Verslag debat Van Waarde: Arbeid

Nieuws & agenda
Nieuws archief

Op 24 november organiseerde de WBS in Groningen een debat over goed werk. Het verslag van de avond kunt u nu hieronder lezen. Een fotoverslag is te vinden op de Flickr-pagina van de WBS. De bijdrage van Will Tinnemans kunt u hier lezen en de bijdrage van Marcel van Dam hier. Naar aanleiding van het debat schreef Marcel van Dam een column (alleen voor abonnees) in de Volkskrant. De reactie van Elly Pastoor is hier te lezen.

Verslag debat Van Waarde over arbeid
Huis De Beurs, Groningen, 24 november

Menno Hurenkamp opent de avond en roept iedere aanwezige op om zijn hart te luchten. Hij wil graag dat “iedereen die de zaal binnenkomt met de intentie om zich uit te spreken, dat ook moet hebben gedaan als hij of zij de zaal weer verlaat”. Het is het startschot van een zware, broeierige, maar ook hoopvolle bijeenkomst die draait om het verval en herstel van de beginselen van de sociaal-democratie.

Monika Sie betoogt in haar openingspeech dat er duidelijke historische parallellen zijn tussen de periode van de jaren 1820/1830, de tijd waarin het socialisme wortel schoot in Europa, en het huidige tijdsgewricht. De socialisten van weleer streden tegen uitbuiting, uitsluiting en het ongebreidelde kapitalisme. Op dit moment staan wij, nadat decennia lang het neoliberale gedachtegoed aan de macht is geweest, voor dezelfde taak. Sie meent, en hoopt, dat het ‘kantel-moment’, het punt waarop de onderklasse de negatieve effecten van het kapitalisme niet meer over zich heen wil laten komen, nabij is. De Reurbeweging in de PvdA ziet zij als een hoopvol signaal, evenals het Van Waarde-project. Het toont aan dat de PvdA met de poten in de modder is gaan staan. Sie roept ons, in de geest van de econoom Stiglitz, op om de huidige financiële crisis te gebruiken om opnieuw te bepalen waar wij voor staan. Want, aldus Stiglitz: “Een bijna-doodervaring dwingt ons om onze waarden opnieuw te definiëren”.

Na de speech van Sie volgt een debat met drie panelleden: Will Tinnemans, schrijver van het boek ‘Voor jou tien anderen’, Brigitte de Waal, schoonmaakster die in actie is gekomen tegen de slechte arbeidsomstandigheden en Elly Pastoor, PvdA-wethouder in Groningen.

Tinnemans vertelt een persoonlijk verhaal over de vier momenten in zijn leven waarin de sociaal-democratie hem tot tranen heeft geroerd. De aantreding van het Kabinet Den Uyl in 1973, dat hem hoop gaf dat ook de gewone arbeider een plaats heeft in het politieke debat, veroorzaakte bij hem tranen van geluk. Verdriet had hij toen Wim Kok in 1995 de ideologische veren afschudde. De stijfheid waarmee Melkert na de gemeenteraadsverkiezingen reageerde op de goedgebekte Fortuyn brachten hem tot tranen van het schaterlachen. Zijn laatste ‘huilbui’ was vrij recent, namelijk nadat hij de Kerdijk-lezing van Job Cohen had gelezen in het NRC. Cohen pleit daarin tegen de meritocratie en voor bestaanszekerheid. Tinnemans was wederom tot tranen geroerd, ditmaal van blijdschap. De lezing sneed namelijk precies de thema’s aan die hem diep raken: met enig verdriet constateert Tinnemans dat onze ‘Zweidrittel-Gesellschaft’, waarin twee derde van de bevolking profiteert van de ongekende welvaart en een derde achterblijft, is verworden tot een ‘Dreiviertel-Gesellschaft’. Het is natuurlijk geen verkeerde ontwikkeling dat het aantal mensen dat profiteert van de welvaart sterk is gestegen, maar het maakt de groep aan de onderkant van de samenleving getalsmatig nog onbetekenender: het is voor politici electoraal onaantrekkelijk om luid en duidelijk voor deze relatief kleine groep op te komen. Volgens Tinnemans heeft de PvdA “tonnen boter” op het hoofd gehad en is het hoog tijd voor herbezinning. Als het de sociaal-democratie lukt ook het uit ‘het oog verloren kwart’ perspectief te bieden, sluit Tinnemans een vijfde huilbui niet uit: dan plengt hij veel tranen van een diepgevoeld geluk.

