Debat: Met het gezicht naar de wereld
Op deze plek voeren we de komende periode het debat over de contouren van een nieuw sociaaldemocratisch buitenlandbeleid. Een voorlopige samenvatting van de belangrijkste standpunten medio januari zijn te vinden in het overzichtsartikel.
Kiezen voor financiële duurzaamheid
Economische debatten in Nederland kennen een duidelijke rolverdeling: politiek links oogt barmhartig en sociaal, politiek rechts oogt competent. Politiek links legt mooie ambities op tafel, politiek rechts legt uit waarom die niet haalbaar zijn. Deze rolverdeling lijken partijen geïnternaliseerd te hebben: de PvdA valt het kabinet aan omdat zij de regeringspolitiek niet rechtvaardig vindt. Maar dat de onderliggende economische logica simpelweg niet deugt, stelt zij niet. Het kernargument voor een andere economische politiek die voor alle burgers telt – het huidig beleid is gedoemd om op de lange termijn te falen – laat men liggen, om vervolgens alleen te focussen op argumenten die de eigen achterban aanspreken. Een gemiste kans.
Politiek links benadrukt traditioneel de vraagzijde van de economie: als het gros van de bevolking onvoldoende geld heeft om door middel van consumptie de productie aan te moedigen, komen werkgelegenheid en ook de winstgevendheid van bedrijven in het geding. Een Keynesiaans economisch programma komt de minderbedeelden goed uit; zij mogen en moeten, als ontvangers van overheidstransfers, immers economische groei aanzwengelen. Keynes’ kernargument draait echter niet om rechtvaardigheid. Hij beseft dat op den duur overheidsinterventie vereist is om de economie te stabiliseren. Daar heeft iedereen baat bij. Fiscaal en vooral monetair beleid moeten ervoor zorgen dat economische groei duurzaam is – niet in de ecologische zin, maar duurzaam in de zin dat economische meevallers op de korte termijn niet teniet worden gedaan door de tegenspoed die daar noodzakelijk op volgt.
Het economische beleid dat in de OESO-landen in de afgelopen decennia is gevoerd, word vaak als ‘neoliberaal’ bestempeld – dat is een vage term. Reagan bijvoorbeeld liet de overheidsschulden juist enorm oplopen. De kern van het groeimodel van de afgelopen decennia was dan ook niet zozeer de liberalisering van de economie, zoals bijvoorbeeld in de vorm van privatisering. De kern waren schulden. Schulden van overheden, schulden van huishoudens, schulden van bedrijven, schulden van banken. En deze schulden, zo blijkt nu, waren niet duurzaam. Economische auguren vrezen voor Europa het ergste.
Het voor de hand liggende politiek antwoord – vandaag de dag en vogue vooral in Berlijn, maar ook in Den Haag – is de afbouw van de overheidsschulden. De intuïtie is correct: als een overheid steeds meer schulden moet maken om zijn economie boven water te houden (dus niet duurzaam bezig is), klopt er iets niet en moet het roer omgegooid worden. So far, so good. Maar de zorgbepleiters van soberheid vergeten dat die groeiende schulden cruciaal waren om economische vraag op peil te houden. Overheden moeten minder schulden maken? Prima. Maar hoe moet consumptie, en daarmee economische groei, dan gefinancierd worden?
Begin jaren tachtig, nadat overheden door inflatie en groeiende werkeloosheid de grip op hun economieën verloren hadden, klonk uit Londen en Washington een duidelijk antwoord op die vraag: de financiële sector moet ontketend worden. Die kan lenen, aan bedrijven, maar vooral aan huishoudens. Er werd dus omgeschakeld naar een geprivatiseerd Keynesianisme. Voortaan waren het niet overheidsschulden of simpele herverdeling via belasting die consumptie op peil moesten houden, maar schulden van huidshoudens.
Die schulden werden opgehoopt door mensen die er waarschijnlijk weinig verstand van hadden en in ieder geval geen alternatief zagen. Of het fair was hun aan schulden te helpen – een klassiek linkse vraag – doet er even niet toe. Want één ding was het zeker niet: duurzaam. Groeiende particuliere schulden zijn, net zo als groeiende overheidsschulden, een business model voor een economie, dat vroeger of later bezwijkt.
Kwesties van financiële duurzaamheid spelen ook op internationaal niveau, en de vraag is altijd dezelfde: kunnen wij op de huidige manier blijven doorgaan als de (nationale, Europese of mondiale) economie? Of graaft de inrichting van onze economie haar eigen graf?
