Naar een nieuw activisme in het buitenlandbeleid?

Debat: Met het gezicht naar de wereld

Op deze plek voeren we de komende periode het debat over de contouren van een nieuw sociaaldemocratisch buitenlandbeleid. Een voorlopige samenvatting van de belangrijkste standpunten medio januari zijn te vinden in het overzichtsartikel.

Bijdragen: 
28

Naar een nieuw activisme in het buitenlandbeleid?

In 2004 bepleitte wijlen Bart Tromp in een Clingendael-publicatie de noodzaak van een heroriëntatie van het Nederlands buitenlands beleid. De twee pijlers waarop het Nederlands buitenlands beleid na de Tweede Wereldoorlog was gebaseerd waren immers, zo schreef hij ‘door betonrot en tektonische verschuivingen’ aangetast (1). De NAVO –het traditionele anker voor het Nederlands veiligheidsbeleid- had met het wegvallen van de Sovjet-dreiging haar bestaansrecht als collectief bondgenootschap verloren. Het Amerikaanse gebruik van de NAVO als instrument in de ‘war on terrorism’ had, zo meende hij, tot diepe verdeeldheid geleid over de rol en missie van het bondgenootschap en betekende feitelijk het politieke failliet van de NAVO. De EU –het anker voor Nederland als handelsnatie- was vastgelopen in het onvermogen de politieke finaliteit van het integratieproces te definiëren. Door verdere uitbreiding dreigde de Unie bovendien geheel vast te lopen, omdat de Europese besluitvorming niet was ingericht op een zo groot ledental.

In antwoord op het eroderen van de klassieke ankers sprak Bart Tromp zich uit voor een Derde Weg’. ‘Een nieuwe zelfstandigheidspolitiek’, waarbij Nederland zich niet langer diende te schikken naar het Atlantisch primaat door slaafs de VS te volgen dan wel zich vrijwillig liet marginaliseren in een immer grotere en onmachtigere EU, maar uitdrukkelijk zou kiezen voor een mondiale route voor zijn buitenlands beleid. Een keuze derhalve voor een actief internationalistisch beleid, waarbij Nederland zelfstandig een bijdrage tracht te leveren aan het verwezenlijken van een stabiele en rechtvaardige internationale orde. Een keuze waarmee daadwerkelijk recht zou worden gedaan aan de grondwettelijk vastgelegde taak van het Nederlands buitenlands beleid om de internationale rechtsorde te bevorderen. Een heroriëntatie bovendien die het vaak genoemde ‘derde anker’ van het Nederlands buitenlands beleid, namelijk een inzet op een effectief mondiaal multilateraal bestel, eindelijk substantie zou geven. Dat derde anker heeft het immers altijd moeten afleggen tegen het Atlantische primaat en de aantrekkingskracht van de Europese markt.

Men mag vermoeden dat Bart Tromp niet ongelukkig zou zijn geweest met het nu voorliggende concept van een sociaaldemocratische internationale politiek. Los van het feit dat de klassieke ankers de afgelopen jaren verder zijn aangetast en er vanuit zijn argumentatie bezien nog minder reden is om op NAVO en EU te vertrouwen, ademt de conceptresolutie een oriëntatie op de wereld. De vraag hoe vanuit een sociaaldemocratische visie een bijdrage kan worden geleverd aan de aanpak van tal van mondiale vraagstukken en bovenal de ongeremde globalisering kan worden beteugeld staat centraal in dit document. In antwoord daarop wordt nadrukkelijk gekozen voor een activistisch buitenlands beleid dat in zijn formulering en doelstellingen bij tijd wijle doet denken aan de bevlogen opstelling van de jaren zeventig. Toen Nederland als gidsland, nu Nederland met een ‘voorhoederol’. Toen Nederland als kampioen van de mensenrechten, nu Nederland als steun en toeverlaat van fragiele staten en ontluikende democratieën.

