Tussenstand in het debat over buitenlandpolitiek

Debat: Met het gezicht naar de wereld

Op deze plek voeren we de komende periode het debat over de contouren van een nieuw sociaaldemocratisch buitenlandbeleid. Een voorlopige samenvatting van de belangrijkste standpunten medio januari zijn te vinden in het overzichtsartikel.

Bijdragen: 
28

Een tussenstand in het debat over buitenlandpolitiek

De afgelopen maand is op de WBS-website uitgebreid gediscussieerd over de concept buitenlandresolutie ´Met het gezicht naar de wereld´ en de achterliggende nota. Tientallen mensen schreven essays en commentaren. In deze tussentijdse samenvatting door Frans Bieckmann van die bijdragen een overzicht van de belangrijkste trends in het debat, dat ook na het congres zal moeten worden voortgezet. Vijf thema´s sprongen eruit: de behoefte aan een alternatief economisch model; Europa en de euro; de positie van Nederland in een snel veranderende wereld; militaire interventies en de ´Responsibility to Protect´; en ontwikkelingssamenwerking en 'Global Public Goods.'

Na de publicatie van de concept buitenlandresolutie in november 2011, nodigde de WBS partijleden en anderen uit om te reageren op de teksten. Enige tientallen pakten de handschoen op en schreven essays en commentaren. Daarmee is een goed begin gemaakt met het broodnodige debat over een linkse buitenlandpolitiek. Op het congres van 21 en 22 januari zal daarin een nieuwe stap gezet worden, en hopelijk wordt daar ook de basis gelegd voor een permanente buitenlandcommissie die zich structureel over internationale vragen gaat buigen. Daarnaast zullen de verschillende buitenlandgroepen in de partij ongetwijfeld op hun deelterreinen verder discussiëren. Ook kandidaat Internationaal Secretaris Kirsten Meijer vindt dat hard nodig: ‘Het debat is nog niet voltooid en zal permanent gevoerd moeten worden, willen we kunnen blijven inspelen op de continue veranderingen op het wereldtoneel.’

Of de discussie alleen binnen de PvdA gevoerd moet worden, is de vraag. De huidige politieke situatie in Nederland schreeuwt om een breder debat, binnen links. Daarom is het goed dat Arjan Vliegenthart, directeur van het Wetenschappelijk Bureau van de SP, positief reageerde op de uitnodiging op de WBS-site te reageren op de buitenlandresolutie. Hij ziet duidelijke verschillen tussen de PvdA-standpunten en die van de SP (bijvoorbeeld over de euro en de Responsibility to Protect), maar hij vindt de resolutie ook ‘een plezier om te lezen’, vanwege de geschetste waarden waar zowel sociaaldemocraten als socialisten zich in kunnen vinden: ‘Het vertrekpunt dat het huidige kapitalisme niet kan zorgen voor een sociale en duurzame toekomst zoals wij die wensen, is een belangrijk gedeeld uitgangspunt. De financiële crisis en het failliet van het neoliberalisme dwingen tot een fundamentele heroriëntatie op hoe wij de samenleving, nationaal en internationaal, zouden moeten willen inrichten… Gecombineerd met de centrale noties van internationale solidariteit en de grondwettelijke verplichting om de internationale rechtsorde te bevorderen, biedt deze constatering genoeg aanknopingspunten voor een gemeenschappelijk kompas dat bijdraagt tot een realistische politiek voor een betere wereld.’

Het gaat te ver om alle algemene opmerkingen over de resolutie hier op te sommen. Hieronder zijn de vijf hoofdthema´s eruit gepikt. Wel was er enerzijds veel waardering voor de internationalistische en activistische toonzetting waarin geprobeerd werd een eigen ´frame´ op het buitenlandbeleid te creëren in plaats van alleen defensief te reageren op andere partijen en visies. Anderzijds was een vaak terugkerende algemene kritiek dat er nog te weinig keuzes worden gemaakt en concrete beleidsinstrumenten behandeld, waardoor dit document niet de bedoelde leidraad is voor eventuele bewindslieden en Kamerleden. Tot slot werd een aantal keren gewezen op het gebrek aan consistentie: de beginselen werden niet consequent doorvertaald naar de deelonderwerpen, waardoor er in de resolutie standpunten naar voren komen die elkaar onderling tegenspreken.

Micha Hollestelle stelt dat de resolutie niet consistent is, niet ten opzichte van de andere interventies en niet ten opzichte van de centrale waarde 'Internationale Solidariteit'. Hij stelt dat een consistent doorvoeren van internationale solidariteit ook offers vergt, en die offers worden niet benoemd in de buitenlandresolutie; de vraag door wie en hoe de rekening wordt betaald wordt ontweken. Bovendien, schrijft hij, gaat het om 'een solidariteit niet alleen tussen mensen onderling, maar ook tussen mens en natuur. 'Een eerlijke analyse van een dergelijke solidariteit zal duidelijke offers vragen. Solidariteit is van au.'

