijker tevreden te stellen, het is lastiger werken. Geef Sandra maar dat Amsterdamse.

De druk in de politieorganisatie is hoog. Het gaat vaak over resultaat, over cijfers. Je mag ook eigenlijk niet meer even ziek zijn. Het zal de individualistische wereld wel zijn, die ook hier is binnendrongen. Vroeger zat Sandra met twintig mensen op een groep, en als ze een keer ziek was dan was er niks aan de hand. Tegenwoordig is het allemaal individueel geregeld, dus is het van: als jij er nu niet bent, dan moet ik het dus doen. De collega’s hebben niet meer dat makkelijke contact met elkaar, waardoor je even wat uit de wind gehouden kunt worden, dat iemand weet wat jij gisteren hebt meegemaakt.

De druk van bovenaf wordt groter, en ook de druk van de buitenwereld, omdat er heel veel van je verwacht wordt. Op een gegeven moment hadden ze het zo georganiseerd dat je acht uur op straat was. Dan kon je dus een lijk vinden, en dan gelijk door naar een of andere twist en dan nog een aanrijding, en dan aan het eind van je dienst moest je dat ook nog allemaal op papier zetten. Dat je iemand dood hebt gevonden, daar denk je door dat tempo eerst niet meer aan, maar het komt later wel terug. Collega’s, soms van eenentwintig, tweeëntwintig, die worden met ernstige zaken geconfronteerd, maar doordat de roosters uiteenlopen weten mensen van elkaar niet wat er gebeurd is. Dus daar wordt ook niet meer over gesproken met elkaar. De cultuur bij de politie is nog steeds wel een beetje een machocultuur, zo van: nou, ik had een lijk. En de rest, de emotie die daarbij hoort, daar wandelen ze overheen.

Sandra draagt een speldje op haar das, tegen geweld tegen de politie. Naar aanleiding van wat er in Rotterdam was gebeurd op het strand, die uit de hand gelopen strandrellen. Dat heeft behoorlijk wat impact gehad. Ze vindt het zorgelijk dat alcohol en drugs algemeen goed worden, en die pilletjes en het cocaïnegebruik. Ze ziet jongeren soms zo agressief worden dat ze geen enkele invloed meer op ze heeft. Dan kun je nog zo leuk kunnen praten, maar dan gaat het dus echt om kracht.

Ze ziet veel collega’s PTSS ontwikkelen, alhoewel dat ook te maken kan hebben met de onderzoeken zelf natuurlijk. Want de samenleving staat er wel iets meer voor open. Maar de eisen zijn hoog. En er zijn tegenwoordig allerlei toetsen die gehaald moeten worden. Er zijn de AMOK-trainingen, tegen de schietpartijen op scholen. Daar leren politiemensen wat ze kunnen doen om zo’n jongen zoals toen in Alphen aan de Rijn uit z’n idiote gedachten te halen. Sandra en haar collega’s worden er tegenwoordig ook op getraind in zulke omstandigheden gebouwen binnen te gaan. En dan zijn er de nachtdiensten. Er wordt steeds meer gevraagd van je conditie. Allerlei bijzondere trainingen, zoals over banken heen springen. De collega’s die wat ouder zijn hebben daar toch ook wel wat moeite mee. Gisteravond heeft een collega na zo’n training op weg naar huis een hartinfarct gekregen. Ja, je zit bij de politie dus je wil toch hetzelfde blijven doen als je jongere collega’s. Maar dat zit er niet altijd in. Als zo’n collega dan een infarct krijgt, dan denkt Sandra toch na over doorwerken tot je zevenenzestigste. Hoe zien ze dat voor zich? Allemaal achter het bureau en dan alleen maar jonge mensen in de frontlinie, die eigenlijk zwaar overbelast worden omdat er niemand meer de dingen voor ze relativeert?

Nederland is een land waar je trots op mag zijn, omdat we dingen zo geregeld hebben dat het echt wel loopt. Maar als je van de binnenkant kijkt, dan zijn er dus wel mensen die buiten de boot vallen, die echt arm zijn, die hun kinderen niet te eten kunnen geven. Niet zozeer in Amstelveen, maar in Amsterdam-West waren mensen die gewoon niks hadden. Als Sandra daar in die flats kwam, dacht ze bij zichzelf soms wel: ik word al depressief als ik die flat inloop. En daar wonen dan soms gezinnen met meerdere kinderen, in de troep. Dat kinderen daarin opgroeien en dan dus ook, uiteindelijk, crimineel gedrag gaan vertonen, dat vind ze niet logisch, maar ze begrijpt het wel. Kijk, als niemand iets heeft, dan is dat anders natuurlijk, maar als jij de enige bent die niks heeft, tja.

Er wordt ook vreselijk misbruik gemaakt van de sociale voorzieningen, daar loopt Sandra ook tegenaan. Mensen die hun huizen verhuren, voor maximale bedragen. Of mensen die ziek zijn en die je altijd ziet sleutelen. Ze zeggen wel, ik werk niet, maar je wéét dat ze fietsen opknappen en verhandelen. Als Sandra daar wat van zegt, trekken ze zich er niets van aan, je moet dat via de formele weg doen. Je moet behoorlijk doorpakken, om ervoor te zorgen dat mensen weten dat toch nog ergens een straf op staat. Als je ziet wat er soms aan straffen gegeven wordt… Een kind zal het niet begrijpen als het over een halfjaar een tik op zijn vingers krijgt voor iets dat-ie nu gedaan heeft. Je moet wel consequent zijn in je gedrag, en Sandra denkt dat we dat niet zijn.

Jongeren bekladden een huis, omdat het een vervelende man zou zijn die daar woont. Of ze gooien eieren tegen de gevel. Dat is vernieling, het stinkt en je krijgt het er bijna ook niet meer vanaf. Sandra spreekt de ouders aan op dat soort gedrag, maar die hebben vaak het idee dat wat hun kinderen doen vergoelijkt moet worden. Ze vindt dat ouders harder aangepakt moeten worden. Als jongeren wat vernielen, zijn de ouders gewoon verantwoordelijk voor wat er vernield is en daar zouden ze voor moeten betalen. Je ziet kinderen soms al met elf jaar iets vernielen, een fiets stelen, een winkeldiefstalletje plegen. En het stopt meestal wel weer, rond hun eenentwintigste, als ze een vriendinnetje krijgen en het gewone leven gaan oppakken, maar in de tussentijd… Kinderen kunnen soms vreselijk gedrag vertonen. Met flessen wodka lopen, en dat door de cola gooien. En natuurlijk de drugs, het wiet roken. Hoe moeten over tien of vijftien jaar die hersenen eruitzien?

Sandra hoort het ook van haar kinderen terug, dat vriendinnetjes dronken zijn. In een tussenuur gaan ze naar Albert Heijn, en vervolgens wordt er alcohol gekocht en wiet gerookt, en later moeten ze dan nog weer terug naar school. Als Sandra er binnen haar werk wel eens mee te maken heeft, omdat mensen bellen over overlast gevende jeugd, dan vraagt ze aan zo’n school wat die van plan is eraan te gaan doen. Tja, zegt die school dan, wij zijn geen gevangenis. Nee, maar die kinderen zitten wel bij jullie op school! Ze vindt ook dat ouders wel heel makkelijk zeggen: ze zijn zestien, ik heb er helemaal geen invloed op, ik weet dat allemaal niet. Sandra vindt dat je verantwoordelijk bent voor je kinderen. En daarom is zij dus best wel een strenge ouder.

Sandra weet natuurlijk nooit precies wat haar kinderen doen, maar ze probeert ze altijd wel een positieve boodschap mee te geven. Ze vraagt waar ze zijn, met wie, en ze praat met ze. Natuurlijk kan ze ze niet controleren als ze gaan stappen, maar ze vindt dat veel ouders te snel zeggen: ach, ze gaan het toch doen. Dan denkt Sandra: ja maar je geeft een baby ook geen alcohol in de fles omdat die dat uiteindelijk toch wel gaat drinken. Veel ouders zijn te weinig thuis, ze werken, en dan voelen ze zich schuldig, dan zijn ze toegeeflijker. Zij of haar man probeert altijd zelf thuis te zijn op het moment dat haar zoon uit school komt. Ze wil dus niet dat-ie op straat gaat hangen. Ze vindt dat dat ook niet kan. Nee, Sandra doet het niet zoals haar ouders het deden, ze probeert meer op te voeden met empathie, meer uit te leggen waarom ze denkt dat dingen goed zijn, of waarom ze zo zijn. En ze probeert meer betrokken te zijn.

Ontplooiing in, buiten of door werk

De arbeidsomstandigheden van mensen stonden niet op voorhand centraal in onze interviews, zoals dat bijvoorbeeld wel het geval was in de negentiende-eeuwse arbeidsenquêtes waarin een staatscommissie de verzuchtingen van arbeiders in Nederland optekende, in de gesprekken die Abram de Swaan in de jaren zeventig optekende in Een boterham met tevredenheid, of bij de mensen aan de rafelrand van de arbeidsmarkt die Will Tinnemans meer recent aan het woord liet in Onzeker bestaan. Desalniettemin gaat het in onze interviews veel – heel veel – over werk. Als bron van inkomen en als voorwaarde om belangrijke stappen in het leven te kunnen zetten, zoals het stichten van een gezin. Maar ook als persoonlijke uitdaging als mensen werk combineren met een gezin. Als bron van identiteit, sociale contacten, ontplooiing en welbevinden. Maar ook als aanleiding voor chagrijn of erger. Het zit ook allemaal in het verhaal van Sandra: de trots op haar werk als stoere inspecteur in Amsterdam-West, en de toenemende stress door externe en interne druk die daar voor haar en haar collega’s bij komt kijken. Haar dagelijkse werk om jongeren die zich misdragen aan te pakken, en haar pogingen om dat werk te combineren met de opvoeding van haar kinderen in dezelfde leeftijdscategorie.

De sociaal-democratie heeft een traditie te verdedigen waar het om arbeid gaat. Partij en vakbeweging trokken daarbij veelal samen op. Ze is die idealen overigens niet steeds trouw gebleven, en zal ook nu enig reparatiewerk moeten plegen. Maar die traditie kan, aangepast aan de hedendaagse omstandigheden, een antwoord bieden op de zorgen en aspiraties die we in onze interviews optekenden. Daarbij gaat het niet alleen om voldoende werk en een behoorlijke beloning, maar ook over de betekenis van werk voor de menselijke ontwikkeling en ontplooiing, over de mogelijkheid om werk te combineren met de rest van het leven, en over hoe belangrijk goed werk is voor de samenleving als geheel. In het voorgaande hoofdstuk over bestaanszekerheid is al veel gezegd over goed werk in termen van voldoende werk en een behoorlijke beloning. In dit hoofdstuk zal vooral de kwaliteit van het werk centraal staan, en de mogelijkheid om werk te combineren met de rest van het leven.

In het sociaal-democratische programma hebben drie visies of perspectieven op arbeid centraal gestaan, respectievelijk visies die ontplooiing  in, buiten en via het werk benadrukken. Aanvankelijk stelden de socialisten zich de bevrijding van de arbeid ten doel, opdat mensen zich in hun werk konden ontplooien. Het kapitalistische productieproces vervreemdde de mens van zijn werk en dus van zichzelf. Alleen door het kapitalisme af te schaffen en de private eigendom van de productiemiddelen op te heffen zou het productieproces radicaal kunnen veranderen, zo meende Marx, en de mens de gelegenheid kunnen bieden zich in zijn werk te ontplooien en uit te drukken.

Voor de ook hier invloedrijke Engelse socialist William Morris ging het er bovendien om dat het ambachtelijk vakmanschap van de werkende mens centraal zou komen te staan: mooie dingen maken in plaats van lelijke massaproducten. Gevoed door diepe scepsis over de echte mogelijkheden van democratie en invloed in de onderneming – en mogelijk gemaakt door toenemende welvaart – werd een tweede visie, van bevrijding uit de arbeid invloedrijk. In dit perspectief wordt de ontplooiing en zingeving van mensen ook en vooral buiten het werk gezocht: in de vrije tijd en in de sfeer van de consumptie. Vooral in de periode van snelle economische groei na de oorlog kwam dit perspectief op de voorgrond te staan.

Als reactie op economische crises en werkloosheid als gevolg van economische structuurveranderingen is ook steeds een derde perspectief in de sociaal-democratie aanwezig geweest: dat van ontplooiing door werk. In deze visie is werk essentieel voor mensen, niet alleen als middel van bestaan, maar ook om deel te nemen en te integreren in de samenleving, om sociale netwerken te ontwikkelen en bij te dragen aan de samenleving als geheel.

Vanaf de jaren negentig heeft dit laatste perspectief, de bevordering van de arbeidsparticipatie, een centrale plaats in de sociaal-democratische politiek en het Nederlandse sociaaleconomische beleid ingenomen. Het werd het meest kernachtig verwoord in de leuze ‘werk, werk en nog eens werk’ van het eerste paarse kabinet-Kok. Een hogere arbeidsparticipatie was niet alleen goed voor degenen die nog buiten de arbeidsmarkt bleven, zo luidde de redenering, maar ook noodzakelijk voor het vergroten van onze welvaart, het behoud van de verzorgingsstaat en het bestrijden van armoede. Dit beleid is in veel opzichten succesvol geweest, want de arbeidsparticipatie in Nederland is inmiddels de hoogste van de EU en de werkloosheid behoort tot de laagste. Het is tijd de aandacht ook te richten op zeggenschap over en kwaliteit van het werk – juist omdat die onder druk zijn komen te staan.

De waarde van goed werk, zeggenschap, onderling respect en samenwerking geldt overigens niet alleen voor de individuele werknemers, maar ook voor het bedrijf, de organisatie, de maatschappij als geheel. In hedendaagse organisaties, waar kennis, professionaliteit, dienstverlening en ondernemingszin een grote rol spelen, zijn de werknemers, het menselijk kapitaal, de belangrijkste asset. Organisaties die zich daarvan bewust zijn, versterken de kwaliteit en efficiëntie door de nadruk te leggen op de ondernemingszin van de werknemers, op de ontwikkeling van hun kwalificaties, op hun betrokkenheid bij de besluitvorming in de onderneming of instelling, op teamwerk en op uitstekende relaties tussen de werknemers en het management. De werknemers en hun dienstverlening staan centraal, zowel in de organisatie van het werk en het management als bij technologische vernieuwingen. Dit type bedrijf of instelling beantwoordt niet alleen aan sociaal-democratische maatstaven van participatie en kwaliteit van de arbeid, maar ook, als het om de toekomst van de private sector gaat, aan criteria van concurrentievermogen.