Daarmee staat de PvdA voor een beleid dat niet wordt gedicteerd door het directe eigen belang, maar door beginselen van solidariteit, humaniteit en rechtvaardigheid. Een beleid bovendien, zo valt te lezen, dat om een eigen Nederlandse inzet vraagt, maar dat ook voorrang geeft aan Europees optreden. Immers, in een wereld van snel verschuivende machtsverhoudingen, maken de Europeanen alleen kans als zij in staat zijn met één stem te spreken. Een opvatting waarmee de PvdA zich schaart achter de eerder door de WRR bepleite versterkte oriëntatie van het Nederlands buitenlands beleid op de Europese Unie ‘als schakel naar het mondiale niveau’.

Het minste dat gezegd kan worden is dat de PvdA met deze standpunten een geluid laat horen dat op wezenlijke punten afwijkt van het buitenlands beleid van het huidige kabinet. Waar het naoorlogse buitenlands beleid van Nederland werd gekenmerkt door een internationalistische en bij tijd en wijle zelfs activistische opstelling, is binnen de huidige regerende coalitie veeleer sprake van grote terughoudendheid als het gaat om het nemen van internationale verantwoordelijkheid. Het beleid wordt vooral gedicteerd door het Nederlands (economisch) eigen belang.

Een fris geluid dus in het huidige tijdsgewricht, maar hoe realistisch is het? Het eerste dat opvalt, is dat een sociaaldemocratische internationale politiek wel erg veel belooft. Er is geen probleem in de wereld of Nederland zal zich op sociaaldemocratische wijze hard maken voor een oplossing. Of het nu gaat om mensenrechten, oceanen en overbevissing, het ontaarde flitskapitaal, klimaatverandering of fragiele staten, Nederland zal in het door de PvdA voorgestane beleid zijn bijdrage leveren. Nu is één van de grote kritiekpunten –ook door de WRR verwoord en op de korrel genomen- op het Nederlands buitenlands beleid dat alles belangrijk wordt gevonden. Met als resultaat dat bij gebrek aan prioriteiten de Nederlandse inspanningen versnipperen en verdampen. Dit is een van de redenen waarom in het huidige OS-beleid uitdrukkelijk voor een viertal prioriteiten is gekozen en het aantal landen waarmee Nederland een OS-relatie onderhoudt, sterk is verminderd. Met de welhaast onbegrensde ambities van haar buitenlandpolitiek dreigt de PvdA weer in de oude fout van ‘te veel en daardoor te weinig’ te vervallen.

Ambities zijn mooi, maar moeten wel gebaseerd zijn op een realistische inschatting van wat Nederland zelfstandig vermag in beweging te brengen. “Een voorhoederol voor Nederland”. “Nederland als middelgroot land”. Het zijn uitspraken in de notitie die het gevoel van eigenwaarde strelen, en die appelleren aan een zelfbeeld dat graag gekoesterd wordt maar dat toch steeds minder met de werkelijkheid van doen heeft. Op eigen kracht kan Nederland steeds minder in een wereld waarin het kleiner wordt. De rest van de wereld zit ook niet op de Nederlandse voorhoede te wachten. De keuze voor Europa ligt dan ook voor de hand, maar men moet wel een rasoptimist zijn om te geloven dat de EU op voorzienbare termijn in staat zal zijn een geloofwaardig buitenlands beleid op te tuigen, dat dan ook nog eens de idealen van de sociaaldemocratie uitdraagt. Toegegeven: het huidige Nederlandse dilemma is moeilijk op te lossen. Kleiner in een grotere wereld kan ons land zelfstandig niet het verschil maken, en tegelijkertijd komt het Europese alternatief niet van de grond. Het valt te prijzen dat de PvdA in antwoord op dit vraagstuk niet bezwijkt voor de verleiding van afzijdigheid en opportunisme. Maar een realistische sociaaldemocratische internationale politiek vraagt wel om een scherpere analyse van de plaats en rol van Nederland in het internationale systeem; al was het maar om een immer sceptischer publiek te overtuigen van het belang van een actief buitenlands beleid.