1. Een alternatief economisch model

De PvdA en de andere linkse partijen slagen er al jaren niet in om het momentum te pakken dat is ontstaan door de grote, wereldwijde economische en financiële crises. Terwijl het falen van het huidige economische model dagelijks blijkt, is links niet in staat een duidelijk alternatief te presenteren. Zeker de PvdA zit nog vast in het paarse denken dat het economische model niet meer ter discussie stelde maar vooral probeerde de opbrengsten daarvan eerlijker te verdelen en de negatieve uitwassen te dempen. Daniel Mügge legt de vinger op deze zere plek: ‘…politiek links oogt barmhartig en sociaal, politiek rechts oogt competent. Politiek links legt mooie ambities op tafel, politiek rechts legt uit waarom die niet haalbaar zijn.’

De belangrijkste opgave voor de PvdA is dus de kapitalismekritiek nieuwe invulling te geven. De buitenlandresolutie geeft daarvoor een aantal voorzetten, en in de WBS-discussie komen nog meer elementen naar voren. Mügge stelt dat de kern van het huidige economische model bestaat uit schulden. Productie wordt gefinancierd door schulden aan te gaan: door overheden, huishoudens, bedrijven en banken. Het antwoord dat gekozen wordt is ‘de afbouw van overheidsschulden’, bezuinigingen dus. Maar hoe kunnen we dan nog de consumptie financieren?, redeneert Mügge verder: door de financiële sector veel geld uit te laten lenen aan huishoudens en bedrijven. Tegelijkertijd werd een eurozone gecreëerd waarin het onmogelijk was de ongelijke concurrentieverhoudingen tussen Noord- en Zuid-Europa te kanaliseren, bijvoorbeeld via afwaardering van de munt of importrestricties. ‘Sterker nog: het economische succes van exportgeoriënteerde landen zoals Duitsland en Nederland is gebaseerd op noodzakelijke tekorten, en dus op ophoping van schulden elders’, aldus Mügge.

De financiële sector wakkerde dat proces van schuldvergroting alleen maar aan. Niet de bonussen die daarmee verdiend werden zijn het grootste probleem, maar het feit dat daarmee een onhoudbare economische situatie wordt gecreëerd.
De schulden moeten omlaag, dat staat buiten kijf. Maar wat is op de lange termijn het alternatief? Dat is de uitdaging die links nu serieus moet gaan aanpakken, schrijft Mügge: ‘Het moet meer opperen dan kanttekeningen bij het huidige beleid. Het moet zelfbewust een eigen visie neerzetten, een visie die financiële hervormingen beoordeelt op hun bijdrage aan een duurzame economische orde, die burgers kan dienen zonder de excessieve ophoping van schulden.’

Bastiaan van Apeldoorn vindt de langere termijn voorstellen in de buitenlandresolutie over hervorming van het internationale economische stelsel - bijvoorbeeld ‘een moderne versie van het Rijnlandse model als wenkend alternatief’ - te vaag en te defensief. Moet de sociaaldemocratie niet verder gaan dan het verdedigen of vernieuwen van het kapitalisme en ‘blijven nadenken over … radicalere hervormingen ervan, die duurzaam sociale rechtvaardigheid en collectieve waarden boven die van private winsten kunnen waarborgen.’? Van Apeldoorn signaleert in de resolutie een terugtrekking naar de natiestaat omdat ‘Europa geen bescherming heeft geboden tegen het neoliberale mondialiseringsproces … maar dat proces juist versterkt en bovendien wettelijk verankerd op supranationaal niveau.’ Maar zo’n ‘nationale route’ biedt ook geen oplossing, dus zal ‘men veel verdergaand dan in deze resolutie wordt voorgesteld de regels van het Europese spel moeten veranderen en een deel van de liberalisering (van bijvoorbeeld publieke dienstverlening en van kapitaal en overnamemarkten) uit naam van de interne markt terug moeten draaien.’

Bas van Drooge vindt eveneens dat de resolutie nog lang niet ver genoeg gaat. Hij stelt voor om grondig door te discussiëren over een alternatief voor het ‘vrije markt’ model: ‘Als sociaal-democraten zitten we nog steeds gevangen in het liberale kapitalisme van na de val van de muur, van de tijd dat Kok zijn ideologische veren afschudde. We kunnen alleen teruggrijpen op een Rijnlands model. Maar is dat genoeg? Is dat niet meer van hetzelfde in een vriendelijker jasje?’ Van Drooge pleit onder meer voor een duurzamer en kleinschaliger economie, waarin ook andere stakeholders dan alleen de ‘kapitaalverschaffers’ meesturen in private ondernemingen. Het moet ook in bedrijven niet alleen meer gaan om winst, maar ook om maatschappelijk nut.

Volgens sommigen is een radicaal groen economisch model het enige alternatief. Zij wijzen er op dat klimaat en milieu, en meer algemeen een keuze voor een duurzame, groene economie, zwaar onderbelicht zijn in de resolutie. Ries Kamphof schrijft: ‘Te weinig aandacht is in de resolutie voor dé vraagstukken van de komende decennia als grondstoffenschaarste, voedselzekerheid, een verantwoorde omgang met natuur en milieu , nieuwe innovatieve vormen van werkgelegenheid en een verduurzaming van de mondiale maatschappij (niet alleen de economie).’ Het bestuur van de PvdA-afdeling Amsterdam-Centrum wijst erop dat de wereldbevolking zal blijven groeien, de mensen in Azië, Afrika en Zuid Amerika terecht streven naar een zelfde bestaansniveau als in het rijke westen, en de aantasting van het milieu blijft toenemen: ‘Consequentie: wij zullen in Nederland het huidige niveau van materiële consumptie niet kunnen handhaven en meer moeten delen met de Derde Wereld; tegelijk moet een halt worden toegeroepen aan de wereldwijde gebruik van fossiele brandstoffen op straffe van de mens bedreigende Klimaatverwarming.’

