Will Tinnemans sprak deze tekst op 24 november 2011 uit in het kader van het Van Waarde-debat over goed werk in Groningen.
Maar weinig ideologieën slagen erin om mensen tot tranen te roeren. De sociaal-democratie heeft in dat opzicht een rijke traditie. Er zijn in Europa nog steeds hele volksstammen van zestigplussers die spontaan in tranen uitbarsten als ze de Internationale horen. Omdat dat lied - meer in het algemeen: de sociaal-democratische beweging - voor iets staat: voor verheffing van de arbeidersklasse, voor solidariteit met zwakkeren, voor beschaving op wezenlijke levensterreinen.
Ik ben geen huilebalk. Ik heb het dan ook lang drooggehouden. Tot oktober 1995, toen Wim Kok – nota bene in een Den Uyl-lezing in de Rode Hoed in Amsterdam – verkondigde dat de sociaal-democratie niet langer ideologische veren nodig had. Zó’n rijke traditie, zó’n verleden, zúlke indrukwekkende verworvenheden in de 20ste eeuw en zó’n substantieel aandeel in de opbouw van de naoorlogse verzorgingsstaat - en dan komt een oud-vakbondsman ons vertellen dat de overheid moet terugtreden en dat marktwerking het nieuwe medicijn is tegen alle sociale kwalen.
Natuurlijk hadden we van 1973 tot 1977 het fameuze kabinet-Den Uyl. Na een intermezzo met voortmodderende kabinetten onder leiding van Dries van Agt, was in 1982 een heel nieuwe periode aangebroken. De CDA-premier Ruud Lubbers had het roer overgenomen, predikte non-nonsense, omarmde de vrijemarkteconomie, startte deregulerings- en privatiseringsoperaties, leverde de verzorgingsstaat uit aan de economische wijsheden van het uit Groot-Brittannië en de VS overgewaaide neoliberalisme: een kleine overheid, lage belastingen, maximale ondernemersvrijheid, flexibilisering van de arbeidsmarkt. Niet dat dat allemaal onmiddellijk lukte, maar het was toch de bedoeling van de stille bewonderaars van Thatcher en Reagan.
Van Lubbers kon ik het hebben, bij de uitspraken van Kok plengde ik bittere tranen. Van woede, van onbegrip, van onmacht. Onder Koks leiding was de PvdA aan het dolen geslagen. En dat deed pijn, omdat daarmee een einde kwam aan het kolossale sociale deltaplan dat Willem Banning, Willem Drees, Marinus van der Goes van Naters en vele anderen na de oorlog in gang hadden gezet.
De tweede keer dat ik voor de bijl ging, was na de lokale verkiezingen van maart 2002. Dat Ad Melkert niet kon meedeinen op de verkiezingsroes van de flamboyante Pim Fortuyn, maar na afloop bij het verkiezingsdebat zelfs weigerde hem de hand te schudden, bracht me aan het lachen. Hoe stijver Melkert zich opstelde en hoe absurder de situatie aan die tafel werd, hoe grappiger eigenlijk ook, als je het met enige afstand kon bekijken. Zó onsportief, zó niet tegen je verlies kunnen, zó de realiteit negeren - ik begreep er eigenlijk niets van. U kent de uitdrukking: huilen van het lachen. Exact dat gebeurde, toen ik de starre, formele Melkert daar zag zitten tegenover de guitige Fortuyn.
De derde keer is nog maar enkele jaren geleden. Het gebeurde na het lezen van de biografie van Joop den Uyl, door Anet Bleich. Het ging niet eens om een aanwijsbare passage of een concreet feit; toen ik het boek dichtsloeg, zat ik zachtjes te huilen. Den Uyl is het symbool van mijn politieke bewustwording. Ik was 14 toen het eerste en enige kabinet dat zijn naam droeg in 1973 aantrad en ik was net 18 toen het vier jaar later sneefde. Het waren vormende jaren, dankzij Lockheed, Menten, Bloemenhove en de politieke meningsverschillen in dat kabinet die verbaal op zeer hoogstaand niveau, met veel humor en vileiniteit, werden uitgevochten. Maar het waren ook vormende jaren omdat ik het idee had dat in ons gezin - en in vergelijkbare boeren- en arbeidersgezinnen op het Brabantse platteland waar ik woonde - het gevoel doorbrak dat wij er ook toe deden.