Jan Rood is verbonden aan het Instituut Clingendael in Den Haag, waar hij hoofd strategisch onderzoek is. Daarnaast is hij voorzitter van het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken (NGIZ) en hoofdredacteur van het maandblad de Internationale Spectator.

In 2004 bepleitte wijlen Bart Tromp in een Clingendael-publicatie de noodzaak van een heroriëntatie van het Nederlands buitenlands beleid. De twee pijlers waarop het Nederlands buitenlands beleid na de Tweede Wereldoorlog was gebaseerd waren immers, zo schreef hij ‘door betonrot en tektonische verschuivingen’ aangetast. De NAVO –het traditionele anker voor het Nederlands veiligheidsbeleid- had met het wegvallen van de Sovjet-dreiging haar bestaansrecht als collectief bondgenootschap verloren. Het Amerikaanse gebruik van de NAVO als instrument in de ‘war on terrorism’ had, zo meende hij, tot diepe verdeeldheid geleid over de rol en missie van het bondgenootschap en betekende feitelijk het politieke failliet van de NAVO. De EU –het anker voor Nederland als handelsnatie- was vastgelopen in het onvermogen de politieke finaliteit van het integratieproces te definiëren. Door verdere uitbreiding dreigde de Unie bovendien geheel vast te lopen, omdat de Europese besluitvorming niet was ingericht op een zo groot ledental.

In antwoord op het eroderen van de klassieke ankers sprak Bart Tromp zich uit voor een Derde Weg’. ‘Een nieuwe zelfstandigheidspolitiek’, waarbij Nederland zich niet langer diende te schikken naar het Atlantisch primaat door slaafs de VS te volgen dan wel zich vrijwillig liet marginaliseren in een immer grotere en onmachtigere EU, maar uitdrukkelijk zou kiezen voor een mondiale route voor zijn buitenlands beleid. Een keuze derhalve voor een actief internationalistisch beleid, waarbij Nederland zelfstandig een bijdrage tracht te leveren aan het verwezenlijken van een stabiele en rechtvaardige internationale orde. Een keuze waarmee daadwerkelijk recht zou worden gedaan aan de grondwettelijk vastgelegde taak van het Nederlands buitenlands beleid om de internationale rechtsorde te bevorderen. Een heroriëntatie bovendien die het vaak genoemde ‘derde anker’ van het Nederlands buitenlands beleid, namelijk een inzet op een effectief mondiaal multilateraal bestel, eindelijk substantie zou geven. Dat derde anker heeft het immers altijd moeten afleggen tegen het Atlantische primaat en de aantrekkingskracht van de Europese markt.

Men mag vermoeden dat Bart Tromp niet ongelukkig zou zijn geweest met het nu voorliggende concept van een sociaaldemocratische internationale politiek. Los van het feit dat de klassieke ankers de afgelopen jaren verder zijn aangetast en er vanuit zijn argumentatie bezien nog minder reden is om op NAVO en EU te vertrouwen, ademt de conceptresolutie een oriëntatie op de wereld. De vraag hoe vanuit een sociaaldemocratische visie een bijdrage kan worden geleverd aan de aanpak van tal van mondiale vraagstukken en bovenal de ongeremde globalisering kan worden beteugeld staat centraal in dit document. In antwoord daarop wordt nadrukkelijk gekozen voor een activistisch buitenlands beleid dat in zijn formulering en doelstellingen bij tijd wijle doet denken aan de bevlogen opstelling van de jaren zeventig. Toen Nederland als gidsland, nu Nederland met een ‘voorhoederol’. Toen Nederland als kampioen van de mensenrechten, nu Nederland als steun en toeverlaat van fragiele staten en ontluikende democratieën.

Daarmee staat de PvdA voor een beleid dat niet wordt gedicteerd door het directe eigen belang, maar door beginselen van solidariteit, humaniteit en rechtvaardigheid. Een beleid bovendien, zo valt te lezen, dat om een eigen Nederlandse inzet vraagt, maar dat ook voorrang geeft aan Europees optreden. Immers, in een wereld van snel verschuivende machtsverhoudingen, maken de Europeanen alleen kans als zij in staat zijn met één stem te spreken. Een opvatting waarmee de PvdA zich schaart achter de eerder door de WRR bepleite versterkte oriëntatie van het Nederlands buitenlands beleid op de Europese Unie ‘als schakel naar het mondiale niveau’ (2).

