Het einde van de euro

Rond de Griekse schuldenlast is een buitengewoon instabiele reddingsoperatie ontstaan. De financiële woekeraars zijn er nog niet van overtuigd. Maar de politieke, economische en beleidselite in Europa heeft de operatie stevig in het teken geplaatst van een zogenaamde onvermijdelijke en bovendien door hen ook nog zeer gewenste centralisering en uniformering in de Eurozone. De PvdA heeft zich met enkele kleine voetnootjes bij deze consensus aangesloten. Wat een opluchting om Europese top-econoom Sapir in NRC Handelsblad van 3 november een stevig tegengeluid te zien geven. ‘Als we de euro nu opheffen, dan kan dat nog min of meer ordelijk’, zo luidt zijn oordeel.

Er zijn drie misverstanden over de eurozone in het spel. In de eerste plaats een sociaal-economisch. De muntunie is gevestigd op een uitermate wankele basis, want omsluit buitengewoon verschillende economieën. Zij lopen uiteen in ontwikkelingsniveau en groeipatroon, in politiek-economische en politiek-culturele traditie en in economische kracht. Als alles economisch meezit, zijn de problemen nog wel te overzien - ook al was het al eerder onvermijdelijk dat een aantal landen de regels van het stabiliteitspact schond, maar omdat het nogal grote landen waren, kwamen zij daar makkelijk mee weg. In tijden van economische recessie en erger werkt de muntunie echter verlammend, omdat de grote verschillen niet meer overbrugd kunnen worden. Inmiddels wordt dat in brede kring toegegeven. Het was misschien ook wel niet zo’n goed idee, die muntunie met deze landen. Maar ja, nu kunnen we niet meer terug. En dus wordt het korset steeds harder aangesnoerd, ook al weten we dat daardoor ernstige ademnood gaat ontstaan.

Het betere recept zou zijn, om meer bewegingsvrijheid aan de verschillende delen van de muntunie te geven, zodat zich een nieuwe verhouding tussen de sterkere en zwakkere economieën kan uitkristalliseren. De rigoureuze – en door Sapir aanbevolen – route is om de muntunie te beëindigen. Wat nu gebeurt, is dat een keiharde economische saneringspolitiek wordt opgelegd aan landen als Griekenland, die niet alleen het land in een staat van permanente sociale confrontaties brengt – zo niet op de rand van een sociale burgeroorlog -, maar ook de voorwaarden voor een economisch herstel ondermijnt. De problemen houden bovendien niet bij Griekenland op – daar beginnen ze pas. De EMU wordt aldus een bron van conflict in plaats van kracht.

De tot nu toen gevolgde route legt een hard neoliberaal model aan alle landen van Europa op. Het economisch neokolonialisme van noord tegen zuid brengt echter enorme risico’s mee voor de belastingbetalers in noord, in Nederland dus, en in Duitsland. Zij zullen immers de fondsen moeten garanderen die als het nodig is worden aangewend om financiële stabiliteit in zuid te bewerkstelligen – zonder de zekerheid dat de voorwaarden daarvoor ook werkelijk afgedwongen zullen kunnen worden. De cheques die de ECB zonder enige democratische legitimatie op dit moment uitschrijft om de zuidelijke landen uit de gevarenzone te houden, ogen misschien wel verstandig, maar zullen in geval van mislukking echt door ons moeten worden opgebracht. Ziedaar het euro-pyramidespel.

Een tweede misverstand is dat dit een ideale gelegenheid is om nu ook tot een politieke unie, ja tot een federaal Europa te komen. Zelfs NRC Handelsblad – in haar hoofdredactionele commentaren een van de meest uitgesproken verdedigers van vergaande politiek-economische centralisatie in Europa – realiseert zich dat er misschien wel een democratisch probleempje is. Maar zicht op een oplossing daarvan is werkelijk nergens te bekennen. De kern van het probleem is dat de huidige beweging richting centralisatie en uniformering, inclusief strakke bevoegdheden voor een nieuwe of oude commissaris voor de budgettaire discipline, een ernstige ondermijning van de democratie en democratische legitimiteit inhouden. Er is niet alleen sprake van een gigantische overstretch van bestuur - eisen die gesteld worden aan begrotingen, privatiseringen, typen uitgaven - maar ook van onheldere verhoudingen – tussen EMU en EU; positie van de ECB; de relatie tussen commissie en regeringsleiders – en van een ernstige ondermijning van de volkssoevereiniteit. Het democratisch tekort van Europa dat er al is, wordt met reuzenstappen vergroot. Het is niet denkbeeldig dat dit avontuur eindigt in een autoritair-technocratisch bestuursmodel – een model, kortom, dat volkomen in strijd is met de grondgedachte van de Europese samenwerking: recht gaat voor macht.

Dat leidt ons direct tot het derde misverstand: namelijk dat tegenstanders van de Europees-centralistische koers anti-Europeanen en populisten zijn. Die zijn er zeker - en getuige hun parlementaire optreden hier zijn ze behoorlijk de weg kwijt. Maar de aanhangers van de Europese tunnelvisie verklaren – met alle aanspraken op morele superioriteit – hun weg veel te makkelijk voor de enige juiste. Het debat gaat niet over vóór of tegen Europa, maar over welke Europese economische en politieke ordening wij nastreven. Het heilige geloof in centralisering en uniformering staat een dergelijk debat vooral in de weg, want diskwalificeert andersdenkenden per definitie. Sterker nog: het wijst een richting die zich slecht verhoudt tot de Europese traditie van verscheidenheid en pluralisme. Het zaait een diep wantrouwen tegen de Europese technocratie, die geoogst zal worden als terecht publiek verzet tegen verdergaande Europese integratie. De verdedigers van de dominante poltiek-economische koers bewijzen de Europese samenwerking geen dienst. Zij zijn het die het Europese project in de waagschaal stellen door hun merkwaardige wisseltruc om de Europese integratie gelijk te stellen aan deze instabiele muntunie. De PvdA heeft dringend behoefte aan een paar Sapirs!