Een sociaal en democratisch Europa

Debat: Met het gezicht naar de wereld

Op deze plek voeren we de komende periode het debat over de contouren van een nieuw sociaaldemocratisch buitenlandbeleid. Een voorlopige samenvatting van de belangrijkste standpunten medio januari zijn te vinden in het overzichtsartikel.

Bijdragen: 
28

Een sociaal en democratisch Europa

De verhouding van de sociaaldemocratie tot Europese integratie is zeker niet zonder spanningen. Natuurlijk biedt Europese samenwerking de mogelijkheid om de sociaaldemocratische idealen uit te dragen buiten de landsgrenzen. Tegelijkertijd is er echter het risico dat Europese integratie – en internationalisering in het algemeen – belangrijke sociaaldemocratische verworvenheden ondergraaft binnen het domein waar ze het meest vergaand zijn gerealiseerd: de natiestaat. Dat laatste betekent zeker niet dat sociaaldemocraten een nationalistische koers moeten varen. Maar het betekent wel dat internationale samenwerking steeds getoetst moet worden aan haar effecten op bestaande, veelal nationale, sociaaldemocratische arrangementen.

Mijn centrale stelling is als volgt: De PvdA moet inzetten op vormen van Europese samenwerking en integratie die het sociale en democratische gehalte van nationale arrangementen versterken, en dus niet uithollen.

Essentieel aan deze stelling is dat ze nadrukkelijk afstand neemt van de tegenstelling zoals die veelal wordt gecreëerd tussen het Europese en nationale beleidsniveau; de valse suggestie dat meer macht voor de Europese Unie automatisch minder macht voor Nederland betekent. Tegelijkertijd neemt de stelling afstand van een onvoorwaardelijk geloof in de waarde van Europese integratie en van het vertrouwen dat Nederland, en de sociaaldemocratie, automatisch gediend zijn met een steeds sterker Europa, in alle denkbare opzichten en op alle relevante beleidsterreinen. Uiteindelijk ligt aan deze stelling de diepere aanname ten grondslag dat effectieve en legitieme Europese samenwerking uiteindelijk slechts mogelijk is op basis van sterke, democratische en sociale, natiestaten.

Als ik vanuit dit perspectief kijk naar de PvdA conceptresolutie Sociaaldemocratische Internationale Politiek dan zie ik een aantal lovenswaardige voorstellen, een aantal opmerkelijke hiaten en een aantal betwistbare stellingnames.

Lovenswaardig zijn de voorstellen over financiële regulering waarin het heffen van belasting primair een nationale bevoegdheid blijft, maar geflankeerd wordt door krachtige Europese regulering van de financiële sector en belastingen op activiteiten die nu eenmaal moeilijk aan grenzen zijn te binden: milieuvervuiling en financiële transacties.

Eenzelfde strategie – waarin Europese samenwerking aanvullend en ondersteunend is op nationaal beleid – herken ik in de voorstellen voor ontwikkelingsbeleid en migratie- en asielbeleid. Ook meen ik een vergelijkbare benadering te herkennen in de voorstellen voor extern Europees beleid. Op dat punt betwijfel ik echter wel of het raadzaam is meerderheidsbesluitvorming in te voeren op mondiale onderwerpen waarop de verdeeldheid tussen Europese landen vaak onmogelijk is toe te dekken, en of het niet te vroeg is al te veel vertrouwen te stellen in de Europese Dienst Buitenlandse Zaken die in essentiële opzichten veel meer onder de Raad van Ministers dan onder de Europese Commissie ressorteert.

Opvallende hiaten kent de conceptresolutie wat mij betreft als het gaat om de sociale dimensie van Europese samenwerking. Zo klinkt de oproep voor een Europees Sociaal Pact aantrekkelijk, maar blijft de invulling daarvan erg cursorisch en defensief. Europese sociale minimumnormen zijn zeker gewenst ter ondersteuning van nationaal sociaal beleid, maar daarnaast vereist een sociale politiek ook een meer assertieve inperking van de Europese marktregels ten aanzien van publieke sectoren zoals de gezondheidszorg en de volkshuisvesting.