Gaan de voorgestelde economische alternatieven sommigen dus lang niet ver genoeg, uit een aantal reacties spreekt juist irritatie over de duidelijke keuze die in de resolutie wordt gemaakt tegen dat neoliberale economische model. Jan Willem Gunning neemt een ‘ideologische ondertoon’ waar: ‘wie het kapitalisme vooral ziet als een monster dat moet worden gekooid – en daar lijkt het hier toch wel op – kan buitenspel komen te staan in het debat. Wat is nu eigenlijk dat “neoliberale economische model” dat drastisch moet worden hervormd? Vast niet het hervormingsbeleid waardoor honderden miljoenen mensen, vooral in China, ontsnapten aan de armoede.’ Maurits Groenenberg vat de economische visie in de resolutie als volgt samen: ‘… nadat in de jaren van paars het afschudden van ideologische veren door Wim Kok en het omarmen van een “derde weg” door Wouter Bos de boventoon waren gaan voeren, zijn we door de huidige crisis ineens wakker geworden en moeten we het kapitalisme opeens weer gaan beteugelen, waarbij vooral de banken het moeten ontgelden.’ Groenenberg vindt dit een verkeerde voorstelling van zaken.

Ook Allert van den Ham ziet het ´monster´ weer opduiken: ´Ditmaal heet het `financieel kapitalisme`.´ Hij vindt het te makkelijk om ´alle problemen rond armoede en uitbuiting te wijten aan de aberraties van financieel kapitalisme en door de oplossing van de mondiale problemen te koppelen aan het beteugelen daarvan… Nog afgezien van de andere exploitatieve vormen van kapitalistisch ondernemen (in de grondstoffenindustrie, de productie van diensten en goederen, maar vergeet ook de extreme ongelijke verhoudingen in de handel of binnen het huishouden niet – uitbuiting van vrouwen, huishoudelijk personeel!) bepalen feodalisme, patriarchale verhoudingen en etnische tegenstellingen –om maar eens een paar fenomenen te noemen- mede dat honderden miljoenen mensen nog steeds niet in staat zijn hun eigen levenspad uit te stippelen.´

2. Europa en de euro

Veel commentaren wijzen op de dubbelzinnigheid die uit de resolutie spreekt ten aanzien van Europa. Dit hete hangijzer was natuurlijk, gezien de actualiteit van de Eurocrisis, een van de moeilijkste punten voor de buitenlandcommissie. De vele bijdragen op de WBS-site over Europa gaan voor een groot deel ook over de onderliggende economische visie die het beleid van Nederland en/of de PvdA hanteert. Alman Metten wijst erop dat ‘aanscherping van het Stabiliteits- en Groeipact’, zoals de resolutie bepleit, in feite uitgaat van dezelfde – neoliberale – theorie dat ‘als we allemaal gezonde overheidsfinanciën hebben, de groei vanzelf wel komt. De aanscherpingen zijn erop gericht de bezuinigingen effectiever af te dwingen’. Maar ‘waar moet de vraag naar de producten van ons bedrijfsleven dan vandaan komen?’, vraagt Metten zich af. ‘Het lijkt erop dat deze theorie zo rot is als een mispel, we zien de economie in de hele eurozone dan ook al stagneren, en erger staat voor de boeg.’ Ook hier de roep om een serieus sociaaldemocratisch economisch alternatief: ‘Een eigen idee hoe de groei weer kan worden aangezwengeld, rekening houdend met de innige economische verbondenheid van de eurolidstaten, hebben we als sociaaldemocraten dus nodig.’

Gezamenlijk fiscaal beleid moet volgens Metten onderdeel van een sociaaldemocratisch Europabeleid zijn: ´Het Europees Sociaal Pact klinkt aardig, maar minimumnormen op dit vlak botsen natuurlijk wel met de normen van het Stabiliteits- en Groei Pact… . Realistischer, maar minder vanzelfsprekend voor onze achterban, zou een Europees Fiscaal Pact zijn. De concurrentie tussen lidstaten vindt immers helemaal niet rechtstreeks plaats op het terrein van sociale normen, maar op fiscaal terrein. Afknijpen van sociale verworvenheden gebeurt vervolgens onder druk van het Stabiliteits- en Groei Pact.’ Metten wijst erop dat Nederland in fiscaal opzicht veel boter op het hoofd heeft: ‘Nederland is zelf overigens absolute koploper binnen de Eurozone, vóór alle andere westerse belastingparadijzen, met het aanbieden van belastingfaciliteiten voor multinationals om hun belastingverplichtingen elders te kunnen verminderen, via zogenaamde Trustkantoren.’ Ook Chris Peeters wil verdergaande stappen ‘richting een politieke en economische/fiscale unie’ en werkt dat uit in een aantal voorstellen.

