Het failliet van het Euroscepticisme

Zondag 22 januari jl. moeten vele eurocritici na het ontwaken in een staat van geestelijke ontreddering zijn geraakt. Het was de ochtend waarop Guy Verhofstadt in Buitenhof pijnlijk, met chirurgische precisie, blootlegde hoezeer hun ideologie achterhaald is, en hoezeer hun argumentatie berust op nostalgisch drijfzand. Verhofstadt is de bevlogen leider van de liberalen in het Europees Parlement en een hartstochtelijk Eurofederalist. Hij meent dat als wij de EU democratisch willen organiseren, en tegelijkertijd willen opboksen tegen de financiële markten en de opkomende economieën, een federale unie de enige realistische optie is. Hij ging in debat met twee jonge eurosceptici: rechtsfilosoof Thierry Baudet en Arjan Vliegenthart, directeur van het wetenschappelijk bureau van de SP.

Verhofstadt kreeg de gebruikelijke, ietwat uitgekauwde, eurokritische kritiek voor de kiezen, die hij soeverein weerlegde. Zo soeverein dat zijn opponenten zicht- en hoorbaar geïrriteerd raakten. Ik kan een ieder van harte aanbevelen de uitzending terug te kijken. Waar ik nu kort op wil ingaan is de even simpele als interessante vraag die hij de twee eurosceptische jonge honden voorlegde: als jullie geen federaal Europa willen, wat willen jullie dan eigenlijk wel?

Verhofstadt’s vraag is meer dan gerechtvaardigd. Wat willen de criticasters nu eigenlijk? Baudet prees het Britse model aan en Vliegenthart mompelde voortdurend iets over een TGV met te grote snelheid in de verkeerde richting, maar eigenlijk hadden ze geen idee. Zij staan symbool voor de gemiddelde ontwikkelde eurocriticus. De Fransen zeggen het zo mooi: 'La critique est aisée, mais l’art est difficile'. Je hebt eurocritici in alle soorten en maten: sommigen links, anderen rechts, sommigen behept met academische pretenties, anderen trotse intellectuele hooligans. Zij lijden vrijwel allemaal aan dezelfde ziekte: chronische ideeën-armoede. Lees een gemiddeld eurosceptisch commentaar, ik zal geen namen noemen, en je wordt om de oren geslagen met karikaturale analyses over het vermeende ‘antidemocratische’ en soms zelfs ‘antisociale’ karakter van de EU.

Tegelijkertijd zien de wat meer verlichte geesten onder hen in dat de Europese natiestaten afzonderlijk een steeds irrelevantere rol spelen op het geopolitieke toneel, en dat vrijwel alle grote politieke kwesties van deze eeuw schreeuwen om een krachtige, transnationale politieke oplossing.

Een federale unie, die potentieel alle benoemde defecten kan oplossen, daar wil men paradoxaal genoeg niet aan. Hier is sprake van een gedachtekronkel, die slechts vanuit idealistische, romantische sentimenten valt te verklaren. Maar, helaas, met nostalgisch gemijmer over de gezellige, knusse natiestaat van vroeger en het zoveelste semi-intellectuele schrijfsel over de ‘winnaars en verliezers van de globalisering’ of de ‘nationale identiteiten’ kan je onmogelijk de wereld anno 2012 tegemoet treden.

Het Buitenhof-debat maakte nóg een ding pijnlijk duidelijk: de ‘rechtse’ Verhofstadt haalde SP’er Vliegenthart links in. Terwijl Vliegenthart bromt over de perverse macht van het internationale grootkapitaal, komt Verhofstadt met concrete oplossingen om de financiële markten strakker op Europees niveau te reguleren. Een vaag ideaal van de eurosceptische SP wordt door een eurofiele liberaal op geloofwaardige wijze gerealiseerd. Links zou het euroscepticisme eindelijk eens moeten bijzetten in het ideeën-historisch museum, en moeten kiezen voor de pragmatische toekomstvisie van Guy Verhofstadt.