Neem de eurozone: een economische orde waarin de zuidelijke landen het onmogelijk met de power houses uit Noord-Europa kunnen opnemen, maar geen enkel instrument hebben om die ongelijkheid te kanaliseren. Ze kunnen hun munt niet afwaarderen, en ze kunnen de import niet tegenhouden. Sterker nog: het economische succes van export-georiënteerde landen zoals Duitsland en Nederland is gebaseerd op noodzakelijke tekorten, en dus op ophoping van schulden elders. Dat kan niet eindeloos doorgaan, of, anders gezegd, het is geen duurzaam model voor Europa. Het antwoord uit Berlijn – elke economie moet zo worden als de Duitse – is bizar. Het Duitse succes is immers gestoeld op het feit dat andere landen anders zijn, en vooral minder competitief, dan Duitsland zelf.
Dat het met de eurozone zo ver heeft kunnen komen, is onder meer te danken aan een financiële sector die zonder veel argwaan enorme sommen leende aan overheden van economisch zwakke landen en even zwakke huishoudens. De vooronderstelling was altijd dat, indien het echt zou misgaan, iemand anders de rekening wel zou betalen.
Het probleem van een financiële sector die leeft van exorbitante bonussen, ondoorzichtige producten, vage boekhoudingregels en ongrijpbare risico’s, is dan ook niet zo zeer dat hij bankiers verrijkt en dat belastingbetalers na de bail out de broekriem aan moeten halen. Het probleem is dat een dergelijke financiële sector de economie op een niet-duurzaam pad brengt.
Banken verdienen geld met kredietschepping – het creëren van schulden in de economie. Een ontketende bankensector zal dus, linksom of rechtsom, het schuldenpeil laten stijgen. In haar verdere ontwikkeling went de economie als het ware aan die particuliere kredietbronnen, totdat zij niet meer zonder kan. De Nederlandse huizenmarkt van de afgelopen twee decennia is een goed voorbeeld van zo’n collectieve kredietverslaving. Zolang de kredietroes aanhoudt, is hij best aangenaam. Maar duurzaam is hij zeker niet.
Wie het over duurzaamheid heeft, stelt een simpele vraag: kunnen wij zo blijven doorgaan? Of bewandelen wij een pad dat noodzakelijk tot een crisis leidt? De vraag naar lange-termijn oplossingen voor de huidige problemen moet in politieke debatten centraal staan – of die nou gaan over de Nederlandse overheidsbegroting, de eurozone of de mondiale bankenregulering.
En hier laat politiek links kansen liggen. Want liberale en conservatieve partijen zien vaak de problemen van de hedendaagse economische ordes, maar zij hebben geen overtuigende alternatieven. Overheidsschulden zijn uit den boze, en ook particuliere schulden worden herkend als potentieel probleem.
Maar, als schuldenpeilen echt zinken, waar komt de economische vraag dan vandaan? Vergeet niet: begrotingstekorten en huishoudens met torenhoge hypotheken waren het alternatief voor echte herverdeling. Geld dus dat niet alleen geleend werd van veelverdieners naar minderbedeelden, direct of via de overheid, maar belastingcenten die daadwerkelijk werden overgemaakt. Een vermindering van schuldenpeilen is een goed plan, maar wat moet de economie dan stabiel houden, als het niet groei-stimulerende herverdeling is? Simpel gezegd: politiek rechts volgt zijn oude reflexen in het aanpakken van de crisis – de broekriem aanhalen – maar welke economische orde wij nu moeten neerzetten om duurzaam te kunnen groeien, dat weet men niet.
Financiële duurzaamheid als kern van een politiek programma betekent de volgende vragen centraal stellen als maatstaf voor beleidsvoorstellen: is een voorgesteld economisch groeimodel op den duur levensvatbaar zonder dat ergens – door overheden, door huishoudens, of door bedrijven – stelselmatig schulden opgehoopt moeten worden? Schuldenmindering in Europa zonder een alternatieve bron van vraag is bijvoorbeeld geen lange-termijn antwoord op de tegenwoordige problemen.
Als het om hervormingen in de financiële wereld gaat is de centrale vraag: dragen die hervormingen bij aan een financiële sector die duurzame economische ontwikkeling niet ondermijnd door dan weer te veel krediet te verstrekken, en dan weer te weinig? Het probleem van bankbonussen is dus niet dat zij bankiers rijk maken, maar dat zij hun verleiden de maatschappij met overbodige schulden op te zadelen en zo haar economische duurzaamheid ondermijnen.
Of neem kapitaaleisen voor banken: het is zinvol om banken een dikkere buffer tegen verliezen te geven. Maar dat banken dan met minder uitstaande kredieten moeten kunnen rondkomen is maar de helft van het verhaal. Want de rest van de economie moet ook zonder die leningen boven water kunnen blijven.