Goed werk onder druk

Het gesprek met Sandra Lonnee leert ons veel over de kwaliteit van het werk bij de politie – maar het staat ook model voor wat veel andere werknemers meemaken die in de frontlinie van de publieke dienstverlening opereren. Zij komen een overdaad aan maatschappelijke problemen en een tamelijk ongeremd publiek tegen: een dronken menigte die zich tegen het ambulancepersoneel keert, een buschauffeur die met agressieve passagiers geconfronteerd wordt. Bijna zestig procent van de onderwijzers, het treinpersoneel, ambulancepersoneel en medewerkers van de Belastingdienst heeft wel eens met agressie te maken. Dat is de druk van onderaf. Dat zijn wij dus, of zoals wij liever denken: de anderen.

Tegelijkertijd hebben de publieke dienstverleners te maken met de druk van bovenaf. Dan gaat het om een overvloed aan nieuw beleid, reorganisaties en hervormingen die te vaak zonder rekening te houden met de gevolgen voor de werkvloer in gang worden gezet. Het gaat vaak om schaalvergroting en marktprikkels, die aan de top tot losgezongen gedrag en op de werkvloer tot steeds meer controle en verantwoordingsplicht leiden. En dan zijn er de nieuwe managers en managementmodes waardoor de mensen die het uitvoerende werk doen zich verder vervreemd voelen van hun instelling. Hun professionaliteit – of beroepseer – krijgt onvoldoende ruimte.

Ook in het bedrijfsleven is de kwaliteit van het werk onder druk komen te staan. Dat komt in de allereerste plaats door het snoeiharde streven naar snelle winst. ‘Cash is king’, zoals een werknemer van een kledingbedrijf die we interviewden het kort samenvatte. In beursgenoteerde bedrijven - en ondernemingen die dit gedrag kopiëren – is de aandeelhouderswaarde centraal komen te staan; de aandeelhouderswaarde regeert het bestuur en het management van het bedrijf. Hedgefondsen en private equity, overnames en fusies: ze zijn gericht op het snelle cashen voor de aandeelhouders. Dat leidt tot een gure wind voor de werknemers en voor zelfstandigen die tegen een minimale vergoeding en zonder opbouw van rechten worden ingehuurd. Ondernemingen dreigen te verworden tot handelswaar en daarmee tot ontwortelde ondernemingen, in de woorden van Arnoud Boot, waar de motivatie en identificatie van de werknemers met het bedrijf ernstig is ondergraven. De afstand – ook in inkomen – tussen de top en de rest van de organisatie heeft economisch en moreel onverantwoorde proporties aangenomen.

 

Dan is er de afwenteling van bedrijfsrisico’s en kostenbesparingen op wat de ‘onderkant van de arbeidsmarkt’ heet en die al in het hoofdstuk over bestaanszekerheid aan de orde kwam. De afwenteling vindt ook plaats door vormen van flexibilisering die niet alleen schadelijk zijn voor de werknemers, voor de kwaliteit van hun werk, hun vooruitzichten, maar ook voor de kwaliteit van de onderneming. Flexibiliteit kan voor zowel bedrijf als werknemer goed uitpakken –

bijvoorbeeld als het gaat om flexibele werktijden en functievervulling – maar wordt een molensteen voor de werknemer die meer stabiliteit en vooruitzichten wenst. En een negatief punt voor de onderneming als het gaat om achterblijvende scholing, minder betrokkenheid en minder kennis van de werknemers, met als gevolg dat innovatie uitblijft. Paul de Beer en Ronald Dekker constateerden in hun overzichtswerk over studies naar flexibilisering dat de balans naar de negatieve effecten van flexibilisering dreigt door te slaan.

 

Ten slotte is er de toegenomen stress door het werk: door tijdsdruk, druk op prestaties, competitie. Die stress is vooral voor mensen ‘in het spitsuur van het leven’ aanwezig. Onze kinderopvang, verlofregelingen en flexibiliteit in werktijden zijn nog niet goed op ingericht op de combinatie van werk, opvoeding en zorgtaken.

Wat doen we eraan?

Wat opleiding en motivatie betreft zijn we, de beroepsbevolking van Nederland, een high potential. We zouden van ons werk meer moeten kunnen maken dan alleen geld verdienen. Maar de wijze waarop ons werk is georganiseerd, in de publieke zowel als de private sector, vormt daarvoor dikwijls een belemmering. Wat doen we eraan?

Ook uit oogpunt van de kwaliteit van het werk is het van belang dat de onderneming of de werkplek een gemeenschap wordt. In de private sector is een nieuw ondernemingsregime nodig, waarin niet de aandeelhouderswaarde centraal staat maar waarin alle belangen tot hun recht komen. Zeggenschap van werknemers over hun werk is daarbij een sine qua non. Het erkennen en gebruiken van de kennis en ervaring van werknemers bevordert niet alleen hun plezier in het werk, maar draagt ook bij aan een hogere arbeidsproductiviteit en is essentieel voor het welslagen van innovatie.

Zowel het combineren van werk en zorgtaken als het vinden van een goede balans tussen werk en privé vraagt om meer zeggenschap over werktijden, roosters en werkplek. Zo kan het door ’s avonds soms een uurtje thuis te werken mogelijk zijn om kinderen op tijd op te vangen uit school of de kinderopvang. Ook zullen bijvoorbeeld openingstijden van publieke voorzieningen afgestemd moeten worden op een situatie waarin niet langer één van de ouders overdag thuis is.
Naast inspraak over werktijden en werkplek, verdient de werknemersinbreng versterking bij reorganisaties, fusies en overnames. Binding aan de onderneming van boven en beneden vindt verder plaats via een correct beloningssysteem, en een andere benadering van flexibiliteit (meer interne flexibiliteit, meer flexibiliteit in werktijd en werkplaats) en mobiliteit, en goede scholingsmogelijkheden voor werknemers.

Aantasting van de essentie van het ontslagrecht – bescherming tegen willekeur en tegen lichtvaardig ontslag – is de verkeerde route, evenals verdere externe flexibilisering van arbeidscontracten. De juiste route is er een waarin geïnvesteerd wordt in de werknemer, waarin hij begeleid wordt bij zijn loopbaanontwikkeling en waarin hij of zij toegerust wordt om de knelpunten in het spitsuur van het leven op te lossen. Dan gaat het om een sociale investeringsagenda met kwalitatief hoogwaardige voorzieningen (kinderopvang, scholing), betere voorwaarden voor de combinatie van werk en zorgtaken (verlofregelingen, flexibele werktijden die niet nadelig uitpakken voor de opbouw van rechten), en stimulering en facilitering van sociale netwerken.

In de publieke sector is het van waarde dat de politiek een meer directe verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het werk neemt. Zij kan ervoor zorgen dat de arbeidsverhoudingen en de kwaliteit van het werk een voorbeeld zijn voor moderne bedrijfsvoering waarin het menselijk kapitaal centraal staat. Er zijn voorbeelden om te volgen, zoals de buurtzorg, fantastische scholen, een geweldige huisartsenpraktijk of politie-eenheid. Het zal erom gaan de professionele kwaliteit van de werkers in de publieke sector tot haar recht te laten komen – met alle gevolgen voor de schaal van de instellingen, de focus op de kernfunctie (niet op het vastgoed), het type management en het inzicht in de uitvoeringspraktijk. En dat alles laat onverlet dat wij, als publiek, onszelf behoorlijk moeten gedragen en onze mede-burgers daarop moeten aanspreken. Opdat Sandra Lonnee haar werk behoorlijk kan uitvoeren.

 

Verheffing

Joris

Joris Schuurman Hess is tweeëntwintig jaar en werkt bij welzijnsorganisatie GORS in Middelburg als begeleider van verstandelijk gehandicapten. Althans, hij heeft daar stage gelopen tijdens zijn opleiding en hoopt er te mogen blijven werken. Dat laatste is afhankelijk van het behalen van zijn mbo-diploma aan het ROC in Terneuzen. Maar laat dat nu eenvoudiger gezegd dan gedaan zijn.

Een halfjaar geleden kregen de leerlingen te horen dat ze een scriptie moesten schrijven. Maar wat ze erin wilden hebben? Dat was voor iedereen onbekend, de leerlingen kregen zelfs geen aanknopingspunten mee. Er was geen enkele begeleiding. Niet in de vorm van lessen of direct contact met een beoordelende docent of wat dan ook. Alle communicatie verliep via de mail. Dus toen heeft Joris maar op eigen houtje een onderwerp gekozen. Het leek hem leuk iets met zijn stage bij GORS te doen. Een verhaal over zijn praktijkervaringen. Daar behandelde hij een patiënt met het syndroom van Down die aan dementie leed. Daarmee omgaan is natuurlijk heel moeilijk. Dementie is altijd al ingrijpend, maar voor zo iemand natuurlijk nog meer. Eigenlijk alles in het proces van deze patiënt heeft hij in zijn scriptie behandeld: de dagelijkse gang van zaken met die patiënt en zijn ervaringen als begeleider. Twee maanden voor de diplomeringsdatum van het ROC moest hij de scriptie inleveren.

Toen kreeg Joris te horen dat het allemaal niet voldoende was. Zijn leraar zei: Als ik jouw stuk naast de criteria leg, dan is het hier en hier nog niet goed genoeg. Waarop Joris zei: Goh, ik heb die criteria helemaal nooit gehad, had je die niet even kunnen geven? De leraar vond dat Joris te veel op de stoel van de gedragsdeskundige was gaan zitten. Dat hoorde niet bij zijn studie, vond hij. En het stomste van alles was nog wel dat hij dit pas een week voor de diplomering te horen kreeg. Hij had dus maar een paar dagen de tijd om alles te verbeteren. Joris deed dat maar, want anders was hij bang die diplomeringsdatum niet te halen. Kwam-ie een dag voor de deadline met nog een aantal puntjes! Joris snel verbeteren, maar het was al te laat helaas. Zijn begeleider kon het niet meer op tijd nakijken. Een dag nadat de deadline verstreken was, kreeg Joris via de mail te horen dat zijn scriptie niet goed genoeg was.

Joris heeft nog gevraagd of ze een uitzondering konden maken. Dat wilden ze niet, want die data, zeiden ze, stonden nu eenmaal vast. Nu moet Joris een verlengtraject in. Het kost van te voren wel een jaar lesgeld: duizend euro dus. Die krijgt hij als hij zijn diploma haalt terug, maar voor nu is het allemaal wel vervelend. Zeker omdat Joris meerdere keren aan de bel heeft getrokken. Daar krijg je dan helemaal geen antwoord op. Ja, dat je de zoveelste op een stapel van weet ik hoeveel bent. Uiteindelijk dacht Joris: het zal wel goed zijn, juist omdat hij niks hoorde. Het ergste van alles vindt hij nog wel dat het nare consequenties kan hebben voor zijn werk. In zijn contract staat namelijk een clausule dat zijn werk bij de welzijnsorganisatie GORS ophoudt als hij niet binnenkort een diploma heeft.

Joris neemt het zijn scriptiebegeleider op zich nog niet eens zo heel erg kwalijk. Hij deed het ook voor het eerst. Voor hem was het ook een chaos. Ook hij vond dat het allemaal bizar was verlopen. Joris heeft echt het idee dat het allemaal veel te groot is geworden, dat ROC-gebeuren. Op de administratieve afdeling van zijn school zijn alleen al tweehonderd mensen in dienst. Tweehonderd! Het is gewoon een enorm log apparaat, dat eigenlijk niet te verslaan is. Joris wilde bijvoorbeeld een klacht indienen over de hele gang van zaken. Toen heeft hij eens gekeken langs hoeveel mensen hij daarvoor moest. Dat bleken tien verschillende mensen te zijn. Tien mensen, bij wie hij elke keer weer zijn verhaal zou moeten gaan doen. Dat leek hem een beetje te veel van het goede. Heel veel moeite voor waarschijnlijk helemaal niks, want het is nog maar de vraag of ze iets met die klachten doen. En Joris is echt niet de enige hoor. Ze krijgen meer dan genoeg klachten binnen.

Toen Joris voor het eerst binnenkwam op het ROC Westerschelde dacht hij juist: dit is een goede school, wat een verademing. Hij is namelijk geboren met een afwijking waardoor hij niet zo goed kan rekenen, dyscalculie. Het is een soort dyslexie, maar dan met cijfers. Daardoor heeft hij extra begeleiding nodig. Die werd op het ROC Westerschelde meteen geboden. Nou ja die werd toegezegd.

Op zijn vorige opleiding was dat heel anders. Dat was het ROC in Goes. Hij deed daar een opleiding tot sociaal cultureel werker. Begeleiding? Daar hadden ze nog nooit van gehoord. Tijdens zijn eindgesprek zeiden ze: Je staat niet sterk in je schoenen, je hebt geen grote mond, dus je kunt beter vertrekken. Terwijl Joris meerdere keren gewaarschuwd had dat het misging. Hij had echt zoiets van: help mij nou. Hij is uiteindelijk één, nee twee keer, bij iemand geweest. Zeiden ze: we gaan er wat aan doen. Maar dat gebeurde beide keren dus niet. Ja, Joris had een studiebegeleidster. Tenminste zo noemden ze dat. Maar die heeft hij dat hele jaar eigenlijk nauwelijks gezien. Terwijl het met een beetje hulp waarschijnlijk wel was gelukt, want zelfs zonder die helpende hand zat er een stijgende lijn in zijn cijfers. Hij heeft gewoon altijd een beetje tijd nodig om zich te settelen. Maar die kans werd hem niet gegeven. Joris was aan het eind van het jaar helemaal klaar met die opleiding. Dus nee, hij heeft geen grote mond opgezet toen ze hem wegstuurden.