Klik hier voor de volledige bijdrage van Will Tinnemans.

Vervolgens wijdt Brigitte de Waal –letterlijk met bijl in de hand– uit over de moeilijke omstandigheden waarin zij haar werk als schoonmaker moet doen. Zij heeft geen vast contract en heeft door bezuinigingen in plaats van 32 uur nog maar 20 uur werk. Bedrijven dwingen haar ‘resultaatgericht’ (een woord dat ze van tevoren op haar arm geschreven heeft, “omdat ik het steeds vergeet”) schoon te maken. Binnen anderhalve minuut moet zij een klaslokaal hebben schoongemaakt, terwijl zij hier vroeger 10 keer (!) zoveel tijd voor had. Het gevolg is dat schoonmakers simpelweg hun werk niet meer naar tevredenheid kunnen doen. Menno Hurenkamp vraagt of kinderen daar gezonder of minder gezond van worden. Volgens De Waal heeft het ongedierte op scholen nog nooit zo welig getierd als nu. Klachten bij het schoonmaakbedrijf zijn aan dovemansoren gericht en bij het zien van oranje hesjes sluiten de deuren als bij toverslag: het is daarom tijd voor actie. Zij doet mee aan het initiatief van FNV Bondgenoten om via de zogenaamde ‘organising’ methode schoonmakers te leren beter op te komen voor hun rechten. De Waal krijgt van de zaal, en met name van haar medestrijders van de FNV (voorzien van oranje hesjes en een luide trom) een daverend applaus.

Elly Pastoor toont zich begripvol voor de situatie van Brigitte en is ook zeer wel bereid deel te nemen aan het protest van FNV Bondgenoten. Maar zit tegelijkertijd vast in een bestuurlijk moeras. Ze breekt daarom “een lans” voor de onderwijsinstellingen die de schoonmakers in dienst nemen. Die hebben namelijk te maken met structurele begrotingstekorten, waardoor het onmogelijk is om zowel goed onderwijs voor de kinderen te garanderen als het personeel op een fatsoenlijke manier te behandelen. Er moet veel gebeuren worden voor weinig geld. Zij stelt dat de politiek in de toekomst bij iedere aanbesteding van een publieke dienst duidelijke kaders moet scheppen, opdat goede arbeidsomstandigheden voor werknemers zijn gegarandeerd.

De zaal toont zich in de discussie zeer betrokken. De omstandigheden van Brigitte de Waal maken duidelijk emoties los: wanhopig vragen de mensen zich af waarom de politiek zo weinig voor mensen als De Waal kan betekenen. “Er wordt alleen vuilgemaakt, niet schoongemaakt”, aldus De Waal.

De column van Marcel van Dam, waarmee het eerste deel van de avond wordt afgesloten, past goed in de verontwaardigde sfeer die was ontstaan. Genadeloos benoemt Van Dam met hoeveel procent het aantal armen in Nederland de afgelopen dertig jaar is gestegen, van 4% in 1980 naar 11% anno 2011. De PvdA is sinds de stijgende welvaart volledig de weg kwijt: wethouders in grote gemeenten dwingen mensen met een uitkering een beroep te aanvaarden dat zij onder andere omstandigheden nooit zouden willen uitoefenen. De PvdA heeft de ‘onrendabelen’, de mensen die naar de huidige maatstaven niet productief genoeg zijn om een substantiële bijdrage te leveren aan de Nederlandse economie, volledig uit het oog verloren. Sociaal-democraten leggen tegenwoordig teveel de nadruk op het belang van eigen verantwoordelijkheid, waardoor het zelfrespect van deze groep mensen tot een nulpunt is gedaald. Van Dam betoogt echter dat ieder mens respect verdient, niet om wat hij kan, maar simpelweg omdat hij er is. Hij refereert aan de twee kernidealen van de arbeiderspartij van weleer: bestaanszekerheid en het scheppen van voldoende arbeid zodat iedereen zijn eigen brood kan verdienen. De huidige PvdA dient echter twee heren, volgens van Dam: ze hult de bestaanszekerheid in een ideologisch jasje, maar kleedt haar tegelijkertijd volledig uit. Volgens van Dam kan de PvdA alleen weer de PvdA worden als ze bereid is de bestaanszekerheid van de arbeider ook daadwerkelijk te garanderen.