Als we vervolgens kijken naar het vormgeven van enige vorm van grensoverschrijdende Europese solidariteit in deze barre tijden, dan is een Europees investeringsprogramma een nuttige voorzet. Daarnaast zou je echter ook kunnen denken aan een actief beleid ten aanzien van intra-Europese arbeidsmobiliteit. Ook zou ik de cryptische formulering dat “de vraagkant van de economie meer aandacht verdient” zo willen expliciteren dat Europese solidariteit niet alleen vereist dat sommige regeringen tot bezuinigingen kunnen worden verplicht maar ook dat andere gemaand kunnen worden tot het aandrijven, of ten minste op peil houden, van de consumptieve en publieke uitgaven.

Helemaal afwezig in de conceptresolutie is enige reflectie op de gebrekkige democratische basis waarop Europese besluitvorming steunt. Politiek gezien is dit misschien niet het meest opportune moment, maar juist in deze tijd moeten (sociaal-)democraten benadrukken dat Europese maatregelen conform de bestaande Europese kaders, inclusief de parlementaire en juridische controle die deze bieden, worden gemaakt in plaats van dat daar buitenom wordt gewerkt, zoals het geval is met de ‘European Financial Stability Facility’.

Meer in het algemeen ben ik van mening dat de PvdA voorstellen voor een verdieping van de Europese democratie op de politieke agenda moet houden. Dat geldt bijvoorbeeld voor het ondersteunen van voorstellen voor pan-Europese kieslijsten in de verkiezingen voor het Europees Parlement, maar ook voor het streven om toekomstige verdragsherzieningen zo veel mogelijk in de openbaarheid en met raadpleging van het electoraat te laten plaatsvinden.

Mijn belangrijkste twistpunt betreft (toch) de Euro. Je kunt betwijfelen of het momenteel mogelijk is dit onderwerp te bekijken vanuit het (middel-)lange termijn perspectief dat de resolutie nastreeft. In elk geval vind ik het argument dat de Euro “een noodzakelijk complement” is van de interne markt niet overtuigend. Zeker vanuit sociaaldemocratisch perspectief lijkt mij de vaststelling onontkoombaar dat monetaire integratie, achteraf gezien, onnodig en ongewenst was. Het heeft nationale overheden een omvangrijk instrumentarium aan sociaaleconomische zelfsturing ontnomen die de huidige omstandigheden aanmerkelijk beheersbaarder hadden gemaakt. In plaats daarvan stelt monetaire integratie de Eurolanden nu voor kostbare en zo goed als onmogelijke dilemma’s. Het enige valide argument vóór de uitdrukkelijke keuze voor de handhaving van de Euro lijkt me dat deze strategie politiek nog het meest beheersbaar lijkt, terwijl de alternatieven omgeven zijn met grote en ingrijpende risico’s. Naar mijn mening moet de sociaaldemocratie echter ook bereid zijn de mogelijkheid en wenselijkheid van herziening van de structuur van monetaire samenwerking onder ogen te zien.

Tot mijn schrik leidt de loyaliteit aan de Euro tot het ondersteunen van het kabinetspleidooi voor het overhevelen van vergaande politiek-economische bevoegdheden aan de Europese Commissie, een instantie met een zeer zwak democratisch mandaat (sommige Duitse voorstellen geven typerend genoeg de voorkeur aan het Europees Gerechtshof). Dergelijke voorstellen laten weinig perspectief voor sociaal beleid dat zeker niet op Europees niveau geïnitieerd zal worden. Fundamenteler nog is dat dergelijke voorstellen het inherent politiek(-ideologisch)e karakter van macro-economisch beleid miskennen evenals de noodzaak om daar op democratische wijze richting aan te geven. Op dit punt lijkt er geen andere keuze te zijn dan ofwel te kiezen voor een daadwerkelijk democratische gemandateerde Europese regering van de Eurozone, ofwel voor het zo gecontroleerd mogelijk terughevelen van financieel-economische bevoegdheden naar de democratische epicentra van de natiestaat. Dat laatste alternatief impliceert echter dat monetaire integratie fundamenteel op de helling moet worden gezet.

Beste Ben,

Heel goed zoals je zaken op een rijtje zet. Toch lijkt me heel veel te schorten aan je conclusies en de daaraan ten grondslag liggende argumentatie.
Ik doe dat met een aantal stellingen.

1. Het EU parlement zou de stem van het volk moeten zijn. Dat kan alleen maar met grensoverschrijdende politieke partijen die de verkiezingen van 2014 tot een keuze maken voor alternatieve scenario's voor Europa.