De eerste keer dat Joris dacht wat gebeurt me nou, was tijdens een les Nederlands. Dat weet hij nog goed. Ze hadden op donderdag een blokuur. Daarin kregen ze een schrijfopdracht. Toen zei die leraar tot hun verbazing: dit en dit moet je doen. En weg was-ie. Ze hebben hem de rest van het blokuur niet meer gezien; hij moest iets anders doen, had het waarschijnlijk ook heel druk met neventaken en zo. Joris durft er niet goed over te oordelen, maar gek is het natuurlijk wel. Je moet je voorstellen dat de leerlingen Nederlands op de computer moesten leren. Op een site moesten ze hun gegevens invullen en aan het eind van de opdracht mailden ze die naar de docent. Op een gegeven moment was er iets helemaal mis met die computers. Die liepen vast. Daardoor waren ineens alle gegevens verdwenen. Toen moesten de studenten dus alles weer opnieuw doen. Niet op school, maar thuis, want er was geen ruimte in hun rooster om alles in te halen. Het jaar daarop was het weer raak, bij Engels ditmaal. Hetzelfde programma, hetzelfde probleem.

Joris vindt het niet gek dat iedereen stopt met de opleiding. De demotivatie is groot. Er is zoveel onduidelijkheid. De ene keer is het dit, de andere keer dat. En niemand die je kan vertellen waarom. Vorig jaar werd gezegd dat Engels niet verplicht was voor het diploma. Je had alleen inzetplicht, je moest aanwezig zijn, maar voor je cijfer maakte niet uit. Zeiden ze plotseling: Jullie moeten minimaal een 8,5 halen op niveau B1. Een paar weken later was het weer: Oh nee, toch niet. Uiteindelijk hebben ze zelf maar een beetje uitgevogeld wat er van hen verwacht werd. En wat was dat? Niets, alleen een inzetplicht dus. Er zijn echt ook wel goede leraren hoor, maar Joris heeft het gevoel dat ook zij alleen staan in een grote anonieme omgeving. Iedereen op een eigen eiland, waar iedereen zijn eigen ding doet.

De ideale school van Joris is veel kleiner. Het begint al met het persoonlijke contact. Leraren hebben nu eigenlijk nauwelijks tijd voor je. Om een opdracht uit te leggen krijgt een leraar tien minuten. Dat is dan klassikaal. Eigenlijk moet je het daarmee doen. Dan kun je wel vragen stellen via de e-mail, maar één-op-één contact is echt een uitzondering. Terwijl het wel kan die kleinschaligheid. Op de middelbare school zat hij in een klas met maar acht leerlingen. Dat was wel een bijzondere school, ja. Daar zat hij vanwege zijn dyscalculie. Op het gewone Goese Lyceum wisten ze daar geen raad mee, dus stuurden ze hem naar het Vliedberg. Dat was wel even wennen hoor. In zijn eerste jaar had hij het er heel moeilijk mee. Vooral sociaal was het zwaar. Hij wist eigenlijk niet waar hij terechtkwam. Hij dacht, niet slecht bedoeld hoor: wat een rare mensen allemaal hier. Het zijn toch bijna allemaal moeilijk opvoedbare kinderen. Maar uiteindelijk heeft hij daar veel vrienden gemaakt. Op zich verschilde de lesstof nog niet eens zo heel erg van het Goese Lyceum, maar je krijgt gewoon veel meer hulp en ondersteuning. Veel persoonlijker. Zonder het Vliedberg had hij het niet gered.

Die laatste twee jaar op het ROC Westerveld in Terneuzen beschouwt Joris niet als verloren. Die stage bij GORS was voor hem een eyeopener. Hij heeft echt gevonden wat hij leuk vindt om te doen. Het vak leer je niet op school, maar op stage. Hij was niet de enige die er zo over dacht. Het overgrote deel van de studenten had zulke positieve ervaringen tijdens hun stages. Het onderwijs is eigenlijk te algemeen. Een beetje van alles, randkennis eigenlijk. Terwijl je het moet toespitsen op het echte werk: het verzorgen van de mensen.

Het idee achter GORS spreekt Joris wel aan. Je kunt van zo’n instelling voor een groep mensen met een beperking makkelijk een soort van gevangenis maken. Dat is gelukkig niet hoe GORS wil werken. Het motto is: laat die mensen zo zelfstandig mogelijk functioneren. Dat past wel bij Joris. Ooit hoopt hij zijn eigen organisatie op te zetten. Het mag voor hem allemaal nog wat kleinschaliger. Maximaal dertig personen op een afdeling, zoiets. Verstandelijk beperkte mensen die persoonlijke aandacht krijgen functioneren veel beter dan als ze alleen een groepsbehandeling ondergaan. Uiteindelijk wil je de patiënten of die nu verstandelijk of lichamelijk gehandicapt zijn, motiveren. Zodat zo iemand bezig blijft, het gevoel heeft ertoe te doen. Om dat voor elkaar te krijgen, moet je de patiënt door en door kennen. Je moet kunnen inschatten in wat voor stemming hij is. Dat kan echt per dag verschillen. Zonder die persoonlijke aandacht zie je zulke dingen niet. En die persoonlijke aandacht, die krijg je alleen als alles klein opgezet is.

Verheffing: een sociaal-democratisch ideaal

In het verhaal van Joris klinkt een klassiek sociaal-democratisch ideaal door: dat ieder individu zijn talenten kan ontplooien, in de samenleving tot zijn recht kan komen en zich gezien mag weten. Dit streven reisde de afgelopen eeuw onder allerlei noemers: verheffing, vorming, ontplooiing, emancipatie en bewustwording. We gebruiken hier het begrip verheffing onder verwijzing naar het historische ideaal waar telkens een eigentijdse invulling aan is gegeven. Het gaat daarbij trouwens niet alleen om individuele ontwikkeling en het verwerkelijken van persoonlijke idealen, maar ook om een maatschappelijk beschavingsideaal.

Centraal staat hier om de cultuurpolitieke traditie van de sociaal-democratie. Zeker, de sociaal-democratie heeft altijd de strijd om materiële lotsverbetering hoog in het vaandel gehad. Zij streefde ernaar dat bestaanszekerheid en goed werk voor iedereen binnen bereik zouden komen. Maar daarnaast ging het haar ook om ‘geestelijke waarden’, om respectvolle omgangsvormen, om goed onderwijs en om culturele ontwikkeling. Ze heeft zich steeds tegen de culturele achterstelling van bevolkingsgroepen gekeerd en zich kritisch opgesteld tegenover de culturele effecten van het kapitalisme en de modernisering.

Bij die culturele benadering van de sociaal-democratie ging en gaat het in de eerste plaats om de wijze waarop de productie- en dienstverleningsprocessen in onze economie zijn vormgegeven. Beantwoorden ze wel aan normen van menselijke waardigheid en respect en komen ambachtelijkheid, vakmanschap en beroepseer er voldoende tot hun recht? Leiden zij bijvoorbeeld niet tot een onverantwoorde druk die aanzet tot een vlucht in medicijnen?

Een tweede lijn van denken in de sociaal-democratie richt zich tegen te overheersende invloed van de economische logica van markt en winst op andere maatschappelijke sferen en de maatschappij als geheel. In de woorden van de voormalige premier van Frankrijk Lionel Jospin: we wensen misschien wel een markteconomie, maar geen marktmaatschappij. Kees Schuyt schreef over de ‘koloniserende en ondermijnende penetratie van de economische sfeer ten opzichte van de zorg- en cultuursferen’. Denken in termen van economisch rendement is op zichzelf niet verwerpelijk, maar gaat gevaar opleveren als het wordt overgebracht naar ‘maatschappelijke sferen waar het economisch element niet dominant is of niet dominant behoeft te zijn’. Het calculisme, zoals Schuyt het noemt, ‘is voor (bepaalde) maatschappelijke sectoren wat het botulisme is voor flora en fauna: namelijk een teken dat er een overmaat gekomen is van iets dat op zichzelf niet slecht is’. Die andere maatschappelijke sferen horen door hun eigen logica, waarden en normen te worden geleid.

In de derde plaats gaat volksverheffing in de sociaal-democratische traditie ook van meet af aan over het kunnen ontwikkelen van talenten en het verruimen van de geestelijke horizon. Let wel: die culturele ontwikkeling was in belangrijke mate zelfverheffing. Lezen, goed onderwijs, de natuur verkennen, actieve cultuurbeoefening, deelgenoot worden aan de schoonheid van de kunsten hoorden daarbij.

Onderwijs, als een van de belangrijkste middelen om gelijke kansen op ontplooiing te scheppen, heeft altijd een centrale rol gespeeld in het sociaal-democratische verheffingsstreven. Onderwijs heeft arbeiderskinderen mogelijkheden geboden om zich te emanciperen, en vervult die functie vandaag weer voor omvangrijke groepen kinderen van immigranten. Het streven van leraren en leraressen om leerlingen te boeien en hen verder te brengen in kennis en ontwikkeling, is een traditie om te koesteren in de sociaal-democratie, die ooit ook een onderwijzersbeweging was. Icoon Theo Thijssen schreef daar prachtig over in zijn dagboek van een onderwijzer De gelukkige klas. Zo’n klas had je Joris gegund!

 

Hoewel er pogingen zijn geweest om een eigen, anti-burgerlijke en anti-kapitalistische cultuur te ontwikkelen in de sociaal-democratie, overheerst uiteindelijk het streven naar deelname aan wat de burgerlijke cultuur aan waardevols heeft voortgebracht, naar ontwikkeling van cultureel burgerschap, naast politiek en economisch burgerschap. Juist omdat ontvankelijkheid voor de kunsten afhankelijk is van het welvaartspeil, het onderwijs, de arbeidstijden en de huisvesting van mensen, hebben sociaal-democraten kunstpolitiek altijd verbonden met sociale politiek.

Ten slotte en in de vierde plaats had en heeft het verheffingsideaal betrekking op het tegengaan van ontoelaatbaar en onbeschaafd gedrag, zowel van asociale buren en gezinnen als van asociale kapitalisten en ondernemers. Dan gaat het dus om samenlevingsnormen en de beschaving van onze wereld.

De urgentie van het verheffingsideaal

Verheffing aan het begin van de eenentwintigste eeuw vraagt vanzelfsprekend om een andere invulling dan verheffing aan het begin van de twintigste eeuw. Maar het cultuurpolitieke ideaal heeft opnieuw grote urgentie. Om te beginnen is het met de gelijkheid van kansen in het onderwijs heel wat minder goed gesteld dan we een tijdje geleden hoopten en verwachtten. Feit is dat hun sociaaleconomische en sociaal-culturele achtergrond nog steeds een belangrijke invloed hebben op de schoolloopbaan van kinderen. De vaardigheden van ouders om hun kinderen te begeleiden en ondersteunen in hun ontwikkeling zijn zeer ongelijk verdeeld. In kansarme gezinnen ontbreekt het aan sociaal en cultureel kapitaal, waardoor kinderen al vroeg een achterstand oplopen die later nauwelijks meer in te halen valt. De werking van de verzorgingsstaat als emancipatiemachine staat bovendien onder grote bezuinigingsdruk. Blijft het voor kinderen mogelijk om opleidingen te ‘stapelen’ en op die manier via een omweg alsnog toegang te krijgen tot middelbaar en hoger onderwijs, en daarmee tot de arbeidsmarkt?

Zorgelijk is dat de afstand tussen bevolkingsgroepen met meer en minder onderwijs en ‘cultureel kapitaal’ groter wordt en moeilijk overbrugbaar blijkt – het idee dat we zouden toegroeien naar een grote middenklassenmaatschappij is aan het verdampen, zo constateren Sjoerd Karsten en Wim Meijnen in hun studie Leergeld. Onderwijs, in de naoorlogse sociaal-democratie wellicht iets te optimistisch beschouwd als de weg naar emancipatie en gelijke maatschappelijke kansen bij uitstek, loopt zelfs het risico de ‘ruggengraat van ongelijkheid’ te worden, waarschuwt Jaap Dronkers. De rol van het onderwijs als voorsorteermachine voor maatschappelijke loopbanen neemt in belang toe. Laaggeschoolden trouwen ook grotendeels met laaggeschoolden en hooggeschoolden met hooggeschoolden. Laag – en hooggeschoolden ontmoeten elkaar nog zelden, kennen elkaars leefwereld niet. Mark Elchardus vat die trend samen door te stellen dat sociale klassen vandaag eigenlijk onderwijsklassen zijn geworden en dat dit in feite geen klassen zijn maar standen: niet alleen economisch, maar ook sociaal en cultureel van elkaar gescheiden. De afstand die zo geschapen wordt krijgt een extra lading door de betekenis die wij hechten aan het meritocratisch uitgangspunt dat niet afkomst, maar capaciteit en inzet beslissend moeten zijn voor het vervullen van maatschappelijke functies. Dat is een verstandig uitgangspunt, mits daaruit niet een nieuwe ongelijkheidsfilosofie voortvloeit: wie niet kan meekomen in het onderwijs wordt beschouwd als tweederangsburger – en dat is dan ook nog eens eigen schuld. We komen hier bij het thema ‘binding’ op terug.

Weliswaar is de toegankelijkheid van kunst en cultuur toegenomen, het culturele erfgoed binnen bereik van velen gekomen, en maken grote groepen kinderen op enigerlei wijze kennis met kunst en cultuur, de toegang tot cultuur is zeer ongelijk verdeeld gebleven en een gemeenschappelijk cultureel oriëntatiekader is gaan ontbreken. Er is bovendien geen waardevaste (sociaal-democratische) elite meer die het goede voorbeeld geeft. De positie van kunst en cultuur is de afgelopen periode sterk onder druk komen te staan, een actieve overheidsrol op dit gebied heeft aan draagvlak verloren. Kunst en cultuur spelen in het basisonderwijs slechts een marginale rol; in het voorgezet onderwijs staat het vak onder grote druk. Dat geldt in meer algemene zin voor de drie nog steeds actuele uitgangspunten voor cultuurpolitiek die voormalig wethouder van Amsterdam, Boekman, formuleerde: spreiding en participatie; het onderhoud en het doorgeven van dat wat aan ons is overgeleverd aan culturele rijkdom; en steun aan de levende kunst.

