Boekrecensie 'Wij weten niets van hun lot.'

‘Auschwitz ligt als een ravijn tussen ons in’

Deze recensie verscheen eerder in magazine 'De nieuwe liefde'.

Een paar weken geleden, bezocht ik Babi Jar. Dat is een ravijn net buiten Kiev, de hoofdstad van Oekraïne, waar in 1941, in een paar dagen tijd, bijna 40.000 Joden door Nazi-troepen werden doodgeschoten. ‘Holocaust door kogels’: zo worden Babi Jar en soortgelijke massa-executieplekken wel aangeduid.

Het kostte me moeite om de plek te vinden, want noch de hotelreceptie, noch taxichauffeurs bleken er ooit van te hebben gehoord. ’Dat heeft toch iets met Joden te maken?‘, klonk het uiteindelijk - en dat was weinig meelevend bedoeld. De plek bleek ook nog eens moeilijk te vinden. Geen bewegwijzering, geen markering. Pas in de jaren ’90 werd er een Joods Menorah-gedenkteken opgericht.

Het blijft een schokkende gewaarwording dat in Oost- en Centraal Europe het antisemitisme de Holocaust doodgewoon overleefd heeft. Sterker nog: juist in de zogenaamde Bloedlanden (Timothy Snyder), de landen die ingeklemd zaten tussen de massamoordenaars Stalin en Hitler – Polen, Wit-Rusland, Oekraïne, de Baltische Staten –, wordt de Holocaust tot op de dag van vandaag min of meer doodgezwegen. Laat staan dat zich daar een schuldbewuste bezinning op de Jodenvervolging heeft voorgedaan, zoals dat in landen als Nederland en Duitsland uiteindelijk wel gebeurd is.

In Nederland heeft de Holocaust, met een onbegrijpelijke vertraging tot ver in de jaren zestig, een centrale plek ingenomen in de collectieve herinnering aan Tweede Wereldoorlog en Duitse Bezetting. ‘Nooit Meer Auschwitz’ betekent: nooit meer vervolgde medeburgers in de steek laten en nooit meer wegkijken van intolerantie en terreur.

Tot op de dag van vandaag worden historische polemieken gevoerd over de vraag waarom juist uit Nederland zoveel Joden werden weggevoerd en vermoord (met 73% het hoogste percentage van West-Europa). Wat wist men precies van de moorddadige acties van de Nazi’s? Waarom verzette men zich zo weinig tegen de Jodenvervolging? Dat zijn debatten over goed en fout; zwart/wit en grijs; collaboratie, accommodatie en verzet; verzetshelden, vervolgingsslachtoffers en schuldige omstanders.

Het boek ’Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust’ van de Leidse historicus Bart van der Boom levert een actuele en rijke bijdrage aan dit debat. Het kreeg daarvoor dan ook de Libris Geschiedenisprijs 2012. Daar valt iets voor te zeggen. Niet omdat het het best denkbare geschiedenisboek zou zijn - wat mij betreft-, maar wel omdat het een geschiedenisboek is dat veel Nederlanders zouden moeten lezen. Want in dit boek wordt intelligent en systematisch ’het grote raadsel’ van de Duitse Bezetting van Nederland uit de doeken gedaan: waarom de Nederlandse maatschappij niet massaal in verzet kwam tegen de Jodenvervolging die zij wel verafschuwde; waarom slachtoffers gehoorzaam hun ondergang tegemoet gingen, en de ‘schuldige’ omstanders met de bezetter bleven samenwerken, ‘’om erger te voorkomen’’ - terwijl er eigenlijk geen erger meer denkbaar was.

Van der Booms centrale stelling is dat de sleutel tot dit raadsel gelegen is in de onwetendheid die tijdgenoten hadden omtrent Auschwitz en Sobibor. ‘Wij weten niets van hun lot’, aldus de titel van het boek, ontleend aan een dagboekfragment van Etty Hillesum. Volgens de Leidse historicus wisten gewone Nederlanders niet van de Holocaust. Men bezat geen kennis, doch slechts bange, sombere vermoedens over het lot van de gedeporteerde Joden naar Polen. Men dacht daarbij aan zware dwangarbeid, maar niet aan ‘onmiddellijke dood bij aankomst’ in het kader van een industrieel georganiseerde genocide. Dat lag geheel buiten het voorstellingsvermogen, buiten het mentale referentiekader van de tijdgenoten, aldus Van der Boom. En dat besef is van cruciaal belang om de perceptie, de angsten, verwachtingen en het handelen van de tijdgenoten te begrijpen. ‘’Auschwitz ligt als een ravijn tussen ons in, en om hen te begrijpen moeten we terug over die kloof – terug naar die onschuldige wereld’.