De schizofrenie in de PvdA – en in de hele Nederlandse politiek – is duidelijk: er zijn voorstanders van verdere Europese integratie en er zijn mensen die pleiten voor een pas op de plaats, vooral omdat zij de – economische – route die Europa de laatste decennia heeft gekozen niet zien zitten. Ook de resolutie leidt aan deze tweeslachtigheid, al is gepoogd die op te lossen door wel duidelijk te kiezen voor Europa, maar daar aan toe te voegen dat dat dan op een fundamenteel andere manier moet worden vormgegeven: het neoliberale economische model dat tot nu toe de ontwikkelingen heeft gestuurd, moet worden omgebogen, waarbij lidstaten meer mogelijkheden behouden om – bijvoorbeeld – sociaal beleid te voeren.

Ben Crum lijkt ook op die lijn te zitten. Hij stelt: ‘De PvdA moet inzetten op vormen van Europese samenwerking en integratie die het sociale en democratische gehalte van nationale arrangementen versterken, en dus niet uithollen.’ Daaraan ligt de ‘diepere aanname ten grondslag dat effectieve en legitieme Europese samenwerking uiteindelijk slechts mogelijk is op basis van sterke, democratische en sociale, natiestaten’. Dus een sterkere Nederlandse staat en meer Europese integratie hoeven en mogen elkaar niet uitsluiten.

Hoe dat precies moet, is de vraag. Volgens Kirsten Meijer had de resolutie specifieker mogen zijn over welke terreinen meer geschikt zijn voor nationale keuzes en waar Europees ingrijpen meer gewenst is. Ook mist zij ‘het (h)erkennen van het feit dat mensen het gevoel hebben dat ze geen grip hebben op Europa en de Europese politiek’. Het gaat dus in eerste instantie om ‘het verder ontwikkelen van ideeën over versterking en verdieping van de democratie in Europa…. Het huidige Europa is niet van ons, burgers. Europa is van de regeringsleiders en de ambtenaren. Dat moet echt veranderen.’ Meijer pleit onder meer voor versterking van de PES, en in dezelfde lijn van denken wil Jo Ritzen dat de PvdA zich inzet voor ‘Europeanisering/denationalisering van het Europees Parlement’. Aan de andere kant schrijft Meijer juist dat het goed is om een veel directere link te creëren tussen Europese politiek en de mensen die de voor- en nadelen daarvan dagelijks ervaren: ‘Door zichtbaar te zijn en door het organiseren van informatie, inspraak en debat op lokaal niveau. Als politieke partij kan de PvdA daar een voortrekkersrol in spelen.’

Crum analyseert de resolutie langs de lijn van zijn eigen, bovenstaande stelling en ziet ‘een aantal lovenswaardige voorstellen, een aantal opmerkelijke hiaten en een aantal betwistbare stellingnamen’. Positief vindt hij onder meer voorstellen over financiële regulering (heffing van belasting blijft ‘primair een nationale bevoegdheid, maar geflankeerd door krachtige Europese regulering’, bijvoorbeeld voor grensoverschrijdende zaken als milieuvervuiling en financiele transacties). Wat naar Crums idee mist in de resolutie zijn de sociale dimensie van Europese samenwerking, een Europees investeringsprogramma, en bovenal – het punt wordt in meerdere bijdragen aangestipt - de democratische legitimiteit: ‘Helemaal afwezig in de conceptresolutie is enige reflectie op de gebrekkige democratische basis waarop Europese besluitvorming steunt. Politiek gezien is dit misschien niet het meest opportune moment, maar juist in deze tijd moeten (sociaal-)democraten benadrukken dat Europese maatregelen conform de bestaande Europese kaders, inclusief de parlementaire en juridische controle die deze bieden, worden gemaakt in plaats van dat daar buitenom wordt gewerkt.’

Crums artikel leverde een onderlinge discussie op met Jo Ritzen over de wenselijkheid van het overhevelen van taken naar de Europese Commissie en de aard van het begrotingsbeleid. Volgens Ritzen overstijgt dat het partijbelang en de links/rechts tegenstelling: ‘De inrichting van onze Europese samenlevingen is niet gebaat bij de partijpolitieke waan van de dag.’ Crum meent juist dat er wel degelijk politieke debatten mogelijk en nodig zijn over het begrotingsbeleid: ‘De huidige situatie illustreert dat. Terwijl het rechtse kabinet kiest voor een restrictief begrotingsbeleid dat alle kans heeft de recessie te vergroten, zou een links kabinet in redelijkheid kunnen kiezen voor een meer anticyclisch beleid waarbij gerichte overheidsinvesteringen de economie aanjagen. … De door jou gewenste Europese budgetcommissaris met veel bevoegdheden beperkt dus niet alleen de nationale beleidsvrijheid, maar dreigt dit ook nog te doen met een ideologische bias die ten koste gaat van een meer anticyclische begrotingsbeleid.’

Arjen Berkvens ziet de roep om meer Europa (meer bevoegdheden voor de Europese Commissie) als antwoord op de Eurocrisis vooral als een keuze voor ‘het onder curatele stellen van de verkwistende Zuidelijken’; we willen eigenlijk liever af van die Zuideuropeanen. Dat is dus iets anders dan de positieve solidariteit die een sociaaldemocratisch internationalisme zou moeten voeden. Het bestuur van de PvdA-afdeling Amsterdam-Centrum schrijft in een ‘manifest’: ‘Solidariteit met de economisch zwakkeren in Zuid Europa hoort er ook bij.’ Daarmee onderstrepen zij feitelijk de sterke nadruk die in de buitenlandresolutie wordt gelegd op een buitenlandbeleid dat zich richt op vermindering van de ongelijkheid in de wereld, zowel tussen als vooral ook binnen landen.