Daar komt bij dat de ‘geestelijke infrastructuur’ van Nederland (de term is van Jos de Beus) - het onderwijs, de culturele instellingen, de publieke omroep – onder druk staat. De ‘verheffingskracht’ van de instellingen en de publieke waarden waarop zij zijn gebouwd, zijn ondermijnd door hedendaagse marktkrachten, onverstandig overheidsbeleid en onachtzaamheid. Dat geldt overigens niet alleen de geestelijke infrastructuur maar ook andere delen van de publieke sector. Het verhaal van Joris laat zien dat de praktijk van het onderwijs ver weg is gedreven van wat sociaal-democraten als Theo Thijssen ooit voor ogen heeft gestaan. Het is een schandvlek op onze verzorgingsstaat.

Het calculisme van Schuyt is diep doorgedrongen in delen van het publieke domein, waar het niet thuishoort. Het leidde tot instellingen van onderwijs waar onroerend goed een belangrijker beleidsthema werd dan de kwaliteit van het onderwijs. Het overheidsbeleid, gericht op meer ‘efficiency’ door schaalvergroting

en meer verantwoording door controle en regelzucht, heeft de situatie er niet beter op gemaakt. Daarmee is de grondgedachte zoals verwoord door Joop Den Uyl in Om de kwaliteit van het bestaan dat de publieke voorzieningen tegenover de private rijkdom het gemeenschappelijk welzijn zouden bevorderen, op de tocht komen te staan. Wij dreigen inderdaad van een markteconomie in een marktsamenleving terecht te komen.

 

We zijn daarnaast getuige van een verlies aan maatschappelijke verantwoordelijkheid en te veel ongeremd gedrag: aan de top van het bedrijfsleven, aan de top van publieke instellingen en in de publieke ruimte. Robert Reich duidde dit verschijnsel treffend: dat we ons alleen maar als veeleisende consument manifesteren en nauwelijks meer als burger die zich bekreunt om de richting waarin de samenleving zich ontwikkelt. Terwijl we ons daar wel allemaal zorgen om maken.

Wat te doen?

Het onderwijs is en blijft een belangrijk atelier van ontplooiing en ontwikkeling. Om te beginnen zijn er beslist mogelijkheden om het ideaal van gelijke kansen op ontplooiing beter vorm te geven in het onderwijs. Bijvoorbeeld door vooral vroege achterstanden te bestrijden door goede voorschoolse voorzieningen en kinderopvang. Door de sterke segregatie tussen de onderwijsvormen in het secundair onderwijs terug te dringen door latere en meer omkeerbare differentiatie. De mogelijkheden om te ‘stapelen’ voor leerlingen, of om na een periode van speciaal onderwijs het reguliere onderwijs te hernemen zoals in het geval van Joris, zijn hier cruciaal. En door brede scholen en weekendscholen in te richten om een gunstig leerklimaat te scheppen om extra sprintjes te trekken.

 

Het is – in het licht van de rampzalige effecten van de grootschalige onderwijshervormingen van de afgelopen decennia – een doodzonde om opnieuw beleidsmatige tanks op het onderwijsveld af te sturen. Maar het is natuurlijk heel goed mogelijk om schaalvergroting, verdergaande marktwerking, oneigenlijke taakvervulling en grotere beleidsdichtheid af te remmen, tegen te gaan of te verbieden. De kern van een sociaal-democratische verheffingspolitiek op dit terrein hoort natuurlijk te zijn dat, zoals Piet de Rooy het omschreef, ‘de manier waarop een pedagogische relatie tot stand komt en onderhouden wordt’ weer centraal komt te staan. Het is de essentie van onderwijs.

Het aanspreken van scholen op hun verantwoordelijkheid door lokale politici kan daarbij van groot belang zijn; voormalig wethouder Lodewijk Asscher liet in Amsterdam zien welk verschil dat kan maken. Maar belangrijker is misschien wel om deelgenoot en mede-vennoot te worden van de inspirerende initiatieven die er al bestaan of worden ondernomen door enkelingen of groepen om het onderwijs weer in te richten op zijn centrale taak: de talenten van leerlingen maximaal ontwikkelen in een veilige en uitdagende omgeving. Noem het een eigentijdse Theo Thijssen-beweging. Er zijn initiatieven genoeg die anderen tot voorbeeld kunnen strekken en van onderop en binnenuit – met behulp van een verstandige onderwijspolitiek – het onderwijslandschap kunnen veranderen.

In zo’n onderwijspolitiek zou het vakmanschap ten eerste meer centraal gesteld kunnen worden. Joris Schuurman Hess beklaagde zich er ook over: je moet op school te veel theorie en algemene vaardigheden leren en krijgt te weinig praktische vaardigheden mee waar je in de zorg meteen mee aan de slag kan. Scholen waar jongeren een vak kunnen leren, van vakdocenten en met betrokkenheid van bedrijven, met veel structuur in het programma, en het hernemen van de meester-gezel verhouding. Met de mogelijkheid om door te leren in een vak, opleidingen te stapelen om meester in het restaureren te worden, in plaats van meester in de rechten.

In zo’n onderwijspolitiek zou ook kunst- en cultuureducatie een grotere rol dan nu kunnen spelen – om de creatieve vermogens van kinderen aan te boren en te ontwikkelen, om hun vaardigheden ook op andere terreinen te versterken (want dat is het effect van dit type onderwijs) en om een gemeenschappelijk cultureel kader te helpen ontwikkelen. Dat vraagt om leraren met verstand van zaken, om goede samenwerking tussen scholen en kunstinstellingen en om een goede infrastructuur.
Niet alleen in het onderwijs, ook in de publieke sector in het algemeen kan de politiek een grote rol spelen bij het terugdringen van het calculisme. Door doorgeschoten marktwerking terug te dringen, door bij aanbestedingscontracten rekening te houden met kwaliteit van werk en beroepseer, door de kernfuncties van collectieve voorzieningen weer centraal te stellen, te kiezen voor kwaliteit en vertrouwen in plaats van kwantiteit en regels, en door andere vormen van dienstverlening te stimuleren, zoals de kleinschalige buurtzorg als het om thuiszorg gaat. De politiek kan natuurlijk regels stellen op het gebied van beloning, maar ongeremd gedrag is niet alleen door regelgeving af te dwingen. Het scheelt al een stuk als we publieke diensten en instellingen zo vormgeven dat onmaatschappelijk gedrag wordt tegengegaan of bestreden, bijvoorbeeld door de conducteur op de tram weer in te voeren. Maar verder is het iets dat ons allen aangaat, ook binnen onze eigen beweging.

 

Binding

Malia

Malia Boucetta werkt als accountmanager voor de gemeente Zwolle. Ze is moeder van twee puberende kinderen, dus de mooiste momenten zijn als er rust is of als de kinderen met leuke verhalen komen. Dat geeft Malia hoop, het gevoel dat ze toch wel de juiste keuzes heeft gemaakt. Vooral de pubertijd van haar zoon is zwaar, hij schommelt tussen de Nederlandse en Marokkaanse cultuur. Malia en haar man hebben geprobeerd hun kinderen de Marokkaanse taal en cultuur mee te geven. Maar omdat Malia zelf het Marokkaans ook niet helemaal beheerst, switcht ze toch makkelijk naar het Nederlands. Als ze het huiswerk uitlegt bijvoorbeeld. Ze zijn niet conservatief gelovig, maar belijden wel de islam.

Kijk, haar dochter Karima kan echt niet met een jongen thuiskomen. Maar dan moet je ook één lijn trekken. Dan mag haar zoon Nabil dus ook niet met een meisje uitgaan, dat zou ze niet uit kunnen leggen aan Karima. Het mag pas als het echt serieus is. Als hij er iets van een toekomst in ziet. Anders was het al vanaf zijn veertiende het ene meisje na het andere. In de islam is seks voor het huwelijk taboe, maar in de Marokkaanse cultuur wordt het voor mannen gedoogd. Malia vindt die verschillende behandeling niet kunnen.

Malia en haar man hebben afspraken gemaakt met hun zoon, maar die hangen ze niet op aan het geloof: als hij niet drinkt en niet rookt en het gaat redelijk op school, dan betalen zij het rijbewijs van Nabil. Daar heeft hij zich tot nu toe wel aan gehouden. Als hij laat thuiskomt, gaat ze altijd even kijken in wat voor staat hij is. Het is ook niet eenvoudig. Met zijn vrienden gaat hij naar hun huis. Soms zijn ze bij Malia thuis en dan gaan zij en haar man maar naar boven. Dat vindt ze niet erg, zolang hij maar thuis is. Door Geert Wilders zie je dat de Marokkaanse jeugd zich af gaat zetten tegen de westerse cultuur. Haar zoon zegt dan met nadruk: ik ben Marokkaan. Hij neemt, en dat ziet ze ook bij haar dochter, de Marokkaanse identiteit aan. Malia is ervan overtuigd dat dit komt door al het gedoe rond de islam. Nederlandse vrienden had Nabil tot het eind van de middelbare school wel. Maar sinds hij op het mbo zit is dat over. Hij gaat nu meer met de Marokkaanse jeugd om. Ze hebben tot en met de middelbare schooltijd van haar zoon in Oudenbosch gewoond, dat is een gemengde gemeenschap. Nu in Roosendaal draait het allemaal om de eigen groep. Haar dochter begint hier ook steeds meer met Marokkaanse meisjes om te gaan. Misschien dat ze dat doet omdat het makkelijker is, omdat er veel dingen herkenbaar en hetzelfde zijn. En misschien stimuleert Malia het ook wel.

Het lijkt nu net alsof de Marokkaanse jeugd zichzelf opvoedt in de Marokkaanse cultuur. Als Malia over bepaalde dingen begint tegen haar dochter, dan zegt Karima: dat weet ik wel, we zijn Marokkanen. Dan denkt Malia: waar heeft ze dat vandaan? Ze heeft het dan echt van Marokkaanse vriendinnen. Meisjes die wat liberaler worden opgevoed, worden daar door de gemeenschap op aangekeken. Malia kent een vrouw die samen met haar man voor een liberale opvoeding heeft gekozen. Die dochters worden daarop afgerekend door de eigen gemeenschap. Malia ziet die meisjes echt worstelen. En ze ziet andere moeders allerlei noodmaatregelen nemen om hun dochters te beschermen. Dan denkt Malia: is het dat nou allemaal waard?

Er zijn wel dingen die Malia wil overnemen uit de Nederlandse cultuur. Sinterklaas, om maar een voorbeeld te noemen. Ze heeft er heel bewust voor gekozen om dat wel te doen. Anders is het sneu voor de kinderen. Haar vader heeft het ook altijd zo gedaan. Op een speelse manier kun je daar je eigen interpretatie aan geven. Malia denkt dat de normen en waarden tussen de culturen niet veel hoeven te verschillen. Je probeert de kinderen gewoon zoveel mogelijk mee te geven. Als ze daarna een keuze maken en dat is in strijd met je eigen normen en waarden, dan zou dat geen reden zijn voor Malia om haar kind af te stoten. Stel dat haar zoon zou zeggen dat hij homo is, dan zou dat wel even slikken zijn. Het zou Malia veel moeite kosten om erover heen te stappen, maar ze zou het wel doen. Malia benadrukt dat ze hier echt voor zichzelf spreekt, ze weet niet hoe haar man hierin staat.

De negatieve signalen en negatieve ontwikkelingen komen van de westerse kant: ze zeggen, jullie zijn islam. Malia probeert het wel te sussen en zegt dan tegen haar kinderen dat het niet zo bedoeld is. Maar als ze er dan over nadenkt, denkt ze wat slecht eigenlijk, dat ze uitgescholden worden. Ze heeft een neefje dat Osama heet, en die werd steevast Osama Bin Laden genoemd. Ze zijn echt keihard. Je merkt ook dat de politie harder wordt. Nu gaan ze meteen naar de hangjongeren toe en moeten deze zich identificeren, en als ze dat niet kunnen gaan ze mee naar het bureau. Malia neigde er vroeger naar het probleem bij de kinderen te leggen, maar daar is ze van afgestapt. Ze begrijpt nu dat Marokkaanse jongeren zich zo opstellen. Ze keurt het niet goed, maar ze begrijpt het wel. Toen ze net dit beleid hadden ingevoerd, werd haar zoon meteen meegenomen en om drie uur ’s nachts was hij nog niet thuis. Malia belde de politie omdat ze doodongerust was. En dan hoor je dat ze je net wilden gaan bellen. Dat kan gewoon. Dat doet je wat hoor als ouder. Dat tekent de opstelling.

Ze zijn luidruchtig en duidelijk aanwezig en misschien veroorzaken ze wel meer problemen dan Hollandse jongeren. Zoiets heeft ook effect op hun loopbaan, het laat ook een kras bij die kinderen achter. Malia probeert de vrienden van Nabil wel te volgen. Tegen zijn wil natuurlijk. En als er iemand bij zit waar ze geen goed gevoel over heeft of die iets gedaan heeft, dan hebben ze het er wel over. Hij geeft het niet toe, maar hij luistert er wel naar. En dat is bij haar dochter precies hetzelfde. Malia vindt het belangrijk in gesprek te blijven. Bij haar man gaat dat niet zo goed. Hij zegt: mijn kind moet naar mij luisteren. Maar je moet het omdraaien, want zeggen dat ze naar je moeten luisteren werkt niet.

Je kunt niet zomaar afstappen van je eigen cultuur. De taal leren, oké. Maar verlies je je cultuur, dan weet je gewoon niet meer waar je bij hoort. Malia bedoelt dat niet negatief. Ook al voel je je niet Marokkaans, juist doordat je gevraagd wordt waar je vandaan komt, ga je er steeds bewuster mee om. Er wordt iets van je verwacht, ze willen je in een hokje stoppen, het overkomt je gewoon. Met borrels op het werk merkt Malia ook dat collega’s dingen relateren aan haar achtergrond. Als ze niet meegaat, dan denkt men al snel: dat komt zeker omdat ze Marokkaans is. Dat zal nog wel sterker worden als ze zou besluiten om een hoofddoek te gaan dragen, die periode zal best wel komen. Ze is zich de laatste tijd bewuster van haar geloof. Ze is er veel mee bezig, maar weet niet waarom. Misschien heeft het met het ouder worden te maken of met dat ze ergens bij wil horen.