2. De democratie bestaat uit het vormgeven van richtlijnen (wetten) en instituties, die een eigen verantwoordelijkheid kennen en niet voor elke stap politiek afgerekend of beoordeeld worden (politiek op afstand van instituties). De inrichting van onze Europese samenlevingen is niet gebaat met een partijpolitieke waan van de dag.

Op die wijze bereiken we een ideaal van de internationale burger die zich beschermd weet in zijn eigen omgeving en tegelijk open staat voor het vreemde van zijn nabije en verre omgeving.

Dat wijkt nogal wat af van jouw conclusies: de randvoorwaarden van begrotingsbeleid (schuldpolitiek) zijn geen zaken van partijpolitiek gekissebis (en zijn dat in Nederland ook nooit geweest, dankzij de verantwoordelijkheid die partijen steeds gedragen hebben). Maar op Europees niveau is er wel degelijk aanleiding om de randvoorwaarden van de begroting weg te halen uit de partijpolitiek, net zoals we gedaan hebben met het banken toezicht, het monetaire toezicht en bijv. het mededingingstoezicht.

Dus: lang leve de Europese budgetcommissaris met veel bevoegdheden als een democratisch resultaat.

En de andere: wanneer gaat de PvdA zich inzetten voor een Europeanisering/Denationalisering van het Europese Parlement?

Nogmaals: goed dat je de knuppel in het hoenderhok gooit (ook al komt die nu als een boemerang terug)>

Maastricht, 6 December, Jo Ritzen

Beste Jo (als ik zo vrij mag zijn),

Dank voor je reactie. Op het punt van de verdere versterking en politisering van het Europese Parlement kan ik je opmerkingen alleen maar ondersteunen. We zijn het echter duidelijk oneens over de aard van begrotingsbeleid. Natuurlijk vergt begrotingsbeleid een zekere verantwoordelijkheid. Maar naar mijn mening is er toch een fundamenteel verschil in het karakter van begrotingsbeleid en, bijvoorbeeld, mededingingstoezicht. Begrotingsbeleid heeft alles te maken met fundamentele politieke keuzes.

De huidige situatie illustreert dat. Terwijl het rechtse kabinet kiest voor een restrictief begrotingsbeleid dat alle kans heeft de recessie te vergroten, zou een links kabinet in redelijkheid kunnen kiezen voor een meer anticyclisch beleid waarbij gerichte overheidsinvesteringen de economie aanjagen. Feit is dat zelfs de begroting van het huidige kabinet, met een tekort van boven de 4%, niet voldoet aan de Europese normen. Naar alle waarschijnlijkheid zou een anticyclisch beleid op de korte termijn zelfs een nog wat hoger tekort met zich meebrengen. De door jou gewenste Europese budgetcommissaris met veel bevoegdheden beperkt dus niet alleen de nationale beleidsvrijheid, maar dreigt dit ook nog te doen met een ideologische bias die ten koste gaat van een meer anticyclische begrotingsbeleid.

Daarbij vind ik het opvallend dat je partijpolitiek wegzet met termen als “gekissebis” en de “waan van de dag”, terwijl je tegelijkertijd wijst op de verantwoordelijkheid die partijen in Nederland altijd genomen hebben. Inderdaad denk ik dat verantwoordelijke partijen cruciaal zijn. En dat kan je alleen garanderen door ze verantwoordelijkheden te geven. Het laatste wat je dan moet doen is om fundamentele politieke keuzes te laten bepalen op basis van zogenaamd geobjectiveerde principes en automatische sancties.

Belangrijk is ook dat het in de huidige omstandigheden niet meer gaat over de relatief coulante randvoorwaarden van het oude Stabiliteits- en Groeipact. Inmiddels worden de Europese begrotingseisen gebruikt om lidstaten te dwingen hun BTW te verhogen, hun pensioenen te herstructureren en de algemeen verbindende werking van sectorafspraken op te heffen. Dat geldt nu voor Griekenland, Portugal en Italië, maar onder de huidige omstandigheden komt zelfs Nederland in de Europese vuurlinie. Het lijkt me dat sociaaldemocraten moeten oppassen voordat ze dergelijke ontwikkelingen toejuichen als “een democratisch resultaat”.

Dit dan bij wijze van “boemerang”
Vriendelijke groet,

Ben