Het belangrijkste twistpunt in de resolutie is wat betreft Crum de euro, en hij is opvallend genoeg een van de weinigen die dit rechtstreeks ter sprake brengt. Crum vindt ‘het argument dat de Euro “een noodzakelijk complement” is van de interne markt niet overtuigend. Zeker vanuit sociaaldemocratisch perspectief lijkt mij de vaststelling onontkoombaar dat monetaire integratie, achteraf gezien, onnodig en ongewenst was. Het heeft nationale overheden een omvangrijk instrumentarium aan sociaaleconomische zelfsturing ontnomen die de huidige omstandigheden aanmerkelijk beheersbaarder hadden gemaakt.’

Of dat ook betekent dat de euro dus teruggedraaid moet worden, en of dat überhaupt mogelijk is, is een heel andere vraag. Maar het is duidelijk dat de laatste woorden hierover nog niet gesproken zijn. Of, in de slotwoorden van Arjen Berkvens: ‘Deze resolutie moest de PvdA voor een jaar of vijftien een richting geven ten aanzien van internationaal beleid. Dat doel is niet gehaald. Het EU-deel is nu al niet meer actueel, laat staan toekomstgericht. Het partijbestuur doet er goed aan om deze discussie met grote urgentie toch nog te agenderen….’

3. Nederland in de wereld

Een apart, overkoepelend debatthema dat de komende jaren verder zou moeten worden uitgediept, betreft de positie van Nederland in de wereld: wat betekenen de globalisering, de veranderende machtsverhoudingen, de meervoudige crises en andere belangrijke processen voor Nederland? Hoe moeten we ons daartoe verhouden, welke oude zekerheden, uitgangspunten en beleidsvisies blijven nog overeind staan en welke zullen we moeten vervangen? Welke nationale en steeds vaker collectieve belangen staan op het spel en hoe moet je die behartigen? Als je op een dergelijke manier kijkt, zul je moeten concluderen dat buitenlandbeleid veel meer is dan wat de ministers van Buitenlandse Zaken, OS en Defensie doen, maar omvat het ook vrijwel alle ‘binnenlandse’ beleidsterreinen en gaat het om het hart van regeringsbeleid en dus ook van de partijpolitiek. Dat is een conclusie die nog lang niet door iedereen gedeeld wordt, laat staan in de praktijk gebracht: buitenlandbeleid is iets waar een groep ‘buitenlanddeskundigen’ zich mee bezig houdt en staat ook voor de meeste ´binnenlandpolitici´ ver van hun bed.

Jan Rood trekt in zijn commentaar een parallel met het gedachtegoed van wijlen Bart Tromp, die in 2004 pleitte voor ‘een nieuwe zelfstandigheidspolitiek …waarbij Nederland zich niet langer diende te schikken naar het Atlantisch primaat door slaafs de VS te volgen dan wel zich vrijwillig liet marginaliseren in een immer grotere en onmachtigere EU, maar uitdrukkelijk zou kiezen voor een mondiale route voor zijn buitenlands beleid’. Rood leest de resolutie als een hernieuwde poging om Nederland weer op de koers te zetten van zo’n ‘actief internationalistisch beleid’, waarin het de verloren gegane ‘voorhoederol’ herneemt. Daarmee positioneert de PvdA zich duidelijk tegenover het huidige kabinetsbeleid, dat vooral gedicteerd wordt door Nederlands economisch eigenbelang. Rood beoordeelt dat positief, maar schrijft dat de PvdA vervolgens té veel wil en geen prioriteiten stelt: ‘Met de welhaast onbegrensde ambities van haar buitenlandpolitiek dreigt de PvdA weer in de oude fout van “te veel en daardoor te weinig” te vervallen.’ Hij pleit voor meer realisme en ‘een scherpere analyse van de plaats en rol van Nederland in het internationale systeem’.

Een goede analyse is inderdaad belangrijk, en die moet voortdurend worden aangepast, omdat de wereld snel en continu blijft veranderen. Het zou goed zijn die analyse dus een wat permanenter karakter te geven. Een element van zo’n analyse is de rol van opkomende landen. Peter Konijn analyseert in zijn bijdrage de consequenties die geopolitieke verschuivingen op het wereldtoneel hebben voor de positie van Nederland en Europa: ‘De opkomende machten zijn game changers, ze veranderen de regels van het spel.’ Dat betekent volgens Konijn dat ‘het Westers georiënteerde internationale systeem van normen, waarden en instituties’ wezenlijk zal veranderen en het een illusie is dat – zo interpreteert Konijn de resolutie – ‘de opkomende machten gesocialiseerd worden met onze ideeën over inrichting van internationale verhoudingen, zodat ze verantwoordelijke stakeholders van het bestaande internationale systeem worden’.