De lusten en lasten van binding

De overpeinzingen van Malia zijn een verhaal over de lusten en lasten van bindingen en gemeenschappen, van ergens bij horen en van ergens niet bij horen. Verschillende soorten bindingen passeren de revue. De kleine alledaagse bindingen, die groot zijn in hun gevolgen voor welbevinden en het geluk: de bindingen tussen man en vrouw, tussen ouders en kinderen, de bindingen met vrienden en collega’s, de bindingen in de buurt en op school. Er zijn – in concentrische cirkels – wijder vertakte, maar minder persoonlijke bindingen naar beroepsgroepen, maatschappelijke verenigingen, geloofsgemeenschappen, politieke bewegingen of ‘identiteitsgemeenschappen’: de maatschappelijke verbanden waaruit onze samenleving is opgebouwd. Verder is daar de binding in die grotere gemeenschap, de samenleving als zodanig. De nationale rechtsgemeenschap van burgers, de Nederlandse staat, waaraan wij via bindingen van het recht verbonden zijn.

Malia’s overpeinzingen laten heel beeldend zien hoe complex de bindingen in een globaliserende, multiculturele samenleving zijn geworden, en hoezeer gemeenschappen last en lust tegelijk kunnen zijn. Het ingeklemd raken van haar puberende kinderen tussen de Nederlandse en Marokkaanse cultuur, de impact van een verhardend maatschappelijk klimaat wat betreft integratie, migratie en islam, de druk van de eigen Marokkaanse gemeenschap: het laat zien welke krachten inspelen op de sociaal-democratische bindingsopdracht.

Het is duidelijk dat elke vorm van binding ons tegelijkertijd controleerbaar, stuurbaar en zelfs manipuleerbaar maakt. Bindingen maken het immers mogelijk in te spelen op het vertrouwen dat we in anderen hebben en de verbondenheid die we met hen voelen. Dat is echter geen reden om afstand te doen van wat ons menselijk maakt, om geen gevoelens van verbondenheid te hebben. Het is wel reden om te proberen samen op een democratische wijze greep te krijgen op de voorwaarden waaronder die bindingen vormkrijgen en doorwerken in ons leven. Bij binding gaat het dus om een gevoel van geborgenheid, van ergens bij horen, warmte en erkenning, maar het gaat ook om macht. Zich verbonden voelen geeft aan de betrokkenen macht en invloed over elkaar. Daarmee op een emancipatorische en democratische wijze leren omgaan, is een kernopdracht van de sociaal-democratie.

 

Als we het hebben over bindingen en gemeenschappen in de eenentwintigste eeuw en de opdracht voor de sociaal-democratie, mag het verhaal van Brigitte de Waal uit het begin van dit essay niet ontbreken. Brigitte, die samen met een collega besloot de wantoestanden in de schoonmaakwereld niet langer te accepteren en te gaan staken, laat de positieve kracht van bindingen en collectieve actie zien. Brigittes verhaal gaat over haar strijd voor bestaanszekerheid en goed werk. Maar haar verhaal laat ook zien hoe individuele vrijheid gebaat kan zijn bij gemeenschapsvorming. Dat emancipatie, anders dan de ideologie van de totale individualisering ons voorhoudt, vrijwel altijd een samenspel van individu en groep veronderstelt. Doordat Brigitte en haar collega als eenzame stakers aansluiting vonden bij de nieuwe schoonmakersactie en de nieuwe methode van ‘organizing’ die de vakbeweging ontwikkelde, werden de wanprakijken op het werk van Brigitte en anderen bekend bij het brede publiek.

Brigittes verhaal laat ook zien hoe belangrijk gemeenschappen kunnen zijn om je gezien en gerespecteerd te weten. Brigitte deed haar verhaal op het podium van het Groningse Huis de Beurs, tijdens een Van waarde-debat over arbeid. Ze zag daar behoorlijk tegenop, maar voelde zich gesterkt door het gejuich van haar collega’s met hun oranje pakken, trommels en plastic bijlen. Het publiek gaf haar een daverend applaus. Op deze debatbijeenkomst was het duidelijk wie de heldin van de avond was en wat dat voor Brigitte betekende.

 

De verhalen van Malia en Brigitte tonen goed de verschillende kanten van binding en gemeenschappen. Ze kunnen bevrijdend of beknellend zijn, het resultaat van vrije keuze dan wel van het lot, gewoonte of dwang. De cruciale vraag is ook nu weer: wat is de waarde van binding?

Van waarde zijn ten eerste de potentiële bevrijdende kwaliteiten van gemeenschappen. Mensen zijn voor hun overleven en emancipatie aangewezen op samenwerking, en binding binnen een gemeenschap biedt een gedeelde betekeniswereld die samenwerking vergemakkelijkt. Door binding weten mensen wat ze van anderen kunnen verwachten en wat er van hen verwacht wordt. De gedachte dat individuele bevrijding via collectieve wegen wordt gerealiseerd, ligt ten grondslag aan de sociaal-democratische beweging. Van de strijd om het algemeen kiesrecht en voor de achturige werkdag, tot aan de solidariteit van de naoorlogse verzorgingsstaat, die individuele risico’s collectief verzekert en afdekt.

Alle bindingen hebben wat met elkaar gemeen. Zij steunen op wederkerigheid en solidariteit, op een gevoel van lotsverbondenheid. Dat is het morele uitgangspunt van de sociaal-democratie: we zijn in beginsel met zijn allen verantwoordelijk voor het welzijn van iedereen. Daarin verschillen we grondig van het liberalisme dat elk individu terugwerpt op zichzelf en verantwoordelijk stelt voor het eigen welzijn. Binding staat centraal in de sociaal-democratische traditie. Zonder binding en gemeenschap geen socialisme. Er bestaat geen harde tegenstelling tussen individu en gemeenschap: ze veronderstellen elkaar en hebben elkaar nodig, zeker ook als we denken aan het gezin en de familie als kleinste gemeenschapsvormen. Het zijn gemeenschappen die ons individuele vrijheid, bestaanszekerheid, verheffing, de mogelijkheid tot zinvol werk bieden.

Maar juist de emancipatiegeschiedenis van de sociaal-democratie heeft geleerd dat gemeenschappen ook een ander gezicht kunnen hebben: dat van beknelling, bevoogding en onderdrukking. Zie de langdurige ontworsteling van de arbeidersbeweging uit het tweederangsburgerschap van proletariaat en standensamenleving. Zie de strijd voor vrouwenemancipatie en feminisme om zich te ontworstelen aan de samenleving als mannengemeenschap. Zie de hedendaagse emancipatie van migrantengemeenschappen binnen de Nederlandse samenleving en van individuen binnen migrantengemeenschappen.

Naast de lusten van gemeenschappen, begrenzen twee waarden daarom de potentiële lasten van gemeenschappen. Van waarde is dat er altijd een ‘exit-optie’ is uit gemeenschappen: de politiek, de rechtsstaat, moet ervoor zorgen dat iedereen uit vrije wil uit een beknellende gemeenschap kan treden, en dat burgers vrij zijn zich te verenigen met wie zij zelf verkiezen. Deze behoefte aan begrenzing van de negatieve invloed van gemeenschappen leeft nog steeds sterk. Omdat vrijheid een heel belangrijke sociaal-democratische waarde is, en omdat gemeenschap en binding, met hun aanspraak op exclusiviteit en loyaliteit, en mechanismen van groepsdruk en groepsconformisme, soms zo beperkend en beklemmend kunnen zijn, en omdat sociaal-democraten hard gevochten hebben om mensen het recht te geven zich uit hun gemeenschappen te emanciperen.

Het gevaar dat mensen hun vrijheid verliezen door zich aan anderen te binden bestaat nog steeds. Zie het verhaal van Malia. Het is tamelijk beklemmend hoe Malia vertelt over de wijze waarop Marokkaanse jongeren de ouders van hun vriendinnen disciplineren tot een meer conservatieve opvoeding onder impliciete dreiging dat de gemeenschap anders met die families zal afrekenen. Fundamentalisme, conservatieve orthodoxie, groepsdruk door een vrouwvijandige schaamtecultuur: deze vormen het tegendeel van wat de sociaal-democratie onder gemeenschapszin en ‘de boel bij elkaar houden’ verstaat.

Ten slotte is van waarde dat eventuele conflicten tussen gemeenschappen vreedzaam verlopen. Binnen de natie bestaan verschillende meer of minder helder afgebakende gemeenschappen. Zij kunnen steunen op een gedeelde sociaaleconomische achtergrond, op een gemeenschappelijke religie, of regionale of lokale eigenheid. Gemeenschapsvorming gaat vaak samen met onderscheidingsdrift. Daardoor kunnen er loyaliteitsproblemen ontstaan. Hoe hechter de binding binnen gemeenschappen hoe groter het contrast tussen die gemeenschappen. Het komt er dan in de samenleving op aan om botsingen die uit die contrasterende bindingen voortvloeien in goede banen te leiden.

Behalve lid van gemeenschappen is daarom iedereen ook burger, gebonden aan de gezamenlijke spelregels die onder meer respect voor de onderlinge verschillen moeten garanderen. Burgerschap dat niet verder reikt dan het respecteren van wetten en regels is echter een pover, dun burgerschap. Voor het diepe, volle burgerschap is het respect voor die regels een gevolg van een gevoel van verbondenheid met de gemeenschap waarmee men niet alleen regels deelt, maar ook wederkerigheid, solidariteit en lotsverbondenheid voelt: de lotsverbondenheid van de naoorlogse verzorgingsstaat met zijn rechten (sociale zekerheid) en plichten (belasting en werkbeschikbaarheid). Er is geen tegenstelling tussen dat gevoel van verbondenheid en individuele vrijheid. Integendeel, wie iets van zijn leven wil maken moet gemeenschap zoeken, als handvat en als huis.

Gemeenschappen zo in te richten dat ze ons verder helpen, dat is de democratische ervaring: Brigitte de Waal die het podium van de Groningse Beurs opklimt om de wethouder ter verantwoording te roepen, met haar lotgenoten bij de hand en de uitkomst misschien nog ongewis, maar wel met de overtuiging dat het zin heeft je samen te roeren.

Binding is een kernelement van de sociaal-democratie, misschien wel de kern. Immers, zonder de mogelijkheid om een gemeenschap te kunnen verlaten is emancipatie niet goed denkbaar. Maar de volgorde van deze begrippen telt wel. Zonder eerst in gezamenlijkheid te leven, kun je de vaardigheden niet verwerven om de beknellende familie of het veeleisende geloof achter je te laten, om je te kunnen bevrijden. We hebben taal nodig, maar ook gezinnen, scholen, zingeving, om geborgenheid te vinden en om vooruit te komen. Het mag ontijdig klinken in een van liberale dogma's doortrokken tijd, maar zonder gemeenschap stelt de mens niet veel voor.

Er is de kleine binding van het dagelijks leven, die van gezin en school en de buurt en het werk waar we een groot deel van onze tijd doorbrengen, en die vloeit over in de netwerken die we onderhouden via werk en buurt en school. Dan is er de grote binding, die van de overheid die met wetten de publieke zaak schraagt. Als het goed is, bemiddelt de politiek tussen deze twee, probeert de politiek te binden door zorgen uit het dagelijks leven op te lossen via de grote binding. Dat vraagt wel een visie, een idee van hoe een zinvol, mooi bestaan eruitziet.

Het is de ambitie van de sociaal-democratie om mogelijk te maken dat mensen zich verenigen. Aan de ene kant naar eigen goeddunken, in verbanden zo licht als ieder maar dragelijk vindt, om eigen ideeën over werk, carrière, liefde en vriendschap te verwerkelijken, om zich aan dwang door markt en overheid te onttrekken. Maar aan de andere kant ook naar behoren. Wanneer een buurt of gezin of bedrijf lijdt onder gebrek aan samenhang hebben alle betrokkenen verantwoordelijkheid, en is binding meer dan een keuze waar je wel of niet de voorkeur aan kunt geven.

Tegelijkertijd is het verre van genoeg dat mensen zich verenigen. De conservatieve droom over burgers die niet aangeraakt worden door de staat en die volstrekt op eigen benen staan, is een luchtspiegeling. Aan de fundamenten, aan de grote binding, moet permanent gesleuteld worden, om niet alleen vrijheid, maar ook gelijkheid en rechtvaardigheid tot hun recht te laten komen. Zo niet, dan delven degenen die minder handig zijn in het organiseren van hun eigen binding het onderspit.

Binden geeft vieze handen. Samenleven wordt getekend door geschiedenis. Het mag bij vlagen rommelig gebeuren of zelfs venijnig of kwaadaardig, maar een sfeer als bijvoorbeeld de natie kan niet getrivialiseerd worden tot een zinloze of door de feiten achterhaalde ‘constructie’. Dat verlangen naar neutraliteit en efficiëntie van de overheid of van de nationale gemeenschap hoort eerder bij het liberalisme dan bij de sociaal-democratie. Het idee van de staat die regels stelt en zich verder onthoudt van oordelen wekt een onterechte suggestie van bloedeloosheid, een suggestie die als een boemerang terugkomt wanneer mensen zich bedreigd of in de steek gelaten voelen, want dan zullen ze ‘hun’ land in de meest sterke vormen claimen. In plaats van te worstelen met het streven naar een schoon, afstandelijk overheidsapparaat, naar strikt volgens de wetten opererende ambtenaren en naar gemeenschappen die zich enkel laten definiëren door het ‘recht op exit’, moet de sociaal-democratie opnieuw zien hoe mensen in hun buurt of hun land of hun geloof verankerd zijn en van daaruit handelen.

 

De sociaal-democratie is ingegroeid in de natie, constateerde Herman Wiardi Beckman. Door gestaag verzet tegen uitbuiting en onderdrukking verdienden de arbeiders en hun organisaties niet alleen een plek in het institutionele bestel, maar ook in de cultuur. De pleidooien voor verdraagzaamheid en openheid die vanaf Hugo de Groot en Erasmus door de Nederlandse traditie lopen, zijn ook door vakbeweging en arbeiderspartij vertaald en voortgezet. Dat verhaal bindt, het is een duidelijke visie op wat deugt en op wat niet deugt. We binden door wat we onderwijzen op scholen en hoe we die scholen inrichten; door wat we waarderen in onze cultuur en op welke momenten, op welke dagen en in welke gebouwen we die cultuur tot uitdrukking brengen; door wat we bestrijden aan eigen zwaktes, waar we het strafrecht aanroepen en waar we liever wegkijken - daar is geen neutrale overheid aan het werk maar een verzameling mensen met sterke en vaak onderling tegenstrijdige opvattingen.