Het minste dat gezegd kan worden is dat de PvdA met deze standpunten een geluid laat horen dat op wezenlijke punten afwijkt van het buitenlands beleid van het huidige kabinet. Waar het naoorlogse buitenlands beleid van Nederland werd gekenmerkt door een internationalistische en bij tijd en wijle zelfs activistische opstelling, is binnen de huidige regerende coalitie veeleer sprake van grote terughoudendheid als het gaat om het nemen van internationale verantwoordelijkheid. Het beleid wordt vooral gedicteerd door het Nederlands (economisch) eigen belang.

Een fris geluid dus in het huidige tijdsgewricht, maar hoe realistisch is het? Het eerste dat opvalt, is dat een sociaaldemocratische internationale politiek wel erg veel belooft. Er is geen probleem in de wereld of Nederland zal zich op sociaaldemocratische wijze hard maken voor een oplossing. Of het nu gaat om mensenrechten, oceanen en overbevissing, het ontaarde flitskapitaal, klimaatverandering of fragiele staten, Nederland zal in het door de PvdA voorgestane beleid zijn bijdrage leveren. Nu is één van de grote kritiekpunten –ook door de WRR verwoord en op de korrel genomen- op het Nederlands buitenlands beleid dat alles belangrijk wordt gevonden. Met als resultaat dat bij gebrek aan prioriteiten de Nederlandse inspanningen versnipperen en verdampen. Dit is een van de redenen waarom in het huidige OS-beleid uitdrukkelijk voor een viertal prioriteiten is gekozen en het aantal landen waarmee Nederland een OS-relatie onderhoudt, sterk is verminderd. Met de welhaast onbegrensde ambities van haar buitenlandpolitiek dreigt de PvdA weer in de oude fout van ‘te veel en daardoor te weinig’ te vervallen.

Ambities zijn mooi, maar moeten wel gebaseerd zijn op een realistische inschatting van wat Nederland zelfstandig vermag in beweging te brengen. “Een voorhoederol voor Nederland”. “Nederland als middelgroot land”. Het zijn uitspraken in de notitie die het gevoel van eigenwaarde strelen, en die appelleren aan een zelfbeeld dat graag gekoesterd wordt maar dat toch steeds minder met de werkelijkheid van doen heeft. Op eigen kracht kan Nederland steeds minder in een wereld waarin het kleiner wordt. De rest van de wereld zit ook niet op de Nederlandse voorhoede te wachten. De keuze voor Europa ligt dan ook voor de hand, maar men moet wel een rasoptimist zijn om te geloven dat de EU op voorzienbare termijn in staat zal zijn een geloofwaardig buitenlands beleid op te tuigen, dat dan ook nog eens de idealen van de sociaaldemocratie uitdraagt. Toegegeven: het huidige Nederlandse dilemma is moeilijk op te lossen. Kleiner in een grotere wereld kan ons land zelfstandig niet het verschil maken, en tegelijkertijd komt het Europese alternatief niet van de grond. Het valt te prijzen dat de PvdA in antwoord op dit vraagstuk niet bezwijkt voor de verleiding van afzijdigheid en opportunisme. Maar een realistische sociaaldemocratische internationale politiek vraagt wel om een scherpere analyse van de plaats en rol van Nederland in het internationale systeem; al was het maar om een immer sceptischer publiek te overtuigen van het belang van een actief buitenlands beleid.

Referenties
(1) B.A.G.M. Tromp, ‘Een nieuwe zelfstandigheidspolitiek’. In: A. van Staden e.a., De herontdekking van de wereld. Den Haag: Instituut Clingendael, 2004, p.62.
(2) WRR, Aan het buitenland gehecht; over verankering en strategie van Nederlands buitenlandbeleid. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2010.