Drie kanttekeningen

Debat: Met het gezicht naar de wereld

Op deze plek voeren we de komende periode het debat over de contouren van een nieuw sociaaldemocratisch buitenlandbeleid. Een voorlopige samenvatting van de belangrijkste standpunten medio januari zijn te vinden in het overzichtsartikel.

Bijdragen: 
28

Drie kanttekeningen

De resolutie is gelukkig geen opsomming van bekende standpunten, maar presenteert een nieuwe benadering die wat meer samenhang brengt. Zo ben ik blij met:

• De positieve toon van het stuk. Er is veel mis in de wereld, nadruk ligt hier op wat we eraan willen doen.
• Het feit dat de resolutie een eigen ‘frame’, onze eigen visie op de wereld neerzet. Het stuk is niet defensief door zich te verdedigen tegen ‘frames’ van andere partijen (buitenlandbeleid als eigenbelang komt er nauwelijks in voor)
• Het feit dat de Europese Unie vooral wordt benaderd als middel om onze buitenlandse doelstellingen te realiseren
• De prominente plaats van mondiale publieke goederen, ook als bindend idee om onze doelstellingen op het gebied van milieu, vrede en veiligheid, internationale rechtsorde en voedselzekerheid in samen te ballen.

Terwijl de kopjes boven de paragrafen misschien anders suggereren, komen we de verschillende onderwerpen verspreid over de hele resolutie tegen. Terecht, want bijvoorbeeld ontwikkelingslanden, of de Europese Unie, raken aan al deze onderwerpen.
Natuurlijk is nog niet elk onderwerp helemaal uitgewerkt. Ik licht er drie uit die verbetering behoeven:

• De relatie tussen de ‘aanscherping van het Stabiliteits- en Groeipact’ aan de ene kant, en het ‘verzet tegen eenzijdig op de aanbodzijde gerichte invulling van het economisch toezicht’ aan de andere kant, met de conclusie dat ‘de vraagkant van de economie meer aandacht verdient’ (p.192).

Probleem is hier dat het oorspronkelijke Stabiliteitspact al eenzijdig op bezuinigingen was gericht. De achterliggende theorie is dat als we allemaal gezonde overheidsfinanciën hebben, de groei vanzelf wel komt. De aanscherpingen zijn erop gericht de bezuinigingen effectiever af te dwingen. Helaas, als alle 17 lidstaten van de intensief met elkaar handeldrijvende eurozone tegelijk flink gaan bezuinigen, en dus de vraag van de overheden flink terugvalt, waar moet de vraag naar de producten van ons bedrijfsleven dan vandaan komen? Van de werknemers in de eurozone waar de reële inkomens van dalen? Van de uitkeringsgerechtigden die fors gekort worden? Van de export naar andere zwaar bezuinigende landen? Het lijkt erop dat deze theorie zo rot is als een mispel, we zien de economie in de hele eurozone dan ook al stagneren, en erger staat voor de boeg.
Maar hoe moeten we dan verder? Als we naar de twee grote landen kijken die er qua overheidsfinanciën veel slechter voor staan dan de eurozone, en die niet hun prioriteit bij bezuinigen leggen maar eerst en vooral de economie op gang proberen te houden, Japan en de VS, dan zien we dat het daar toch minder slecht gaat. Zou het dan misschien zo kunnen zijn dat groei cruciaal is voor het terugdringen van overheidstekorten, en dat in ieder geval de financiële markten dat ook zo zien? Dus precies de omgekeerde route die de Eurozone, onder onophoudelijk aandringen van vooral Duitsland en Nederland, kiest?
Een eigen idee hoe de groei weer kan worden aangezwengeld, rekening houdend met de innige economische verbondenheid van de eurolidstaten, hebben we als sociaaldemocraten dus nodig. Het afkappen van de mogelijkheden voor overheden om in tijden van crisis de economie te stimuleren en daarbij schulden te maken behoort daar in ieder geval niet toe. Ook zullen we iets moeten zeggen over de cruciale rol van de Europese Centrale Bank, die als enige centrale bank van grote economieën vooralsnog weigert als ‘lender of last resort’ (uiterste redder) op te treden.

(Vergelijk svp: VS, Japan, VK: hogere overheidsschulden en tekorten, worden – behoudens in VK – nog niet aangepakt, in tegenstelling tot in de eurozone; toch dreigt de eurozone te bezwijken omdat de financiële markten steeds minder bereid zijn de overheden te financieren, terwijl ze met de VS, Japan en het VK geen moeite hebben. Zou dat niet kunnen komen doordat de VS, Japan en het VK een centrale bank hebben die als lender of last resort optreedt – en moeiteloos in deze crisissituatie tekorten monetair financiert – en de ECB dat voor de eurozone weigert?)

• Het Europees Sociaal Pact klinkt aardig, maar minimumnormen op dit vlak botsen natuurlijk wel met de normen van het Stabiliteits- en Groei Pact (waarin het woord groei dus helaas volstrekt geen betekenis heeft). Realistischer, maar minder vanzelfsprekend voor onze achterban, zou een Europees Fiscaal Pact zijn. De concurrentie tussen lidstaten vindt immers helemaal niet rechtstreeks plaats op het terrein van sociale normen, maar op fiscaal terrein. Afknijpen van sociale verworvenheden gebeurt vervolgens onder druk van het Stabiliteits- en Groei Pact.

Nederland is zelf overigens absolute koploper binnen de Eurozone, vóór alle andere westerse belastingparadijzen, met het aanbieden van belastingfaciliteiten voor multinationals om hun belastingverplichtingen elders te kunnen verminderen, via zogenaamde Trustkantoren. Gezien de astronomische bedragen die daarvoor door Nederland worden gesluisd, verdienen we daar ook nog slechts nauwelijks iets aan. Met een minder asociale opstelling, door op te houden met de ondergraving van de belastingbasis van buitenlandse overheden, zou Nederland er zelf aan kunnen bijdragen dat overheden in de hele wereld (ja, ook in ontwikkelingslanden!) meer winstbelasting kunnen incasseren. Daardoor hebben die overheden dan de mogelijkheid minder op sociale voorzieningen te bezuinigen (en kan ons bedrijfsleven weer fijn meer exporteren...).

• De regulering van financiële markten waarvoor de PvdA zich in zou zetten, heeft de goede richting, maar zou nog iets verder moeten gaan (p.193): inzet zou moeten zijn, dat bonussen in de financiële sector geheel verboden worden, aangezien deze een systeembedreigende prikkel geven om persoonlijk gewin voor maatschappelijk belang te laten gaan, en financiële producten moeten aan een toelatingstoets worden onderworpen, zoals al bij medicijnen gebeurt, waarbij nut en risico moeten worden afgewogen.