De sociaal-democratie is ouder dan de arbeidersklasse, de kern van de beweging bestond en bestaat uit mensen die een sterk rechtvaardigheidsgevoel koppelen aan een sterk vooruitgangsgeloof. Binding volgens de sociaal-democratische methode maakt mensen machtiger over het eigen leven, en heeft dus niets aan actualiteit ingeboet.

Binding onder druk

Bij de gesprekken die we voerden in het kader van het Van waarde-project drong de volgende conclusie zich aan ons op: mensen onderkennen in hun individuele verzuchtingen nauwelijks gedeelde waarden en gezamenlijke problemen. Ze stellen niet vast dat ze tegen dezelfde muren oplopen, en als ze dat wel doen, ontbreken aanknopingspunten voor gezamenlijke oplossingen voor die gemeenschappelijke problemen. Brigitte de Waal vormt dus in zekere zin een uitzondering: zij betoogt dat goede arbeidsomstandigheden en schone scholen niet alleen in haar belang zijn maar in ons belang, en zocht en vond medestanders onder collega’s, de vakbeweging en in toenemende mate bij het bredere publiek en politici. Zij begreep dat tegenwicht valt of staat met het gezamenlijk maken van een vuist.

Die bevrijdende kracht van samenwerking, collectieve actie en gemeenschappen staat onder druk van de individualistische ideologie. De idee dat zelfredzaamheid in de moderne samenleving volstaat en binding iets zou zijn voor sukkels. De staat heet volgens de laatste liberale oprisping ‘geen geluksmachine’ – en daarom kan er fors worden bezuinigd op alle mogelijke samenlevingsinstellingen, zoals sport- en muziekvoorzieningen en bibliotheken in de buurt. Dat daarmee niet alleen individuele kansen op zelfverwezenlijking teloorgaan, maar ook gemeenschappen worden aangetast die juist cruciaal zijn voor de binding in onze samenleving, en als leerschool voor de democratische ervaring, wordt onvoldoende erkend.

Te veel mensen worden ook verantwoordelijk gesteld voor omstandigheden waarop zij geen of nauwelijks vat hebben. Altijd en overal moet gepresteerd worden, met nauwelijks tijd tot leven. Op die manier worden mensen op zichzelf teruggeworpen, wordt hun de kans ontnomen om die bindingen te vormen en te koesteren die hun leven ondersteunen en optillen.

De emancipatoire werking van gemeenschappen staat ook onder druk van de instellingen van de verzorgingsstaat die ooit ontworpen zijn om het leven van mensen beter en zekerder te maken. Die publieke arrangementen worden in toenemende mate ervaren als te grootschalig, te anoniem, te verkokerd of te vernederend. Dikwijls staan die instellingen nu ver van de mensen, niet zelden stellen zij zich tegen de mensen op. Instellingen hebben de neiging dat te doen als ze niet geregeld worden bijgesteld, herinnerd aan hun bestaansreden, hun maatschappelijke betekenis. Dat gebeurde onvoldoende, ook al omdat de politiek – door haar logica van het management van beleidssystemen - al te vaak de kant van de instellingen koos, niet die van de mensen.

Het is niet altijd makkelijk meer om je verbonden te voelen met je werk, trots te zijn op het bedrijf of de instelling waarvoor je werkt, eer te hebben van je afgeleverde werk. Mensen voelen zich het slachtoffer van managementstechnieken waarin zij, waarin de betekenis en het doel van hun werk, verwaarloosbaar zijn geworden, of zodanig worden ‘geflexibiliseerd’ dat niet langer gevoelens van loyaliteit en continuïteit ontwikkeld kunnen worden. Waarin nog enkel de efficiëntie telt waarmee op korte termijn naar winst wordt gestreefd, of de budgetten worden gehaald.

Een nieuwe standenmaatschappij

In de samenleving zijn verder scherpe tegenstellingen gegroeid die binding bemoeilijken. De ongelijkheden en verschillen tussen hoog- en laagopgeleiden zijn groot geworden. Mark Elchardus spreekt in dit verband van nieuwe onderwijsstanden, waar Mark Bovens de term diplomademocratie gemunt heeft, en spreekt over nieuwe verzuiling naar opleiding.

 

De materiële levensomstandigheden van hoog- en laagopgeleiden verschillen aanzienlijk, wat zich uitdrukt in uiteenlopende gezondheidsstatistieken. Over veel maatschappelijke kwesties blijken zij verschillende opvattingen te hebben. In ontzuilde samenlevingen ontmoeten zij elkaar nog zelden. Zij wonen niet in dezelfde buurten, brengen de vrijetijd niet op dezelfde manier door, participeren nog maar zelden in dezelfde verenigingen. De materiële, culturele en sociale afstand die hen scheidt, laat een kloof door de samenleving lopen. Het lijkt in dit opzicht wel alsof Nederland opnieuw een standenmaatschappij dreigt te worden. De kinderen uit die standen delen ook geen toekomst meer. De kansen op een succesrijke schoolloopbaan, op goed en goedbetaald werk, op een aangename woonomgeving, ja zelfs op gezondheid zijn voor de ene groep mensen veel beter dan voor de andere. Maatschappelijke samenhang wordt op de proef gesteld als groepen mensen zo ver van elkaar komen te staan, zo weinig gedeelde toekomstperspectieven kunnen koesteren, zo sterk ongelijke kansen op een mooie toekomst hebben. Dat raakt het hart van de sociaal-democratische missie.

De toegenomen etnische en multiculturele diversiteit van de samenleving heeft eveneens weer heel grote verschillen in opvattingen en levenswijzen gecreëerd. En er ook toe bijgedragen dat mensen zich plots vreemd voelen in de eigen stad en buurt. Het gaat daarbij ook om een confrontatie met verschillen in een samenleving die zulke verschillen haast vergeten was, van tegengestelde visies op de positie van vrouwen, de publieke rol van het geloof, de houding ten opzichte van verschillende seksuele voorkeuren, tot aan de diversiteit van levenswijzen en levensopties. Die nieuwe verschillen zetten de samenhang van de samenleving onder druk, en vragen om debat, aanpassing en uitwisseling.

Omdat binding en gemeenschap in een geïndividualiseerde, moderne, multiculturele samenleving allesbehalve meer voor zichzelf spreken, maar onder druk staan, dreigen ook de voorwaarden voor solidariteit in gevaar te komen. Mensen willen solidair zijn met mensen met wie zij zich verbonden voelen, van wie ze wederkerigheid verwachten. De kloven die in de samenleving groeien, ondergraven die verwachting en stellen het vertrouwen op de proef. Daarbij komt dat de doorgeschoten, dikwijls misplaatste en harteloze nadruk op eigen verantwoordelijkheid en meritocratische zelfredzaamheid de indruk wekt dat iedereen die de solidariteit van de gemeenschap nodig heeft, een sociaal fraudeur zou zijn. Wat de solidariteit ondergraaft, vernielt op de duur ook de menselijke waardigheid en de wederkerigheid van respect.

Men kan al die ontwikkelingen toeschrijven aan de invloed van de individualistische ideologie, van bureaucratisering en schaalvergroting en doorgeschoten rationalisering; van schijnbaar niet te beïnvloeden ontwikkelingen als mondialisering en immigratie, maar dat zijn abstracties en veralgemeningen. De gevolgen worden concreet gevoeld door mensen in hun buurt, op het werk, in de onmogelijkheid werk en gezin met elkaar te verzoenen, in gebrek aan respect en perspectief, kortom, zij worden ervaren als machteloosheid. In het verleden is de sociaal-democratie er telkens weer in geslaagd mensen via binding en politieke strijd greep te geven op hun leven en samenleven. Dat is ook nu mogelijk. Alle onderzoeken van het Sociaal Cultureel Planbureau laten zien dat de Nederlanders zich niet in de eerste plaats zorgen maken over hun materiële levensomstandigheden. Zij maken zich zorgen over de samenleving, over de normen die mensen hanteren in de onderlinge omgang, over het respect dat mensen hebben voor elkaar, over het verharden van de samenleving, kortom, over de mogelijkheid om tot beschaafde, fatsoenlijke en medemenselijke binding te komen. Binding, samenleven in een samenleving, vormt niet alleen de kern van het sociaal-democratische maatschappijproject, het blijkt ook nog eens de hoogste beleidsprioriteit voor alle Nederlanders. Dat schept grote verplichtingen.

Wat te doen?

De sociaal-democratische terughoudendheid ten opzichte van binding en gemeenschapszin is een gevolg van de te grote aanwezigheid van liberalisme in het sociaal-democratische denken van de laatste decennia. De sociaal-democratie moet ook op dat vlak post-liberaal worden. Durven te breken met een schijn-individualisme dat individuen lamlegt. Verbondenheid is macht, zo liet Brigitte zien. Daar op een democratische, sociaal rechtvaardige en verstandige manier mee omgaan is de opdracht van de sociaal-democratie.

De samenleving is een gemeenschap en moet door de sociaal-democratie altijd als zodanig worden benaderd. Voor sommigen steunt zo’n gemeenschap op een gedeeld verleden, voor anderen op een gemeenschappelijke taal of godsdienst. Voor sociaal-democraten steunt ze op een gemeenschappelijke toekomst, een gedeeld project gericht op het verwezenlijken van wat we van waarde achten. In het nastreven van zo’n project komt men tegenstanders tegen. Deze moeten duidelijk in het vizier worden gebracht. Een beweging zonder tegenstanders, heeft weinig vrienden.

Om ons samenlevingsproject te kunnen verwezenlijken heeft men spelregels en in wetten gegoten normen en waarden nodig. Dat moet vooral de (rechts)staat bieden. Europa biedt dat gedeeltelijk, zou het in veel grotere mate kunnen bieden, maar doet dat vandaag de dag nog niet. Het Europese project realiseert onvoldoende wat wij van waarde achten. Daarom blijven we dat project steunen, willen we het uitbouwen, maar wel vanuit het realiteitsbesef dat de natiestaat in de huidige wereld tot nog toe de enige en beproefde democratische gemeenschap is. Het is in de eerste plaats in die gemeenschap dat de verwezenlijking van het sociaal-democratische project moet worden nagestreefd, al is daarvoor intensieve internationale samenwerking met andere nationale gemeenschappen onontbeerlijk in een mondialiserende wereld.

De sociaal-democratie zal daarbij weer sterker in het teken van politieke wilsvorming en voluntarisme moeten komen te staan, en zich verzetten tegen het alom overheersende deterministische TINA-denken (There Is No Alternative). Noch de mondialisering, het financieel kapitalisme, noch de Europese Unie zijn natuurverschijnselen. Zij zijn vatbaar voor politieke bijsturing en vormgeving en democratische controle. We moeten het sociaal-democratische project hernemen. Zowel de nationale democratie als de succesvolle naoorlogse Europese samenwerking waren politieke projecten. Zo ook onze wetten, onze grenzen, onze instellingen. Zij moeten ten dienste van de mensen worden gesteld, en daar niet van loszingen. Dat moet het verhaal van de sociaal-democratie zijn. Weg van de systeemwereld van beleidsinstituties. Weg van de identificatie met de instellingen, hun budgetten en hun procedures. In plaats daarvan naar een identificatie met de dromen en verzuchtingen van de mensen in hun verbinding met onze politieke idealen. De mensen weer greep geven op hun leven, hun samenleving, hun geschiedenis.

Vrijheid, rechtvaardigheid en respect voor de rechten van het individu werden enkel verwezenlijkt in staten die sterk en duurzaam genoeg zijn om binnen hun grenzen de rechtsstaat en een solidaire verzorgingsstaat te vestigen en de burgerlijke en sociaaleconomische rechten van individuen te laten eerbiedigen. Dat brengt ook met zich mee dat de grenzen van die staten tot op zekere hoogte moeten worden bewaakt, omdat toegang tot het land opname in de maatschappelijke gemeenschap betekent, met alle rechten, plichten en wederzijdse verantwoordelijkheden van dien.

Door ongelijkheid, groeiende verschillen en diversiteit staat die gemeenschap in Nederland al riskant onder druk. Als antwoord daarop moet de sociaal-democratie verenigen, samenbrengen, verschillen verkleinen. ‘De boel bij elkaar houden’ en terug bij elkaar brengen. De moed hebben volks- en overbruggingspartij te zijn, getrouw aan de beste sociaal-democratische traditie. Zij moet vooral ook een bindingsmiddel van de nationale democratie zijn. Deze dreigt uiteen te drijven omdat verschillende groepen zich meer en meer van elkaar verwijderen.

Er stellen zich op dat vlak twee grote uitdagingen. De eerste betreft de vormen van ongelijkheid die mensen uit elkaar drijven en die een nieuwe onderwijs-standensamenleving lijkt te forceren, met een ongekende nieuwe tegenstelling tussen hoger opgeleiden en lager opgeleiden, met middelbaar opgeleiden daartussen ingeklemd. Die ongelijkheid, dat uit elkaar drijven, moet met grote urgentie worden aangepakt. In eerdere delen van dit essay worden daartoe al tal van voorstellen geformuleerd. Er dient te worden geïnvesteerd in vakopleidingen. Werk dat elementaire scholing vergt moet worden geherwaardeerd. Het onderwijs moet gelijke kansen bieden, niet in de liberale betekenis van een level playing field, maar in de sociaal-democratische betekenis die extra kansen geeft aan degenen die dat van thuis uit niet krijgen. Er moet ook kordaat worden gestreden tegen de discriminatie waarvan sommige groepen het slachtoffer zijn.

De tweede grote uitdaging betreft het waarborgen van het seculiere, open en verdraagzame, pluralistische karakter van onze samenleving, ook of juist gezien de grotere culturele en religieuze diversiteit hiervan. Malia en haar man hebben het recht te leven volgens de regels van hun eigen geloof, en om hun cultuur en religie aan hun kinderen door te geven. Maar de vriendinnen van haar dochter Karima hebben niet het recht om (ouders van) leeftijdsgenoten op hun meer liberale opvoeding af te rekenen. Geloof kan niet worden gebruikt om de waardigheid van anderen te krenken. De sociaal-democratie past waakzaamheid waar het gaat om zware fundamentalistische gemeenschappen, die op gespannen voet staan met de open, verdraagzame principes van de Nederlandse rechtsstaat en samenleving.