We waren niet langer lijdend voorwerp van meneer pastoor en de KVP. Er werd in die jaren óók in die verscholen katholieke gemeenschap in de Peel gesproken over het recht op een deel van de koek. Dankzij de studiefinanciering konden de jongste kinderen in ons gezin van vijftien gaan studeren, terwijl de oudste zussen nog op hun dertiende als diensters waren ‘uitbesteed’. Om-, her- en bijscholing kwam binnen handbereik van mensen die zich decennialang de blaren op de handen gewerkt hadden.
Dat besef kwam terug, die jeugd kwam terug. Met het dichtslaan van de biografie van Anet Bleich drong beter dan ooit tot me door dat het einde van het kabinet-Den Uyl het sluitstuk van een tijdperk was geweest. Een episode waarin ‘de arbeider’ meetelde in het publieke debat, waarin de onderwerpen die laaggeschoolden en de laagstbetaalden aan het hart gingen dagelijks centraal stonden in het politieke debat en in het nieuws. Ik snap echt wel dat we niet terug kunnen naar het kabinet-Den Uyl. Het waren geen tranen van nostalgie, maar van melancholie.
De vierde keer dat de sociaal-democratie me aan het huilen kreeg, was heel recent. De aanleiding was: Job Cohen. Afgelopen weekeinde sloeg ik de opiniebijlage van NRC Handelsblad op en zag de Kerdijklezing afgedrukt, die Cohen op 18 november had uitgesproken. Het inlevingsvermogen waarmee hij de tekortkomingen van de meritocratie beschrijft, de eenvoud waarmee hij het belang van solidariteit en sociaal beleid neerzet – die zorgden voor tranen, van blijdschap deze keer, van opluchting.
We kiezen niet onze eigen talenten, we mogen blij zijn áls en dát we ze bezitten. En als we ze niet hebben – of als we ze niet rendabel weten te maken – hebben we nog steeds recht op een beetje geluk, welvaart en welzijn. Als het moet met hulp van de overheid, in de vorm van onderwijs, jeugdzorg, bescherming tegen uitbuiting en misbruik, gezondheidszorg. Weg met de hebzucht als drijfveer voor maatschappelijk en economisch handelen! Weg met de scheefgroei in inkomsten! Het is tijd voor heroverwegingen.
Het klinkt me als goede muziek in de oren, want precies dáárover gaat mijn boekje Voor jou tien anderen. De vrijemarkteconomie heeft ons de afgelopen decennia een materiële overvloed gebracht die we sinds de Gouden Eeuw niet meer gekend hebben. En net als toen gaat die overvloed gepaard met onbehagen. Ralf Dahrendorff had het eind jaren tachtig over de Zweidrittelgesellschaft: tweederde van de samenleving gaat het bijzonder goed, terwijl eenderde het nakijken heeft. Die eenderde is getalsmatig te onbetekenend om het verschil te maken. We zijn inmiddels zo’n twintig jaar verder en de Zweidrittelgesellschaft is een Drieviertelgesellschaft geworden: de overgrote meerderheid van de bevolking heeft ruimschoots geprofiteerd van de booming economy. Onderaan het maatschappelijk gebouw wordt de prijs betaald.
Was in de jaren zestig nog 60-70 procent van de beroepsbevolking laagopgeleid, nu is dat nog maar krap een kwart. Voor grote volkspartijen in het politieke midden is dat geen aantrekkelijke vijver om in te vissen, want de belangen van het onderste kwart van het loongebouw laten zich maar moeilijk verenigen met die van de veel grotere middenklasse. Als we écht werk maken van de belangen van de onderkant van de arbeidsmarkt, kunnen we geen bakje champignons meer krijgen voor 89 cent, moet de prijs van een postzegel omhoog, zullen we iets meer van de staatskas naar de thuiszorg moeten laten vloeien, moeten reële salarissen van schoonmakers doorberekend worden in de prijs van producten en diensten, enzovoorts en zo verder. Dan is het gedaan met de aaneenrijging van tijdelijke contracten in de supermarkten, de catering en de beveiliging; dan is onderbetaling en inroostering op onmogelijke tijden zónder een fulltime dienstverband verleden tijd en dan mogen álle Polen en Roemenen in Nederland komen werken, maar wél met inachtneming van het Wettelijk Minimumloon en de CAO-bepalingen in de betreffende sector.
