Verslag: "Van Waarde-debat II"

Nieuws & agenda
Nieuws archief

In het kader van de reeks debatten over wat er voor sociaal-democraten van waarde is, hoe dat onder druk staat en wat ons te doen staat, vond dinsdag 13 september de tweede bijeenkomst met als thema “verheffing” plaats. Daarbij waren ongeveer 250 man aanwezig. Menno Hurenkamp leidde de discussie. Hieronder vindt u een verslag van de avond.

De eerste spreker van de avond is Ewald Engelen (hoogleraar financiële geografie aan de UvA). Engelen stelt dat de staat het heft in eigen handen zou moeten nemen wat de opvoeding van onze kinderen betreft. Hij pleit voor lange schooldagen van acht tot vijf, waarin leerlingen niet alleen cognitieve vaardigheden aanleren, maar ook de kans krijgen hun creatieve kanten te ontwikkelen en hun specifieke talenten aan het licht te brengen. De overheid, kortom, heeft volgens Engelen als hoofdtaak om in alle kinderen het beste naar boven te halen en ze de gelegenheid te geven te ontdekken waar ze goed in zijn. Vroegtijdige segregatie door middel van steeds eerder te maken keuzes vormt een bedreiging voor dat ideaal. Onderwijs is in Engelen’s visie het sleutelwoord van de 21ste eeuw, althans, als Nederland tenminste een kansrijke toekomst tegemoet wil gaan. Dat betekent dat aan iedereen gelijke kansen in het onderwijs gegarandeerd moeten worden. In het kader daarvan doet Engelen een oproep om artikel 23 uit de grondwet te schrappen. Onderwijs moet weer onder de vleugels van de staat belanden, aldus Engelen.
Engelen’s bijdrage is een verkorte weergave van het artikel dat hij voor S&D schreef. Dit artikel kunt u hier nalezen.

De tweede spreker is Evelien Tonkens (bijzonder hoogleraar burgerschap aan de UvA).
Tonkens stipt in haar betoog drie problemen aan van de meritocratie: Meritocratie schept een onderklasse die niet mee kan komen in het verdienstenmodel, verzwakt de solidariteit van de “winnaars” (“the winner takes it all” en gaat er bovenop zitten) en brengt de zekerheid van allen in gevaar. De achterliggende gedachte van Tonkens’ kritische blik op de meritocratie is dat zij niet gelijk staat aan de opheffing van ongelijkheid. Tonkens pleit er daarom voor het ideaal van meritocratie te vervangen door het bredere ideaal van de respectmaatschappij, de ‘aidocratie’ (naar het Griekse woord voor (zelf)respect). Zij presenteert een aantal ideeën om tot zo’n aidocratie te komen, waaronder de onderstaande twee:
-een loting van 10 volksvertegenwoordigers;
-het scheppen van meetvrije ruimte: voor elke nieuwe meting moet een andere worden afgeschaft.
Haar bijdrage is gebaseerd op het artikel dat zij met Tjalling Swierstra voor S&D schreef. Dat artikel vindt u hier.

De laatste spreker voor de pauze is Jeroen Dijsselbloem (Tweede Kamerlid PvdA), die partijvoorzitter Lilianne Ploumen vervangt. Ploumen berispte afgelopen april nog ING-commissaris Lodewijk de Waal, omdat hij het bonus-beleid van de bank toen goedkeurde. Ook Jeroen Dijsselbloem steekt de hand in eigen sociaal-democratische boezem en spreekt over de erecode voor PvdA-leden. Hij krijgt de handen op elkaar voor zijn oproep commissariaten te beperken tot maximaal vijf per persoon. Daarbij onderschrijft hij op directe wijze het elfde ‘gebod’ uit de reeks die van toepassing is voor PvdA-politici en –bestuurder. Punt elf luidt: “We hebben de plicht elkaar aan te spreken op elkaars gedrag. De leiding van de PvdA heeft een bijzondere verantwoordelijkheid in het bewaken van integer gedrag.”

Na de pauze plaatst Kees Schuyt (voorzitter van de redactieraad van S&D) drie kritische kanttekeningen bij de afgelopen S&D over “verheffing”:
1) Opvallend was de afwezigheid van het opgeheven “socialistische vingertje”; volgens Schuyt moeten we als sociaaldemocraten juist overtuigd zijn van wat voor ons van waarde is en dat ook uit durven te dragen. De hamvraag op het gebied van verheffing is hoe het onderwijs in Nederland verbeterd kan worden zonder dat de overheid daar een centralistische rol in toebedeeld krijgt.
2) De volgorde van de bijdragen in S&D was verwarrend; volgens Schuyt zou de opeenvolging van de vorming ofwel socialisatie van onze kinderen 1) ouders, 2) scholen en 3) burgerschap moeten zijn (en niet, zoals de in S&D gepresenteerde omgekeerde volgorde)
3) Een relevante reflectieve vraag is: Welke rol willen we dat opvoeding in onze samenleving speelt? Zijn we op weg naar een Angelsaksisch/Scandinavisch model? En willen we dat überhaupt? Wat zijn de alternatieven?

Schuyt opponeert Engelen’s stelling. Schuyt onderschrijft zijn verheffingsideaal inhoudelijk, maar zet vraagtekens bij het beleidsplan dat Engelen voorstelt. Volgens Schuyt is het zaak het onderwijs te verbeteren van binnenuit, en heeft de staat zich daar inhoudelijk niet mee te bemoeien, laat staan dat de inrichting van het onderwijs van bovenaf opgelegd wordt aan scholen.