Van der Boom laat ons zich om die reden verplaatsen in de tijdgenoten van toen. Wat wist men? Wat kon men weten? Op grond van welke informatie handelde men? Hoe zag men bijvoorbeeld de haken en ogen van onderduiken? Hoe schatte men de gevaren van deportatie in? Van der Boom voert ons op inzichtelijke wijze mee in de afwegingen die mensen in de moeilijke, onzekere omstandigheden van oorlog, bezetting en vervolging maakten.

Hij reconstrueert het ’niet (zeker) weten van de Holocaust’ aan de hand van een bijzondere historische bron, namelijk tientallen oorlogsdagboeken van talrijke ‘gewone Nederlanders’. Joods en niet-joods, rijk en arm.

De Leidse historicus verzet zich, op grond van die dagboekteksten, nadrukkelijk tegen het beeld van ‘Nederland Deportatieland’. Alsof de gewone Nederlander de Joodse mede-landgenoten eenvoudigweg in de steek lieten. Alsof alle Nederlanders medeplichtige mededaders van de Holocaust zouden zijn, halve antisemieten die liever de andere kant opkeken. Dat beeld wijst hij resoluut af.
Dat schuldbelaste morele oordeel kon ontstaan, doordat men de gedachten van de tijdgenoten vanuit hun gedrag meende te kunnen afleiden. Als er zoveel Joden uit Nederland gedeporteerd konden worden zonder massaal verzet daartegen, dan moet er wel sprake geweest zijn van onverschilligheid, medeplichtigheid, laffe angst of antisemitisme.

Van der Boom doet het omgekeerde: hij probeert de gedachtewereld in oorlogstijd te reconstrueren op basis van de dagboeken – wat wist men, hoe keek men aan tegen de Duitse bezetting en de Jodenvervolging- en probeert daarmee historisch begrip te kweken voor de dilemma’s en afwegingen van de tijdgenoten. Waarom dook men wel of niet onder? Waarom nam men wel of geen onderduikers op? Tot welke grens werkte men met de bezetter samen? Hoe keek men tegen de deportaties aan? En dit alles vanuit het perspectief van de tijdgenoten.

Niet alleen het feitelijk gedrag acht hij maatgevend voor hoe men de bezetting doorstaan heeft, maar ook de gezindheid. Immers: ’het gedrag van burgers in een politiestaat vormt geen weerslag van hun morele en politieke overtuigingen; de politiestaat is ontworpen om dat te voorkomen’. Het gedrag mag dan vaak tussen goed en fout in hebben gezeten – accommodatie in grijstinten. Dat gold niet voor de anti-Duitse gezindheid, de afwijzing van de Jodenvervolging en het ‘lijdelijk verzet’ van de grote meerderheid van gewone Nederlanders. ’’De Nederlandse bevolking verzette zich weliswaar slechts in beperkte mate tegen de Jodenvervolging, maar het is onmogelijk vol te houden dat ze die vervolging ‘goedkeurde’ of ’accepteerde’.’’

Gewone Nederlanders keken niet de andere kant op toen de Joden werden gedeporteerd. Ze keken geschokt toe. ‘’Ze vormden geen heldenvolk, natuurlijk niet, maar evenmin een natie van onverschillige omstanders. (…) Wie denkt dat de tijdgenoot wist dat de joden werden vergast, moet van de omstanders en medeplichtigen monsters maken en van de slechtoffers slaapwandelaars.''

Van der Boom gaat zelfs zover te stellen, dat slachtoffers en passieve omstanders anders gehandeld zouden hebben als men wel had geweten van de duivelse barbarij van Auschwitz en Sobibor. Dan zou er meer verzet zijn gepleegd, meer zijn ondergedoken en gevlucht. Ergens anders stelt hij dat ’misschien de vervolging van katholieken, gereformeerden of communisten een gelijksoortige reactie zou hebben opgeleverd’, binnen de tamelijk kille verhoudingen van de vooroorlogse verzuiling. Dat zijn wat rare speculatieve uitglijders in een verder tamelijk nuchter en informatief boek.

Dat brengt me op een oordeel over deze prijswinnaar. Het boek is zonder meer zeer aan te raden voor een ieder die wil reflecteren op de morele dilemma’s van de Duitse bezettingstijd en Jodenvervolging. Toch blijf ik – ondanks alle lof die het boek is toegezwaaid, ook door vakhistorici – achter met het gevoel niet overtuigd te zijn door de basisstelling van het boek. Ondanks de dagboekteksten ook.