 

 

Post-liberalisme

‘Nederland is bezig zichzelf andermaal uit te vinden,’ aldus de historicus Niek van Sas. De grote veranderingen van de afgelopen decennia zijn niet goed opgevangen. De neoliberale leest waarop de economie werd geschoeid, heeft geleid tot ongecontroleerde financiële markten, groeiende ongelijkheid, bestaansonzekerheid en slecht werk. De instellingen die in het leven werden geroepen om meer zekerheid te bieden en mensen te helpen, zijn inmiddels onvoldoende houvast gaan bieden. Het is gaan ontbreken aan een gemeenschappelijk samenlevingsideaal. Velen hebben de indruk dat de samenleving verhardt, dat de elementaire regels die nodig zijn om goed te kunnen samenleven onvoldoende worden gerespecteerd. Er is onmiskenbaar een gevoel van onbehagen. Het is tijd om de heruitvinding van Nederland bij te sturen in de richting van onze waarden.

Dat moet gebeuren onder moeilijke omstandigheden. De economische crisis en de beperkte mogelijkheden om een eigen beleid te voeren zorgen niet alleen voor onzekerheid en spanningen. Zij bepalen ook de omstandigheden waaronder Nederland zijn koers moet bepalen. We leven onder de zware druk van de naschokken van de crisis en met een door het Europese kader sterk beperkte beleidsautonomie. Maar laten we nogmaals de woorden van politiek econoom Anton Hemerijck in herinnering roepen: ‘Diepe economische crises zijn momenten van politieke waarheid’. De twee grote crises van de afgelopen honderd jaar werden gevolgd door ingrijpende institutionele veranderingen, nationaal en internationaal. Zo’n verandering kan de sociaal-democratie nu opnieuw bewerkstelligen. De manier waarop Troelstra de politiek definieerde - samen vormgeven aan de toekomst - is actueler en pertinenter dan ooit.

Nederland staat niet alleen in die opdracht. Ook andere landen leven met de gevolgen van een economie, een staat en een gemeenschap die de mensen onvoldoende kwaliteit van bestaan bieden. Veel samenlevingen en ook de Europese Unie staan voor moeilijke keuzes, moeten op een nieuwe wijze vormgeven aan hun toekomst. Daarom moeten we die keuzes maken, Europees en internationaal, samen met gelijkgezinden die dezelfde toekomst durven dromen.

In zo’n tijd hebben we behoefte aan politieke waarden die richting geven aan politiek handelen en die een verbinding maken tussen de verzuchtingen en dromen van mensen en onze politieke idealen. Zo’n waardenkader hoort een prominente rol te spelen in de politieke keuzes die nu worden gemaakt. De debatten over die keuzes worden te exclusief gevoerd in termen van het Centraal Planbureau of van de Europese en Monetaire Unie.

In de verhalen van de mensen die we optekenden, duiken regelmatig dezelfde zorgen op. Mensen hebben het gevoel geen greep te hebben op hun leven, niet te leven, maar te worden geleefd. Zij hebben het gevoel dat de samenleving wegdrijft van wat zij als samenleving zouden willen, wegdrijft van hun waarden en overtuigingen. Sommigen proberen die samenleving de rug toe te keren, zich terug te trekken in hun privésfeer die zij hopen naar eigen waarden en inzichten te kunnen inrichten. Om dan vast te stellen dat dit niet of maar heel beperkt lukt, omdat de samenleving, de politiek, het beleid, het werk, de economie te zeer bepalen wat in het privéleven mogelijk is.

Vier sociaal-democratische waarden die resoneren in de gesprekken

In de gesprekken die we voerden, resoneren vier klassieke sociaal-democratische waarden: mensen hebben behoefte aan bestaanszekerheid, aan goed werk, aan verheffing, en aan binding. Dat zijn blijvende doelen van de sociaal-democratie, dat is wat de sociaal-democratie van waarde acht.

Die vier doelen vormen samen een visie op het goede leven en op het goede samenleven. Aan het individu bieden ze een behoorlijk levensniveau en sociale veiligheid; de mogelijkheid je te ontplooien in je werk, buiten je werk en via je werk; de kans je te verheffen, het beste van jezelf te maken; en de kans die bindingen te zoeken die het leven mogelijk en aangenaam maken. Ze bieden zeggenschap en greep op het leven. Kortom: zij bieden vrijheid in de volle betekenis van het woord.

De vier waarden en doelen bieden ook zicht op de samenleving waarin we willen leven. Een samenleving die economische stabiliteit biedt, waarin de onderneming of de werkplek een gemeenschap is en waarin mensen zich in het werk met anderen verbonden, gezien en gerespecteerd weten. Een samenleving met een sterke verzorgingsstaat, een verzorgingsstaat die toerust, mensen de kans geeft het beste van hun leven te maken, maar ook een verzorgingsstaat die zijn verantwoordelijkheid blijft nemen, mensen waar nodig beschermt tegen oude en nieuwe risico’s en die zich vernieuwt om dat te kunnen doen en te blijven doen. Een samenleving die grote ongelijkheden en sociale, economische en culturele kloven vermijdt, die mensen niet scheidt of op zichzelf terugwerpt. Een samenleving die mensen samenbrengt rond gedeelde waarden, die mensen mobiliseert om samen aan hun toekomst te bouwen en die de ambitie koestert om te verheffen, die iedereen de kans biedt om zijn of haar leven te verrijken.

Koers 

In de afgelopen hoofdstukken analyseerden we hoe de vier waarden onder druk staan door de economische, statelijke, en intermenselijke dynamiek, en wat ons in dat licht te doen staat. De koers die daaruit voortvloeit, wijst zowel sociaaleconomisch als sociaal-cultureel in post-liberale, en politiek in post-technocratische richting. Dat wordt helemaal evident wanneer we het niet bij het formuleren van waarden houden, maar ook normen gaan stellen, red lines gaan trekken in de politiek.

Als we het politieke programma overzien dat uit de analyses van de vier waarden voortvloeit, geldt sociaaleconomisch dat we een markteconomie voorstaan waarin de invloedssfeer van geld en markt beperkt is (geen marktsamenleving), de kosten en risico’s van toenemende concurrentie niet langer eenzijdig worden afgewenteld op de werkenden, er een betere balans tot stand komt tussen flexibilisering van de werknemer en voor de werknemer, en waarin de onderneming of werkplek meer als een gemeenschap functioneert. Productief ondernemerschap wordt hoog gewaardeerd, geld maken met geld aanzienlijk minder. De financiële sector wordt weer dienstbaar gemaakt aan de reële economie, de nutsfunctie van grote financiële instellingen gewaarborgd. Iedereen verdient een loon om van te kunnen leven. Uitwisseling van best practices tussen Nederland, Duitsland en de Scandinavische landen in sociaal beleid, industrie- en duurzaamheidsbeleid draagt bij aan de ontwikkeling van een modern Rijnlands model, met een stabiele, duurzame en sociale economie. Een sterke verzorgingsstaat rust mensen toe voor het omgaan met oude en nieuwe risico’s, en blijft waar nodig bescherming bieden. Zo’n sociale investeringsstaat heeft alleen kans van slagen in een ander Europa, waarin sociale rechten niet langer ondergeschikt zijn aan de economische vrijheden, en waarin een sociaal investeringspact ertoe bijdraagt dat lidstaten niet alleen aan begrotingsnormen worden gehouden, maar ook aan sociale standaarden. Ook internationaal zullen de voorwaarden moeten worden geschapen voor nationale staten om sociaal en democratisch beleid te voeren en een sterke verzorgingsstaat te handhaven, door een eind te maken aan de hyperglobalisering, en door elementen van een nieuw Bretton Woods systeem te introduceren.

Sociaal-cultureel luidt de conclusie dat sociaal-democraten hun terughoudendheid ten opzichte van binding en gemeenschapszin zouden moeten laten varen. De sociaal-democratie past het ook op dat vlak post-liberaal te worden. Durven te breken met een individualisme als geloof dat individuen juist lamlegt. Verbondenheid is macht. Daar op een democratische, sociaal rechtvaardige en verstandige manier mee omgaan is de opdracht van de sociaal-democratie. Sociaal-democraten benaderen de samenleving als een gemeenschap met een gedeelde toekomst, een gemeenschappelijke samenlevingsideaal gericht op het verwezenlijken van wat wij van waarde achten. Bij het nastreven van dat toekomstideaal is het voortdurend zaak de boel bij elkaar te brengen en houden, door breuklijnen tussen hoger- en lager opgeleiden, en tussen culturele groepen te mitigeren. Sociaal-democraten handelen vanuit het besef dat we gemeenschappelijke arrangementen nodig hebben om individuele vrijheid en ontplooiing mogelijk te maken. Samenwerking en solidariteitsbesef: dat is het startpunt van elke sociaal-democratische politiek. Het woord arrangementen verwijst naar de complexe verhoudingen waarin collectiviteit zich realiseert in de eenentwintigste eeuw. In de vorm van een nieuwe verzorgingsstaat. In de vorm van sociale netwerken en veerkracht. In de vorm van ondernemingen en werkplekken als gemeenschap. In de vorm van internationale samenwerking die noodzakelijk is om de voorwaarden te scheppen voor dit beschavingsideaal in Nederland en in Europa.

Politiek is de eis: meer zeggenschap. De opdracht is om verschillende maatschappelijke sectoren te democratiseren onder het motto uit De weg naar de vrijheid ‘geen machtsuitoefening zonder verantwoordingsplicht en geen grotere machtsconcentratie dan voor de vervulling van de gestelde taken onmisbaar is’. De kloof tussen beleidswerkelijkheid en maatschappelijke werkelijkheid kan verminderen door burgers en civil society in de vormgeving van het overheidsbeleid te laten participeren. Dit draagt er ook toe bij dat de instellingen die ten dienste van de mensen moeten staan gericht blijven op de noden van de mensen in plaats van op de logica van hun bestuurders. Ten slotte verdient de vertegenwoordigende democratie versterking en een nieuw elan. Want lokaal, nationaal en Europees moeten raden en parlementen terrein terugwinnen op de uitvoerende macht en hun controlerende en richtinggevende functies beter en zichtbaarder uitoefenen.

Verdedigen wat van waarde is impliceert dat de markt wordt gecorrigeerd, dat moet worden gebroken met het liberale individualisme dat isoleert en niet bevrijdt, dat moet worden gestreefd naar een politiek die luistert, samenbrengt, mobiliseert, greep geeft op het leven. Kortom: sociaal-economisch naar links, sociaal-cultureel naar binding, en politiek naar versterking van zeggenschap.

 