De financiële sector is dus geen economisch eiland, maar vervult een specifieke rol in het economisch groeimodel van een land, een regio, en zelfs de hele wereld. Het is naïef die sector te willen herschikken zonder de consequenties in de rest van de economie tot het einde door te denken, en ook daar de nodige aanpassingen door te voeren. Maar precies dat is wat politiek rechts dezer dagen bepleit, en in veel landen ook in de praktijk brengt. Niet slim, niet visionair, en zeker niet economisch duurzaam.
Veel standpunten die politiek links op economisch vlak dezer dagen inneemt – dwars door Europa – worden nogal timide naar voren gebracht. De echte vakkennis, zo lijkt het gevoel, is eerder bij de conservatieven en liberalen te zoeken. Die laatsten spreken harde waarheden uit over nodige hervormingen; vakbonden en sociaaldemocraten, vooral in Zuid-Europa, duiken vooral op televisieschermen op als de querulanten en pleitbezorgers van een niet-duurzame status quo. En dat terwijl het juist de liberalen en conservatieven zijn, die geen overtuigend antwoord op de now-what?-vraag hebben.
Kortom, politiek links moet weg van het imago van belangenbehartiger van een specifieke maatschappelijke groep. Het moet duidelijk durven zeggen dat de oude economische ideeën faliekant mislukt zijn en dat er betere alternatieven zijn. Niet alleen voor zijn achterban, maar voor Nederland en Europa in z’n geheel. Het moet meer opperen dan kanttekeningen bij het huidige beleid. Het moet zelfbewust een eigen visie neerzetten, een visie die financiële hervormingen beoordeelt op hun bijdrage aan een duurzame economische orde, die burgers kan dienen zonder de excessieve ophoping van schulden. Hervormingen die aan dat doel niet bijdragen, zijn die naam niet waard.
- login of registreer om te reageren
Lees alle reacties van deze auteur

Etzioni biedt naar mijn gevoelen een alternatief op het neo-liberalisme.
Het begrip solidariteit komt dan terug. Prof dr Van Ceter universiteit Tilburg heeft daarover een goed verhaal.Wat mij aangaat mag de overheid intiatieven in de samenleving faciliteren.
Ideeen van Pieter Hilhorst spreken mij ook aan: meer groepen in de samenleving die zichzelf in stand kunnen houden (broodgroepen/ouderwetse term gilden?).
Duurzaamheid door hypotheekrente -aftrek te beperken en verplichte aflossingen.
Zonne-energie intensiveren( zie Duitsland)
Windenergie maximaal benutten
Waterstof -ontwikkeling en toepassingen.
Evenwichte veranderingen in de samenleving; niet schoksgewijze zoals nu met omvangrijke bezuinigingen bij het rijk. Deregulering.
Mensen verantwoordelijkheid terugbrengen en niet schuilen achter protocollen etc.
Leefbaarheid mensen verbeteren door huisvesting , recreatiemogelijkheden, verdeling bevolking over geheel nederland. Daarbij mobiliteit verhogen door zweef - en magneet treinen naar Noorden, Oosten en Zuiden.
Banken spitsen in nutsbedrijven en commerciele instellingen. Ontwikkelingshulp noord/zuid.
Het nieuwe werken propageren.
Onderwijs optimaliseren en kleinschaliger maken. Ontplooiingskansen voor iedereen.
Kinderopvang maximaal regelen.
ICT heeft veel voordelen maar kent ook nadelen:
onrust omdat de wereld direct zichtbaar is
(bijvoorbeeld effectenbeurzen )
De financiële malaise is ontstaan door geld uit te geven dat de uitgever niet had. Onze economie is zo ingewikkeld dat velen discuteren over de belastingen en de uitgaven zonder de economische verbanden te zien. Zonder weer een ellenlang verhaal af te steken, probeer ik het kort te houden. Een bakker die meel inkoopt en daar brood mee bakt kan dat brood niet verkopen als hij het laat aanbranden, ook als hij het brood dan in een zak stopt om het ongezien te verkopen, tenzij hij een bank vindt die gelokt is door de bakker met de toezegging dat hij er veel winst op zal maken, zijn premie al ziet stijgen en de zak koopt. Vervolgens strijkt de bank zijn aandeel in de winst op en als de zak opengemaakt wordt, moet de bakker via de belasting de bank redden. Wat leren we daaruit? Als de bank zijn werk goed had gedaan en in de zak had gekeken was het niet mis gelopen. En wie eist nu de winst van de bank terug? Niemand omdat de bank zegt onschuldig te zijn. De bank sluiten? Onmogelijk omdat de bakker zijn meel moet betalen en zijn spaarcentjes er staan. Maar als de bakker naar een andere bank kan gaan, dan..