De conclusie ‘’Men heeft het niet gewusst’’ vind ik, al met al, niet 100% overtuigend uit het materiaal komen. Je kunt je, met terugwerkende kracht, net zo goed verbazen over wat de tijdgenoten allemaal wel wisten en in hun dagboeken opschreven. Ja, eigenlijk de hele Holocaust – van gaskamers tot selecties, van massaexecuties a la Babi Jar, tot aan medische experimenten – komt in al die dagboeken voorbij. Als gerucht. Als radiobericht van BBC of Radio Oranje. Als via-via verhaal van ooggetuigen. Akkoord, er was geen zeker weten, en er was – met recht – grote mentale weerstand om deze gruwelverhalen geloofwaardigheid toe te dichten. Maar dan nog.

Alle anti-Joodse maatregelen; de maatschappelijke isolatie van de Joodse Nederlanders; het feit dat ook kinderen, zieken en ouderen op ‘dwangarbeid naar Polen’ werden gestuurd: het bronnenmateriaal ademt toch wel sterk de geest dat men weldegelijk zeer catastrofale vermoedens koesterde waar het Jodenvervolging en deportaties betrof. Dat hier ook sprake geweest moet zijn van collectief psychologisch zelfbedrog van ’het niet willen weten’ – bij slachtoffers en schuldige omstanders - krijgt te weinig gewicht bij Van der Boom.

Te veel schrijft hij toe naar de conclusie dat men de Holocaust in letterlijke zin niet ‘kende’, in de gruwelgedaante van de vernietigingskampen en de onmiddellijke vergassingsmoord. Maar de gewone Nederlandse dagboekenschrijvers gingen in grote meerderheid wel uit van ‘dood op termijn’, voor diegenen die de zware dwangarbeid niet zouden overleven. Dat komt dicht bij de daadwerkelijke Nazi-praktijk van Vernichtung durch Arbeit, zich doodwerken op termijn. Hoezo weten wij niets van hun lot?
Van der Boom stelt zelf: ’Men kon zich voorstellen dat de Duitsers de Joden wilden uitroeien en vernietigen, maar niet dat ze onmiddellijk zouden worden gedood.’ En: ‘’De gewone Nederlander kon zich de genocidale intentie van de Duitsers wel voorstellen, maar niet de genocidale methode: wel het doel, niet het middel’. (373)

Dat zijn toch sterke beweringen, die passiviteit, accommodatie en collaboratie niet bepaald historisch begrijpelijk en invoelbaar maken? Mede-landgenoten worden stelselmatig maatschappelijk geïsoleerd en massaal weggevoerd door een bezettingsmacht met genocidale intenties? En dan zou men zich verlamd en verward hebben gevoeld door totale onwetendheid? Ik vind dat uiteindelijk geen plausibele en overtuigende voorstelling van zaken. Ik zou hopen dat mijn buren en vrienden zich anders gedragen, mocht ik met mijn kinderen ooit door een vreemde bezettingsmacht uit mijn huis weggevoerd worden, ongeacht de precieze reisbestemming en de opgegeven reden, om het maar even heel plastisch en dramatisch te stellen.

Van der Boom wil iets te graag zijn onwetendheidsthese bewijzen, en mist daarbij soms wel een gevoeligheidsantenne. Zijn soms te onbekommerde redeneertrant bevat iets te weinig mededogen en eerbied voor het thema. Voorbeeld: ‘Ik ken geen enkel dagboek waarin de op zich tamelijk simpele gedachte –de Joden worden niet aan het werk gezet, maar bij aankomst gedood – helder wordt verwoord.’’ Die uitspraak is niet alleen strijdig met zijn stelling dat de onmiddellijke ’mensenvernietiging’ geheel buiten het mentale referentiekader van de tijdgenoten viel, maar wezenlijker: wat is er in godsnaam simpel aan die gruwelgedachte? (373)

Dit alles maak ’Wij weten niets van hun lot’ uiteindelijk toch een wat controversieel boek. Daar is op zich niks mis mee. Van der Boom polemiseert niet voor niets nadrukkelijk tegen met name Chris van der Heijden’s Grijs Verleden en Ies Vuijsje’s Tegen beter weten in. Voor wie de discussie over Gewone Nederlanders en de Holocaust op de voet wil volgen heeft Bart van der Boom zelfs een eigen website in de lucht: www.wijwetennietsvanhunlot.blogspot.com.

Een aanrader voor mensen die wakker blijven liggen van het raadsel van de Duitse bezetting van Nederland: waarom men zich zo weinig verzette tegen de vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom (J. Presser).

PS
Bij het lezen van ’Wij weten niets van hun lot’ moest ik soms aan het enorme drama in Srebrenica denken. Ook daar wisten de Nederlanders, op de keper beschouwd, niet wat het precieze lot zou zijn van de Bosnische moslims die men aan de Nederlandse bescherming in de safe area liet onttrekken. Maar ook toen had men zich de ’genocidale intentie’ van Mladic en zijn troepen beter moeten inbeelden en voorstellen.