Literatuur

  • Frank Ankersmit en Leo Klinkers, De tien plagen van de staat, Amsterdam 2008.
  • Zygmunt Bauman, In search of Politics, Cambridge 1999.
  • Frans Becker & Pim Paulusma, ‘De verborgen malaise op de werkplek’, in: S&D 68 (2011) 9/10, 48-58.
  • Frans Becker, ‘Tijd voor tegenwicht – herstel de balans in de economie’, in: S&D 68 (2011) 5/6, 65-75.
  • Frans Becker, ‘Breng de kunst terug in het onderwijs – In het voetspoor van Boekman’, in: S&D 68 (2011) 7/8, 95-101.
  • Frans Becker en Paul Kalma, ‘“Twee dingen goed begrijpen”. Het onverwoestbare programma van Joop den Uyl’, in: S&D 64 (2007) 11/12, 12-25.
  • Paul de Beer, ‘Moderne bestaanszekerheid’, in: S&D 68 (2011) 5/6, 102-111.
  • Paul de Beer (red.), Ronald Dekker en Martin Olsthoorn, Flexibilisering. De balans opgemaakt, De Burcht, Amsterdam 2011.
  • Jos de Beus, Na de beeldenstorm. Een beschouwing over de werking van de toeschouwersdemocratie in Nederland, Etty Hillesumlezing, Heerde 2002.
  • Jan Blokker, ‘Wie bedenkt er nu zoiets?’, in: S&D 68 (2011) 7/8, 105-106.
  • Hans Blokland, ‘Op weg naar het einde van onze cultuur. Sociaal-democratie in de moderne tijd’, in: Frans Becker en Wim van Hennekeler (red.), Cultuurpolitiek. WBS Jaarboek 2005, Amsterdam 2005, 37-57.
  • Hans Blokland, ‘De onvermijdelijkheid en continuïteit van politiek en politieke beginselen’, in: Frans Becker e.a. (red.), Inzake beginselen. Het zeventiende jaarboek voor het democratisch socialisme, Amsterdam 1996, 105-121.
  • Hans Blokland, ‘Nederlands cultuurpolitiek drama’, in: S&D 69 (2012) 4, 9-23.
  • Emanuel Boekman, Overheid en kunst in Nederland, Amsterdam 1989 (1939).
  • Klara Boonstra, ‘Flexibel waar het kan, zeker waar het moet’, in: S&D 68 (2011) 5/6, 123-127.
  • Arnoud W.A. Boot, De ontwortelde onderneming. Ondernemingen overgeleverd aan financiers?, Assen 2009.
  • Eric Borgman, Gabriël van den Brink, Paul Dekker en Willem Witteveen, ‘Naar een heruitvinding van de civil society’, in: Gabriël van den Brink (red.), De Lage Landen en het hogere. De betekenis van geestelijke beginselen in het moderne bestaan, Amsterdam 2012.
  • Hans Boutellier, ‘Sociale veiligheid als vorm van bestaanszekerheid’, in: S&D 68 (2011) 5/6, 40-48.
  • Centraal Planbureau, Loonongelijkheid in Nederland stijgt, CPB-policy brief 2012/06.
  • Marc Chavannes, Niemand regeert. De privatisering van de Nederlandse politiek, Uitgeverij NRC Boeken 2009.
  • Rutger Claassen, ‘De staat en het goede leven’, in: S&D 68 (2011) 7/8, 23-30.
  • Rutger Claassen, ‘De bindingsangst van sociaal-democraten’, in: S&D 68 (2012) 11/12, 61-71.
  • Heleen de Coninck, ‘De paradox van Kopenhagen’, in: S&D 68 (2011) 5/6, 84-90.
  • Wout Cornelissen, ‘Verdwijnt de vrijheid van de universiteit?’, in: S&D 68 (2011) 7/8, 68-73.
  • René Cuperus, ‘De doe-het-zelf-samenleving en het populisme van de boze burger leggen zich niet langer bij passieve toeschouwersrol neer’, in de Volkskrant, 7 januari 2013.
  • René Cuperus, ‘Bestaanszekerheid voor wie?’, in: S&D 68 (2011) 5/6, 91-96.
  • René Cuperus, ‘Een gespleten land’, in: S&D 68 (2011) 11/12, 110-119.
  • Marcel van Dam, Niemands land. Biografie van een ideaal, Amsterdam, 2009.
  • Ben Dankbaar en Frans Becker (red.), Economisch beleid in een ondernemende samenleving, Houten/Diegem 1997.
  • Ben Dankbaar, ‘En nu de reële economie. Naar een probleemgerichtindustriebeleid’, in: Frans Becker, Menno Hurenkamp, Paul Kalma, Lessen uit de crash. Een antwoord op de financiële crisis, Amsterdam 2012, 172-199.
  • Ronald Dekker, ‘Als alles flexibel wordt’, in: S&D 68 (2011) 9/10, 110-117.
  • Ronald Dekker, ‘Goed werk is bruggen onderhouden’, in: S&D 69 (2012) 11/12, 36-43.
  • J.A.A. van Doorn, ‘Het socialisme als kameleon’, in: J.A.A. van Doorn, Nederlandse democratie. Historische en sociologische waarnemingen. Samengesteld en ingeleid door Jos de Beus en Piet de Rooy, Amsterdam 2009, 337-350.
  • Jaap Dronkers, Ruggengraat van ongelijkheid. Beperkingen en mogelijkheden om ongelijke onderwijskansen te veranderen, Amsterdam 2007.
  • Jan Willem Duyvendak, ‘De warmte van Nederland’, in: S&D 68 (2012) 11/12, 150-155.
  • Mark Elchardus, De dramademocratie, Tielt 2002.
  • Mark Elchardus, ‘Politiek van de levensloop’, in: S&D 69 (2012) 1/2, 62-75.
  • Mark Elchardus, ‘Zijn wij gebaat bij een waterpas?’, in: Samenleving en politiek, 20 (2013) 1, 4-11.
  • Nina Eliasoph, Avoiding Politics: How Americans Produce Apathy in Everyday Life, Cambridge 1998.
  • Cyrille Fijnaut, ‘De strijd tegen zware misdaad’, in: S&D 68 (2011) 5/6, 51-55.
  • Jacques Giele, Arbeidersleven in Nederland 1850-1914, Nijmegen 1979.
  • Jacques Giele, Een kwaad leven. De arbeidsenquête van 1887. Heruitgave van de ‘Enquête betreffende werking en uitbreiding der wet van 19 september 1874 (Staatsblad No. 130) en naar den toestand van fabrieken en werkplaatsen’ (Sneek, 1887), Nijmegen 1981.
  • Francis Green, Demanding Work. The Paradox of Job Quality in the Affluent Economy, Princeton and Oxford 2006.
  • Jacob S. Hacker, The Great Risk Shift. The Assault on American Jobs, Families, Health Care, and Retirement And How You Can Fight Back, Oxford 2006.
  • Bas Heijne, Moeten wij van elkaar houden? Het populisme ontleed, Ruinen 2011.
  • Anton Hemerijck en Annemarieke Nierop, ‘Ingrepen in de WW: moderniseringsslag of uitholling van de verzorgingsstaat?’, in: Mij een zorg! De toekomst van de sociale zekerheid (samengesteld door Sjifra Herschberg), Amsterdam, te verschijnen in mei 2013.
  • Anton Hemerijck, ‘Sociale investeringen betalen zich dubbel en dwars terug’, in: S&D 69 (2012) 1/2, 83-92.
  • Pieter Hilhorst, ‘Sociale veerkracht als vangnet’, in: S&D 68 (2011) 5/6, 149-158.
  • Rolph van der Hoeven, ‘De financiële mondialisering moet worden bijgestuurd’, in: S&D 68 (2011) 9/10, 39-47.
  • Roel in ’t Veld, Kennisdemocratie. Opkomend stormtij, Den Haag 2010
  • Erik Jurgens, ‘Welke waarden wil de PvdA verdedigen?’, in: S&D 59 (2002) 7/8, 4-5.
  • Donald Kalff en Hans Verkoren, ‘De Nieuwe Bank. Alternatieve grondslagen voor een onmisbaar instituut’, in: Frans Becker, Menno Hurenkamp, Paul Kalma, Lessen uit de crash. Een antwoord op de financiële crisis, Amsterdam 2012, 89-109.
  • Paul Kalma, Links, rechts en de vooruitgang, Amsterdam 2004.
  • Paul Kalma, ‘De twee gezichten van de sociaal-democratie’, in: Maarten Brinkman, Madelon de Keizer en Maarten van Rossem (red.), Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland 1894-1994, Amsterdam 1994, 297-313.
  • Paul Kalma, Makke schapen. Over volgzame burgers en vluchtige politiek, Amsterdam 2012.
  • Sjoerd Karsten en Wim Meijnen, Leergeld. Sociaal-democratische onderwijspolitiek in een tijd van nieuwe verschillen, Amsterdam 2005.
  • Sjoerd Karsten, ‘Herstel solidariteit met kansarme leerlingen’, in: S&D 68 (2011) 7/8, 74-78.
  • Alfred Kleinknecht, Ro Naastepad en Servaas Storm, ‘Het nut van ontslagbescherming’, in:  S&D 69 (2012) 3, 22-30.
  • Ton Korver, ‘Een nieuwe risicoverdeling op de arbeidsmarkt’, in: S&D 69 (2012) 1/2, 76-82.
  • Robert Kuttner, ‘Laissez-faire, mondialisering en politieke democratie’, in: Frans Becker, Menno Hurenkamp en Paul Kalma, Lessen uit de crash. Een antwoord op de financiële crisis, Amsterdam 2012, 264-292.
  • Paul Lichterman, Searching for Political Community: American Activists Reinventing Commitment, Cambridge 1996.
  • Marcel van Lieshout, ‘Meer geweld bij Sociale Diensten’, in: de Volkskrant, 4 oktober 2011.
  • Sannette Nayé, ‘Opvoeden in de wereld van de nieuwe media’, in: S&D 68 (2011) 7/8, 102-104.
  • Jelle van der Meer, Over de grenzen van de leerkracht. Passend onderwijs in de praktijk, Den Haag 2011.
  • Erica Meijers en Cas Smithuijsen, ‘Naar onbekende werelden. Kunstbeleid en culturele verheffing’, in: Dick Pels en Anna van Dijk (red.), Vrijzinnig paternalisme. Naar een groen en links beschavingsproject, Amsterdam 2011, 115-133.
  • Bertus Mulder, Het hart van de sociaal-democratie. Over het belang van arbeid en zeggenschap, Den Haag 2012.
  • Karl Polanyi, The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time, Boston 2001 (1944).
  • Robert B. Reich, Superkapitalisme en de bedreiging voor onze democratie, Amsterdam/Antwerpen 2007.
  • Dani Rodrik, The Golbalization Paradox. Why Global Markets, States, and Democracy Can’t Coexist, Oxford 2011.
  • Piet de Rooy, ‘Over snijbloemen en sociaal-democratie’, in: S&D 64 (2007) 10, 9-15.
  • Piet de Rooy, ‘“O zaal’ge tijd”. Sociaal-democratie en onderwijs’, in: Sjoerd Karsten en Wim Meijnen, Leergeld. Sociaal-democratische onderwijspolitiek in een tijd van nieuwe verschillen, Amsterdam 2005.
  • Felix Rottenberg, ‘De egel, de haas, en een levensleugen’, in: S&D, 59 (2002), 17-20.
  • Paul Scheffer, ‘”Steeds zwaarder drukt de last”’, - De actualiteit van Wiardi Beckman’, in: Frans Becker, Menno Hurenkamp en Paul Scheffer, Onszelf blijven. H.B. Wiardi Beckman. Baanbreker van de moderne sociaaldemocratie, Amsterdam, 2011.
  • Hans Schenk, ‘Over de bijdrage van speculatieve overnames aan de crisis’, in: Frans Becker, Menno Hurenkamp, Paul Kalma, Lessen uit de crash. Een antwoord op de financiële crisis, Amsterdam 2012, 153-171.
  • Kees Schuyt, ‘Academische vorming vergt meer studie’, in: S&D 68 (2011) 7/8, 58-65.
  • Kees Schuyt, ‘Solidariteit tussen generaties’, in: S&D 69 (2012) 1/2, 102-108.
  • Richard Sennett, The Craftsman, Londen 2008.
  • Richard Sennett, The Corrosion of Character: The Personal Consequences of Work in the New Capitalism, New York 1998.
  • Cas Smithuijsen, ‘Openbare cultuur en privatisering’, in: Hans van Dulken en Tony Jansen, Het leven als leerschool. Portret van Emanuel Boekman, Amsterdam 1989, 77-93.
  • Guy Standing, The Precariat. The New Dangerous Class, New York 2011.
  • Tsjalling Swierstra en Evelien Tonkens, ‘De schaduwzijde van de meritocratie – De respectsamenleving als ideaal’, in: S&D 68 (2011) 7/8, 37-44.
  • Menno Tamminga, De uitverkoop van Nederland. Hoe een ondernemend land geveild werd, Amsterdam/Rotterdam 2009.
  • Frans Timmermans, Glück Auf!. Het relaas van een Limburgse Europeaan, Amsterdam 2010. 
  • Herman Tjeenk Willink, ‘Een nieuw idee van de staat’, in: S&D 69 (2012) 11/12, 71-78.
  • A. de Swaan, Een boterham met tevredenheid. Gesprekken met arbeiders, Amsterdam 1972.
  • Will Tinnemans, Onzeker bestaan. Leven aan de rafelrand van de arbeidsmarkt, Amsterdam 2009.
  • Will Tinnemans, ‘Flexibel werk als vermomming voor uitbuiting’, in: S&D 68 (2011) 5/6, 113-122.
  • Bart Tromp, De wetenschap der politiek. Verkenningen, Amsterdam 2004.
  • Adriaan van Veldhuizen, ‘Het uitbestede ideaal’, in: S&D 68 (2011) 7/8, 14-22.
  • Adriaan van Veldhuizen, “De vrees is het zand in de machine van het leven”, in: S&D 68 (2011) 5/6, 31-39.
  • Hans Wansink, De opmars van de stressmaatschappij, Amsterdam, 1994.
  • Yvonne Zonderop, Polderen 3.0 - Nederland & het algemeen belang, Den Bosch 2012.
  • Arie van der Zwan, ‘De financialisering van ons wereldbeeld’, in: Frans Becker, Menno Hurenkamp en Paul Kalma, Lessen uit de crash. Een antwoord op de financiële crisis, Amsterdam 2012, 28-50.

 

Dankwoord

Meer dan twee jaar geleden kwam voor het eerst een kleine groep mensen bijeen om van gedachten te wisselen over de toekomst van de sociaal-democratie. Bindmiddel was in eerste instantie vooral het gevoel dat het na paars en na de kabinetten met Balkenende tijd was om langer stil te staan bij de pretenties van de progressieve politiek. Dat het een keer niet over de techniek van investeren of bezuinigen moest gaan, maar over de fundamenten. Alleen, niemand had direct zin om weer meteen een artikel of boek te schrijven. Het idee was dat we eerst een tijdje van gedachten moesten wisselen. Onder de onnavolgbare leiding van Felix Rottenberg deed het gezelschap dat.

Zo eens in de zes weken, en later drie maanden, kwam een groep bijeen die op een gegeven moment de Kompasgroep heette. We troffen elkaar veelal in De Kleine Werf, een oude scheepswerf op het Prinseneiland in Amsterdam, en ook af en toe ergens aan zee. Sommige mensen waren er altijd, anderen vaak, sommigen stapten op een gegeven moment op en weer anderen haakten op een later moment aan, maar Lodewijk Asscher, Paul de Beer, Hans Boutellier, Rutger Claassen, Job Cohen, Heleen de Coninck, Wout Cornelissen, Mark Elchardus, Michiel Emmelkamp, Anton Hemerijck, Kees Schuyt, Adriaan van Veldhuizen, Adnan Tekin en Evelien Tonkens schoven meer dan regelmatig aan, staken vlammende interventies af of hielden terdege voorbereide inleidingen, maar waren hoe dan ook altijd creatief en oorspronkelijk. 'En dan was er natuurlijk nog de staf van de WBS, Frans Becker, René Cuperus, Menno Hurenkamp, Annick Hutten, Annemarieke Nierop, Pim Paulusma, Tom Plat en Naomi Woltring. Vera van Lingen zorgde er ondertussen voor dat op de WBS alles bleef draaien.

Van waarde, moest het project gaan heten en de inzet was een sociaal-democratie voor de eenentwintigste eeuw. In de opeenvolgende bijeenkomsten ontstond langzaam maar zeker een sterk gedeeld gevoel, over richting en noodzaak van de heroriëntatie. Het resultaat bestaat op het eerste oog uit dit boek en nog twee andere publicaties. Maar het zijn maar boeken. Wat echt overblijft is dat het nog altijd kan, verzinnen waarom politiek ertoe doet. Uiteindelijk is dat van waarde.

Het schrijven van dit manifest was niet mogelijk geweest zonder de inzichten van Mark Elchardus, Frans Becker, René Cuperus en Menno Hurenkamp, die op elk moment klaarstonden met plannen en teksten. Tientallen wetenschappers schreven artikelen voor themanummers van het tijdschrift S&D in het kader van het Van waarde-onderzoek. Ook van hun ideeën is dankbaar gebruikgemaakt. Annemarieke Nierop was een onmisbare eindredacteur, Jan Erik Keman, Ursula Lavrencic, Gijs Ockeloen en Auke Touwslager zorgden dat het essay ook online mooi werd.

 

Reag​eren

Reageren op het manifest kan hieronder via het online discussieprogramma Disqus. Langere reacties plaatsen we graag op een aparte plek op de WBS-website. Deze kunt u indienen bij Annick Hutten: ahutten@wbs.nl, met foto en korte personalia.