Ook Pieter Smidt van Gelder buigt zich over de vraag hoe Nederland zich moet positioneren in de wereld. Essentieel voor een klein en open land als Nederland is volgens hem dat we ons hard moeten maken voor een internationale rechtsorde en de mensenrechten wereldwijd, ook omdat, zoals Hugo de Groot al schreef in zijn Mare Liberum: ‘kleinere landen hebben belang bij internationale spelregels die door iedereen gerespecteerd worden.’

Als je nadenkt over de positie van Nederland in de wereld, zul je ook een visie moeten ontwikkelen over ´belangen´. Het gebruik in de buitenlandresolutie van de term ‘welbegrepen eigenbelang’ wordt door een aantal mensen niet wel begrepen. Ries Kamphof spreekt over ‘tenenkrommende verwijzingen naar het `welbegrepen eigenbelang` (wat is dit en is het niet beter om in het algemeen belang te denken als solidaire, sociale en democratische partij?).’ Ook uit andere reacties blijkt dat de term verwarring schept. Misschien had beter gekozen kunnen worden voor het 'collectieve eigenbelang' of het 'verlengde eigenbelang' of het 'verlichte eigenbelang' (zie over hoe in andere landen daarmee omgegaan wordt onder meer het achtergrondstuk van Frans Bieckmann en Monika Sie voor de buitenlandcommissie). In essentie gaat het erom dat naast morele en idealistische drijfveren de sociaaldemocratie ook een antwoord moet hebben op de zorgen en verlangens en motivaties van mensen in Nederland die hun eigen leven en daarmee ook hun zekerheden (hun belangen dus) bedreigd zien door wat uit het buitenland op hen afkomt. Niet al die bedreigingen zijn reëel, maar het valt niet te ontkennen dat globalisering ook negatieve gevolgen heeft. En in ieder geval gaan de ontwikkelingen zo hard en dringen ze zich via tv en internet aan iedereen op, dat het niet vreemd is dat de mensen onzeker worden van die grote boze buitenwereld.

Op die angst spelen andere partijen in, en zij appelleren aan het kleingeestige korte termijn, directe eigenbelang. Dat is waar het huidige kabinet haar buitenlandbeleid op heeft gebaseerd. Daar tegenover poneert de buitenlandresolutie een eigen visie op wat zij als belang ziet, en dat is in essentie het collectieve belang van een wereld waarin iedereen moet samenleven, of wij dat nu willen of niet. Veel van de problemen waar we mee worstelen (klimaat, economie/handel, financieel systeem, schaarste aan grondstoffen, etcetera... wat we de global public goods noemen) kunnen alleen op grensoverschrijdend niveau kunnen worden opgelost. En het oplossen van die problemen is in ons aller belang. Daarmee is belang geen vies woord meer, omdat het niet anderen uitsluit. Maar het is ook naïef om te ontkennen dat mensen niet aan hun eigen belang zouden denken en zich enkel zouden laten motiveren door idealen.

4. Militaire en andere interventies en de Responsibility to Protect

Een derde heikel punt dat veel discussie oproept en daarom een diepgaander debat en onderzoek behoeft, is de vraag naar de voorwaarden voor het ondersteunen van vredesmissies in conflictgebieden. In de reacties wordt er op gewezen dat de resolutie met twee monden spreekt door enerzijds het principe van de Responsibility to Protect (R2P) te onderstrepen, maar anderzijds kanttekeningen te plaatsen bij de manier waarop het 3D-beleid (Defense, Diplomacy, Development) in de afgelopen jaren is uitgevoerd, en daarbij een veel duidelijker ontwikkelingsfocus te verbinden als voorwaarde voor het ondersteunen van nieuwe militaire missies.

Ruud Veltmeijer meent dat de beginselen 6 en 7 van de resolutie met elkaar in tegenspraak zijn: ‘Het zesde beginsel legt nadruk op de `responsibility to protect`. Maar onder beginsel 7 staat dat het niet de bedoeling is dat westerse landen hun economische en militaire machtspositie gebruiken om hun wil op te leggen aan andere landen. … Ondermijnen mag wel, maar rechtstreeks interveniëren niet? Zijn er grenzen aan de ‘responsibility to protect?’ Daar kunnen goede redenen voor zijn, maar zeg dat dan ook.’

Arjan Vliegenthart vindt dat ‘wel in erg positieve bewoordingen’ wordt gesproken over de R2P-doctrine. ‘Somalië, Kosovo en Afghanistan, het zijn voorbeelden van wat de filosoof Hans Achterhuis de politiek van de goede bedoelingen heeft genoemd. Idealisme dat niet door de zeef van de realiteit is gegaan en daarom meer ongewenst kwaad opleverde dan goeds. En ook in Libië is de effectiviteit van het optreden van de NAVO in het kader van de R2P op zijn minst dubieus.’ Bastiaan van Apeldoorn ziet vooral de onvoorwaardelijke steun aan ‘een door de VS geleide hegemoniale oorlog’ en stelt dat de PvdA zich in de resolutie opnieuw committeert ‘aan niet alleen de nog altijd door de Amerikanen en de Amerikaanse machtspolitieke agenda gedomineerde NAVO, maar ook aan de in dit verband uit te voeren “vredesmissies”, en wat eufemistisch heet de “operaties van vredesopbouw”.’

