Marijke Linthorst - De arbeidsmarktpositie van aankomend medisch specialisten lijkt in snel tempo te verslechteren. Het aantal opleidingsplaatsen is gedaald van 1446 in 2011 naar 1228 in 2017. Voor 2018 wordt een verdere daling voorzien naar 1175 opleidingsplaatsen. Het gevolg is dat een groeiend aantal basisartsen niet de specialisatie van zijn of haar voorkeur kan volgen. In 2009 betrof dit ruim 3700 personen, in 2016 was dit gestegen naar ruim 5000.

Ondanks het feit dat veel ziekenhuizen met vacatures kampen, kunnen de meeste opleidingscoördinatoren zich vinden in het beleid. Zij zien een ‘mismatch’ tussen vraag en aanbod: de afgelopen jaren is het aantal medisch studenten gestegen (beslissingsbevoegdheid van het Ministerie van OCW), maar het aantal opleidingsplaatsen (beslissing van het Ministerie van VWS) heeft daar geen gelijke tred mee gehouden. Het gevolg is dat er een stuwmeer aan basisartsen is ontstaan. Je kunt deze mensen wel een opleidingsplaats bieden, maar dan leid je ze op voor werkloosheid. Voor een deel is dat ook nu al het geval. Van de recent afgestudeerde medisch specialisten (in vakjargon: jonge klaren) zit 5% werkloos thuis. En de medisch specialisten die wel een plek weten te vinden, krijgen in toenemende mate een tijdelijk contract. In 2014 ging dat om 44%, vorig jaar is het aantal tijdelijke contracten gestegen tot 52%* . Bovendien gebeurt het steeds vaker dat een tijdelijk contract niet wordt omgezet in een vast contract, maar dat na afloop een nieuw tijdelijk contract wordt gesloten met een andere jonge klare. Als oplossing wordt gedacht aan het terugbrengen van het aantal medisch studenten.

Op zichzelf lijkt deze redenering logisch. Een opleiding tot medisch specialist vergt een enorme inzet en kost, zo wordt geschat, tussen de €600.000 en €900.000 per opleidingsplaats. En als dan een groeiende groep medisch specialisten geen baan vindt en deels noodgedwongen zijn heil over de grens zoekt (in 2013 was dat 1%, vorig jaar ging het al om 7%) dan is de conclusie duidelijk: hier vindt op grote schaal vernietiging van (publiek gefinancierd) kapitaal en menselijke kennis en kunde plaats. Toch zou het terugdringen van het aantal medisch studenten weleens niet de juiste oplossing kunnen zijn. Zeker als met een bredere blik wordt gekeken.

Onlangs verschenen de resultaten van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden, een gezamenlijk onderzoek van CBS en TNO onder 43.000 werknemers. Op verzoek van Medisch Contact heeft TNO de artsen uit de enquête gelicht. Daaruit blijkt dat 18% van de artsen kampt met burn-outverschijnselen**. Maar ook onder degenen die hier geen last van hebben is er vaak sprake van werkgerelateerde stress. Dat kan een negatief effect hebben op de kwaliteit van de zorg. Nog belangrijker is misschien wel dat degenen die zich inzetten voor onze gezondheid, zelf een ongezond beroep uit te oefenen. Er zijn inmiddels gespecialiseerde bureaus die artsen trainen om beter met stress om te gaan en zo uitval te voorkómen. Maar het zou effectiever zijn om de oorzaak aan te pakken. Deze wordt gezocht in de vaak lange en onregelmatige werktijden. Aan de onregelmatigheid valt weinig te doen, mensen worden nu eenmaal op onregelmatige tijden ziek. Maar de lange dagen en de veelheid van diensten zijn geen natuurverschijnsel, die worden ingeroosterd. In de enquête geeft meer dan 90% van de artsen aan, regelmatig over te werken.

De ontwikkelingen op de medische arbeidsmarkt zouden ook een uitgelezen kans kunnen bieden om een fundamenteel debat te voeren over de vraag hoe we onze gezondheidszorg willen inrichten. Ik heb de afgelopen maanden een aantal medisch specialisten in opleiding gesproken die zich afvroegen of ze dit de rest van hun leven wilden, of het allemaal de moeite waard was. Stuk voor stuk mensen die hun werk met hartstocht doen en goed zijn in hun vak. Maar zij gaan gebukt onder het eeuwige gebrek aan tijd. Tijd voor reflectie, ook op hun eigen handelen. En tijd voor andere zaken die het leven de moeite waard maken. Herverdeling van de werkzaamheden zou een win-win situatie kunnen opleveren. De mensen zonder baan komen aan de bak, de mensen met een baan kunnen normale werkweken draaien.

Er lijkt nog niet veel animo voor. Eén van de redenen zou kunnen zijn dat men denkt dat dit tot hogere kosten leidt. Voor VWS zou dat het geval kunnen zijn, maar dat hoeft niet te gelden voor de samenleving als geheel. Wat zich hier wreekt is het ontbreken van een integrale benadering. Werkloosheidsuitkeringen en de kosten van een burn-out (nog afgezien van de persoonlijke ellende die dit met zich meebrengt) vallen niet onder het budget van VWS. Maar zij worden wel betaald. De opleidingskosten van een afgestudeerde specialist die zijn vak in het buitenland gaat uitoefenen staan nergens als (schade)post op een begroting. Hetzelfde geldt voor de mogelijke kwaliteitswinst die geboekt kan worden als mensen méér tijd hebben, bijvoorbeeld voor overleg met een collega. Omdat de kosten uit verschillende potten gefinancierd worden en de opbrengsten niet altijd dáár neerslaan waar de investeringen zijn gedaan, is het moeilijk zicht te krijgen op wat een ruimere inroostering financieel zou betekenen voor de samenleving. Een tweede oorzaak voor het gebrek aan animo lijkt de vrees voor verlies aan kwaliteit als de werkduur wordt teruggebracht. In de blog van 10 oktober vorig jaar schreef ik over de zuinige reacties die medisch specialisten Klein en Legemate ontvingen op hun voorstel om diensten te beperken tot maximaal 12 uur. Te weinig ‘vlieguren’ zou leiden tot een verlies aan ervaring en daarmee de patiëntveiligheid verslechteren. Als je kijkt naar praktijksituaties waar de werkdruk genormaliseerd is, lijkt deze vrees mij ongegrond. Huisartsen waren de eersten die hun werktijden op de schop namen. De situatie van de altijd beschikbare eigen huisarts heeft zich ontwikkeld tot een situatie waar meerdere huisartsen in een groepspraktijk flexibel werkzaam zijn, tijdens kantoortijden; in de avond, de nacht en het weekend is er de huisartsenpost. Inmiddels vindt iedereen dat volkomen normaal. En de kwaliteit van de huisartsenzorg is er niet minder om geworden, integendeel.

Nu ik dit zo opschrijf valt me op dat huisartsen wel vaker vooroplopen. Zij waren in 2015 de eersten (de actiegroep ‘Het Roer Moet Om’) die zich te weer stelden tegen de wurgcontracten van de zorgverzekeraars. Ze waren ook de eersten die verzet aantekenden tegen de overbodige, belastende bureaucratische controles. Een initiatief dat inmiddels in de medische wereld breed gedragen wordt.

Zou dat iets te maken hebben met die normalere werktijden?

* NRC, 3 augustus, p.E5
** Medisch Contact, 16 augustus 2017

> Lees alle blogs van Marijke Linthorst