Het panel, bestaande uit Lodewijk Asscher (wethouder te Amsterdam en voorzitter van het curatorium van de WBS), Monika Sie Dhian Ho (directeur WBS) en Jeroen Dijsselbloem (Tweede Kamerlid PvdA), reageert op de aangedragen discussiepunten van Kees Schuyt.

Lodewijk Asscher heeft een pragmatische insteek en vraagt zich af wat de PvdA in concrete zin kan doen om de verheffing te bevorderen. In de eerste plaats refereert hij aan het “verwachten van het verwachten”, en hamert hij erop dat we het niet zozeer moeten hebben van verklaringen, maar van verwachtingen: Hoge eisen stellen mag, sterker nog, het is zelfs hard nodig om ons onderwijssysteem uit het slop te trekken. Asscher meent dan ook dat niet artikel 23 het probleem is, maar het feit dat we erin getrapt zijn te geloven dat op basis daarvan niets meer gezegd mag worden over de invulling van het onderwijs. Hij lanceert dan ook het credo “Kies voor onderwijs in plaats van voor de school” en pleit voor opvoedcursussen voor ouders, door de scholen zelf verzorgd. De leerplicht zou gecomplementeerd moeten worden door een opvoedplicht, aldus Asscher.

Monika Sie houdt een pleidooi over wat zij ziet als de drijvende kracht achter verheffing, namelijk zelfverheffing. Immers, het goede leven begint bij jezelf, stelt Sie. Vanuit haar eigen culturele achtergrond (een Chinese) wijst zij op de rol die grootouders zouden kunnen spelen in de opvoeding van kinderen. Met een angstwekkende vergrijzing voor de deur lijkt dat helemaal geen gek idee.

Jeroen Dijsselbloem geeft al snel aan zich te scharen achter de “school Schuyt” en niet de “school Engelen”, en gaat als voormalig voorzitter van de commissie-Dijsselbloem mee met Schuyt’s stelling dat het onderwijs intern een kwalitatieve transformatie moet ondergaan. Daarbij is de centrale vraag, nog steeds, of misschien wel opnieuw: Wat is goed onderwijs? Dijsselbloem vindt dat over dit belangrijke vraagstuk een breed debat in de samenleving (dus niet alleen in de politiek) gevoerd moet worden. Volgens Dijsselbloem zijn er aanzienlijke groepen jongeren die het in het huidige onderwijssysteem achter blijven, en is er nog steeds geen antwoord geformuleerd op de vraag wat daar dan mee moet gebeuren. Welke plek is er voor hun weggelegd in de samenleving? Dijsselbloem is overigens geen tegenstander van de talrijke scheidslijnen die de afgelopen decennia in het onderwijs zijn aangebracht; hij maakt zich juist zorgen over de kwalitatieve achteruitgang van het niveau dat de nivellering van het onderwijs op haar conto heeft staan. Hoger onderwijs moet weer hoger onderwijs worden, en een beroepsopleiding moet weer opleiden tot een beroep. Dijsselbloem meent dat de doelstelling om 60% van de beroepsbevolking hoog op te leiden niet realistisch is en pleit er daarnaast voor dat de ambachtsschool weer opnieuw opgericht wordt.

Sie is het met Engelen eens dat de “Bildung” al op jonge leeftijd zou moeten starten en ondersteunt ook de versterking van de intensiteitgraad hiervan. Ze vraagt zich echter af of de staat dit allemaal zou moeten regelen. Sie lijkt er zelf meer heil in te zien meer verantwoordelijkheid te leggen bij de mensen zelf, en wijst op het succes van diverse burgerinitiatieven, waardoor burgers de ontplooiing van eigen en andermans kinderen in eigen handen hebben genomen.

Wat miste er volgens de zaal in het debat over verheffing? Eén bezoeker meent dat het meer over “community-building” op het onderwijsterrein had moeten gaan, dat wil zeggen, kinderen ervan bewust te maken wat het betekent leerling op een school te zijn.

Een ander vraagt zich af hoe de socialistische vuist, die volgens Kees Schuyt ook in deze tijd broodnodig is om de achterblijvers in de samenleving te verheffen, zich verhoudt tot de moeilijke positie van migrantenkinderen.

Een derde bezoeker merkt op dat er ook op het gymnasium (en dus niet alleen op het VMBO) nog wel degelijk praktisch onderwijs wordt gegeven. Als voorbeeld noemt hij pianoles. Verder stelt hij dat kinderen pas echt iets over hun identiteit kunnen zeggen als ze 23 jaar zijn. Het feit dat wij in Nederland al op 14 jaar de definitieve schoolniveau-indeling maken is daarom zeer onwenselijk.

Yvonne Zonderop merkt scherp op dat men enerzijds wel flink over elkaar heen buitelde wat betreft het bekritiseren van het betoog van Engelen, maar dat anderzijds ondertussen niemand inhoudelijk is ingegaan op zijn ideaal van Bildung.

Partijleider Job Cohen sluit de avond af met een “toetje”. Cohen geeft aan niet zoveel te hebben met het begrip meritocratie. Hij haakt daarbij in op het verhaal van Evelien Tonkens; zij betoogde dat de meritocratie -in zoverre laatstgenoemde überhaupt voltooid is- niet perse gelijk staat aan de opheffing van ongelijkheid. Cohen stelt vast dat de samenleving vaak toch het meeste heeft aan “mensen die met hun poten in de modder staan.” In het kader van het onderwijsdebat herinnert Cohen de zaal aan de schamele lonen van onderwijzers, en onderstreept dat we het belang van materiële waardering anno nu niet mogen onderschatten.

Verslag door Christopher Houtkamp en Sara Murawski (stagiaires WBS)

Alle foto's zijn te zien op flickr.