Jan Rood heeft de nuance gezien van het veranderde PvdA-standpunt ten aanzien van het 3D-beleid en het in de resolutie geschetste idee om niet meer deel te nemen aan operaties die vooral op terreurbestrijding en ‘counter-insurgency’ gericht zijn. Hij noemt dat in navolging van Bart Tromp een ‘Derde weg’ tussen het slaafs volgen van de VS en zich vrijwillig laten ‘marginaliseren in een immer groter maar onmachtigere EU’.

Antoine van Lune vindt juist dat het R2P-concept onvoldoende is uitgewerkt en noemt dat een ‘gemiste kans’. In tegenstelling tot veel anderen noemt Van Lune R2P geen westers maar een algemeen aanvaard concept, omdat het daaraan ten grondslag liggende rapport in 2005 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd aanvaard. Daarvan zijn ook de opkomende machten in de wereld lid. Die emerging powers, schrijft Peter Konijn, verschillen onderling sterk, maar zijn het over een paar dingen eens: ‘De BRIC-landen zijn geen economische of ideologische eenheid, maar vinden elkaar wel op een aantal punten voor wat betreft internationale politiek. In de eerste plaats zijn ze gekant tegen de interventionistische internationale politiek van Europa en de Verenigde Staten. Ze zien dat als een manier om de Westerse dominante positie te beschermen. De bereidheid van opkomende machten om internationale politieke interventies te steunen is zeer gering.’

Dat verzet van de opkomende landen komt niet alleen voort uit opportunistische overwegingen – bijvoorbeeld omdat zij grondstoffen halen uit landen die grove mensenrechtenschendingen plegen – maar ook omdat mooie doelen vaak misbruikt zijn door de dominante westerse landen. Het begrip ‘humanitaire interventie’ is bijvoorbeeld onherstelbaar beschadigd doordat onder deze noemer Irak werd binnengevallen. Alleen door aan te tonen dat interventies daadwerkelijk het belang van de bevolkingen van de betreffende landen nastreven, kunnen landen als Brazilië misschien gewonnen worden voor vredesmissies. Nederland heeft als een minder geopolitiek en neutraler opererend land een betere positie om in dergelijke coalities een rol te spelen. Voorwaarde is dan wel dat het zich veel duidelijker distantieert van NAVO-missies die vooral ten doel hebben terrorisme te bestrijden en andere westerse belangen veilig te stellen.

5. Ontwikkelingssamenwerking en mondiale publieke goederen

Een laatste belangrijk onderwerp waarover het laatste woord nog niet gesproken is, betreft Ontwikkelingssamenwerking en een nog te ontwerpen beleid ten aanzien van Global Public Goods, waarvan de eerste algemene schetsen zijn gepresenteerd in de buitenlandresolutie.

Wat betreft OS wordt het pleidooi om het ontwikkelingsbeleid meer te ´mainstreamen´ naar een beleid dat wereldwijd probeert de voorwaarden te creëren voor een economisch systeem dat minder ongelijkheid en armoede oplevert, en door in te zetten op een beter beheer van mondiale publieke goederen dat vooral de armen overal ter wereld ten goede komt, door sommigen niet goed ontvangen. Anne Dankert ziet deze verhoogde ambitie juist als het ontbreken van ´bevlogenheid´, omdat de resolutie niet ingaat op de bekende instrumenten van ontwikkelingsbeleid en meer naar de lange termijn en de grote lijnen kijkt. Ook mist zij het centraal stellen van ´ambities van mensen, alle mensen, elk mens in de wereld´, een aspect dat in de resolutie inderdaad gesneuveld is maar in de achterliggende nota (onder beginsel 9) wel wordt aangestipt.

Max van den Berg kiest voor de traditionele aanpak van ontwikkelingssamenwerking en mist bijvoorbeeld de Millenniumdoelstellingen. Hij vindt dat er te weinig aandacht is voor sociale sectoren in het voorgestelde ontwikkelingsbeleid: ´ De PvdA moet oppassen niet mee te gaan in het sentiment alles op economische ontwikkeling in te zetten. Juist nu is gebleken dat Nederlandse ontwikkelingssamenwerking succesvol is op onderwijsgebied en gezondheidszorg, moeten we daarin blijven investeren.´

Jan Willem Gunning ziet in de resolutie juist een volgens hem slechts ´ideologische´ kritiek op het neoliberale groeimodel dat decennia lang het ontwikkelingsbeleid heeft gedomineerd. ´ De resolutie komt niet verder dan een paar losse opmerkingen: ontwikkelingslanden zouden de eigen industrie moeten kunnen beschermen (dat hebben veel Afrikaanse landen decennia lang gedaan, ondanks al die “eenzijdige nadruk op liberalisering en deregulering van markten”) en een groeibeleid moeten kunnen voeren met meer aandacht voor ongelijkheid (maar wie verhindert dat dan?).´

Jeroen de Lange trekt aan de andere kant het argument voor ´mainstreaming´ nog verder door, door te signaleren dat OS eigenlijk geen aparte paragraaf in de resolutie had moeten zijn: ´Dat is een achterhaalde indeling. Het gaat om inzet voor global public goods én om interventies in een beperkt aantal landen om daar vicieuze cirkels van armoede en geweld te doorbreken. Daarbij moet gebruik worden gemaakt van goede diagnostiek en nieuwe instrumenten die meer werken volgens marktprincipes (dat is iets heel anders dan het bedrijfsleven gesubsidieerd zijn gang laten gaan) zoals output based aid, en performance based financing. Alleen een professionele organisatie met zowel thematische als contextspecifieke kennis is in staat om dit uit te voeren (bijvoorbeeld NL Aid).´ Met dat laatste doelt hij op het door de WRR voorgestelde aparte agentschap van OS-deskundigen die buiten de diplomatieke dienst van Buitenlandse Zaken (en dus de ambassades) zou moeten worden geplaatst, een pleidooi dat door Gunning wordt ondersteund.