Er zijn tekenen van hoop. De schoonmaakstaking die in het voorjaar van 2010 negen weken duurde en tot goede resultaten leidde; de beroepschauffeurs die erkenning willen voor de hoge veiligheidseisen die aan hun werk gesteld worden, óók van de kant van Poolse en Bulgaarse chauffeurs; de medewerkers in de supermarkten die fatsoenlijke contracten en leefbare lonen willen; de thuiszorgmedewerksters van Viva! in Noord-Holland die een loonsverlaging van bijna een kwart niet accepteerden; postbestellers hebben het voor elkaar gekregen dat over een paar jaar tachtig procent een vast dienstverband moet hebben in plaats van op een schandalig laag stukloon te werken, zoals nu voor de meeste medewerkers nog het geval is; chauffeurs in het openbaar vervoer in grote steden vragen aandacht voor de onmogelijke positie waar ze in gebracht worden door openbare aanbestedingen in hun sector.
Het begint door te dringen dat al die laagopgeleide, slecht betaalde werknemers aan de onderkant toch op zijn minst recht hebben op een beetje bestaanszekerheid in de vorm van vaste, liefst fulltime contracten, fatsoenlijke lonen waarvan ze zichzelf en hun gezin kunnen onderhouden en respect van de kant van werkgevers én van de burgers met wie ze in aanraking komen. En het mooie is dat ze dat grotendeels aan zichzelf te danken hebben. Sinds FNV Bondgenoten en de Abvakabo het Amerikaanse model van organizing toepassen, zijn werknemersbelangen uit de handen van professionele zaakwaarnemers gehaald en bij de belanghebbenden zelf neergelegd; ze werven zelf ook nieuwe leden, met wie ze in discussie gaan over de noodzaak om je te organiseren als je tenminste iets wilt doen aan die beroerde omstandigheden op de werkvloer. Geheel volgens het uitgangspunt van Marx en Engels, in Nederland hartstochtelijk verdedigd en verkondigd door Domela Nieuwenhuis: de bevrijding van de arbeidersklasse is het werk van de arbeiders zelf.
Maar een beetje steun kunnen ze daar wel bij gebruiken. Van ons allemaal natuurlijk, door laagopgeleide dienstverleners in het openbaar respectvol te bejegenen, te groeten bijvoorbeeld. Maar zeker ook van het bedrijfsleven, dat zoveel ondernemersvrijheid heeft gekregen; daar staat de verantwoordelijkheid voor het handhaven van een beschavingsminimum tegenover, en daar vallen fatsoenlijke lonen en arbeidsvoorwaarden en waar mogelijk het bieden van enige bestaanszekerheid natuurlijk ook onder. En niet in de laatste plaats van politieke partijen en de overheid.
Ook de PvdA heeft tonnen boter op haar hoofd. De partij heeft vanaf de jaren tachtig volop meegedaan aan de verzelfstandiging en privatisering van overheidsdiensten. Dat heeft geleid tot een race to the bottom: door de uitbesteding van schoonmaak, catering, beveiliging, receptietaken, groenvoorziening, vuilnisophaaldiensten en wat niet al, zitten al die mensen die vroeger ambtenaar waren in dienst van het rijk, de provincie of de gemeente of semi-ambtenaar/trendvolger in ziekenhuizen, universiteiten opgesloten in fuikbanen, in permanente onzekerheid over de toekomst, zonder uitzicht op om-, her- of bijscholing.
Versoepeling van de ontslagbescherming? Nóg meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt? Doorwerken tot je 67ste? La’me nie lachen! zeggen die mensen, tegen die tijd ben ik allang dood of lig ik versuft op apegapen! We weten dat het waar is, we weten dat de sociaal-democratie ná Den Uyl op alle niveaus van de samenleving heeft bijgedragen aan de race to the bottom. Niet moedwillig, niet opzettelijk, maar het is wél onder hun ogen en met hun medewerking gebeurd, zowel lokaal als nationaal. Het is hoog tijd voor herbezinning. Het kapitalisme heeft nieuwe remmen nodig!
Als het de sociaal-democratie lukt om de onderkant van de samenleving perspectief te bieden, iets meer bestaanszekerheid te geven, op zijn minst het gevoel op te roepen dat belangen en omstandigheden van de mensen aan de onderkant in het politieke debat weer een grotere rol spelen dan ongebreidelde marktwerking en neoliberalisme, dan wordt dat mijn vijfde huilbui met de sociaal-democratie als aanleiding.
Tranen van geluk zullen het dit keer zijn.
- login of registreer om te reageren