De Lange vindt dat de buitenlandresolutie onvoldoende ingaat op het ´hoe´: ´De resolutie maakt goed duidelijk dat een deel van het antwoord op ´Waarom?’ zit in het breidelen van het kapitalisme: de staat is niet geïnternationaliseerd, het losgeslagen kapitalisme wel. Dat behoeft tegenmacht, controle, regulering. Maar de resolutie maakt onvoldoende duidelijk dat de aanpak van wereldwijde problemen - de inzet voor de global public goods - alleen kan door het bouwen van coalities rondom deze problemen.´ De Lange pleit voor ´Global Action Networks, coalities met onverwachte, nieuwe, niet-traditionele én traditionele bondgenoten rondom een wereldwijd probleem. Daarbij gaat het gaat allang niet meer om de stellingname voor of tegen het bedrijfsleven. Het gaat om het transformeren van het bedrijfsleven tot maatschappelijk verantwoorde ondernemingen. No planet, no profits.´

Ook Allert van den Ham vindt dat te weinig aandacht wordt besteed aan de rol van de civil society en het bedrijfsleven. ´Dat internationale samenwerking wordt voorbehouden aan staten (en een beetje aan burgers en hun sociale verbanden) vind ik tamelijk bizar. Waar is het bedrijfsleven als generator van werkgelegenheid, en, uiteindelijk, de basis van een rechtvaardig stelsel van herverdeling (belasting) ter bekostiging van de staatsfuncties? Natuurlijk, de marktsector creëert niet alleen welvaart maar vernietigt ook waarde (evenals veel overheden, overigens). Maar vanuit een probleemoplossende aanpak lijkt het me niet onverstandig een forse plaats aan de ontwikkelingstafel in te ruimen voor lokaal en internationaal bedrijfsleven, als we tenminste de honderden miljoenen mensen willen steunen die voor hun inkomen afhankelijk zijn van de markt.´

Alman Metten is positief over de ´nieuwe benadering´ die in de buitenlandresolutie gekozen is met het opvoeren van ´global public goods´: ´De prominente plaats van mondiale publieke goederen, ook als bindend idee om onze doelstellingen op het gebied van milieu, vrede en veiligheid, internationale rechtsorde en voedselzekerheid in samen te ballen. Terwijl de kopjes boven de paragrafen misschien anders suggereren, komen we de verschillende onderwerpen verspreid over de hele resolutie tegen. Terecht, want bijvoorbeeld ontwikkelingslanden, of de Europese Unie, raken aan al deze onderwerpen. Natuurlijk is nog niet elk onderwerp helemaal uitgewerkt. ´

Een mooie opgave voor het vervolgdebat: hoe kunnen we de globaliseringsagenda en het beheer van de global commons integreren met een vooruitstrevend ontwikkelingsbeleid gericht op de bestrijding van armoede en ongelijkheid wereldwijd?

Le Monde interviewde Francois Hollande over de punten die hij - als hij tot president wordt gekozen - zou willen wijzigen in het nieuwe Europese verdrag (geciteerd door 'Open Europe'):

In an interview in yesterday's Le Monde, Hollande said:

"In what framework would [the ECJ] intervene to verify the respect of budgetary discipline? What is the nature of the sanctions imposed on countries which don't respect [budgetary discipline]? These are all points that will have to be clarified."

Secondly, Hollande pledged to make the fiscal treaty less focused on austerity by introducing specific provisions aimed at boosting growth and employment in the EU. In particular, he mentioned,
"The possibility for the European Investment Bank to increase its lending capacity." and, "The possibility, within the framework of the EU budget, to use part of the structural funds to subsidise investment projects in weak growth countries."

Perhaps most interestingly, when reminded that twelve ratifications are needed in order for the fiscal treaty to enter into force, meaning that the agreement could potentially go ahead without France, he noted,
"This treaty will be signed on 1 March, but I'm not sure that, in May [the second round of the French presidential election is scheduled for 6 May], more than one or two countries will have ratified it. Therefore, we will be able to renegotiate this treaty, signed but not yet ratified."

Hollande also said that he expected to get support from "countries such as Denmark or Italy, which are also seeking clarifications or additions [to the fiscal treaty]." However, he has no intention of putting the fiscal treaty to a referendum (bad memories from the French referendum on the EU Constitution perhaps?).

Dit lijken mij allemaal heel redelijke punten.
Waarom zou de PvdA niet haar steun aan het verdrag vooralsnog niet verlenen, om Hollande de kans te bieden een vooral neoliberaal verdrag in sociaaldemocratische zin bij te buigen?

Merkel's houding dat verkiezingen geen invloed mogen hebben op het verdrag is buitengewoon ondemocratisch!