Zijn volledige column is hier te lezen.

Debat deel 2 (na de pauze):
Na de pauze kwam Hans Achterhuis aan het woord, geïntroduceerd als denker des vaderlands. Hij gaf zelf aan niet als denker des vaderlands te spreken, maar als filosoof die een boek heeft geschreven over arbeid. Zijn bijdrage bestaat uit twee delen: eerst zegt hij als filosoof iets over arbeid, vervolgens gaat hij in op de vraag hoe het zo gekomen is dat we niet meer terug kijken op hoe het zo gekomen is. Als filosoof, gebaseerd op ideeën van Hannah Arendt, spreekt hij niet over arbeid, maar maakt hij onderscheid tussen drie activiteiten: arbeiden, werken en handelen. Bij het arbeiden gaat het om de activiteiten die ertoe dienen het levensproces gaande te houden. Dat gebeurt zowel door het maken en gereedmaken van zaken voor direct menselijke consumptie als door het beschermen van mens en wereld tegen de natuurprocessen van groei en verval. In beide gevallen is arbeiden een cyclisch proces. Er komt nooit een einde aan, het moet voortdurend doorgaan. Bij werken gaat het om het maken van iets, het betreft een bezigheid die een einde heeft.

Als het product van mijn werk gerealiseerd is, ben ik klaar. In het proces van het werken bouwen we aan een menselijke wereld die een zekere permanentie en duurzaamheid krijgt. Het verschil tussen deze twee activiteiten is als volgt. Eten koken of afwassen, zieken verzorgen of het huis schoonmaken is arbeiden, het moet dag in dag uit opnieuw gebeuren, het heeft een cyclisch karakter. Het bouwen van een huis of schuur, het schrijven van een boek of artikel valt onder werken; het heeft een lineair karakter, kent een einde. Handelen betreft die activiteiten waarin iemand zich als uniek individu te midden van anderen kan laten zien. Hierdoor kan hij maatschappelijke erkenning voor zijn persoon en zijn daden krijgen. In de beschrijvingen van Arendt valt handelen grotendeels samen met politiek bedrijven, waarbij de Griekse polis haar grote voorbeeld is.

De Griekse waardering voor deze drie verschillende activiteiten, die Achterhuis in de lijn van Arendt benadrukt, komt scherp naar voren in de mythologische figuren die ermee verbonden worden. Voor het arbeiden is dat Sisyfus. Het verhaal over hem is bekend. Als straf van de goden moet hij in de onderwereld een steen tegen een berg oprollen. Steeds als hij bijna boven is, valt deze weer naar beneden waardoor Sisyfus opnieuw moet beginnen. De antropologische kern van arbeiden is hiermee perfect uitgedrukt. Ook wij spreken immers nog steeds van een sisyfusarbeid. Aan de hand van twee voorbeelden legt Achterhuis het verschil tussen deze activiteiten uiten. Allereerst de mythe over Heracles en de stallen van Augias. In deze stallen stonden drieduizend ossen, maar ze waren al dertig jaar niet schoongemaakt. Door het omleggen van een rivier spoelde hij in één dag de stallen schoon. Dit is een voorbeeld van arbeid: het is cyclisch, de stallen worden vanzelf weer smerig en moeten dan opnieuw worden schoongemaakt.

Het tweede voorbeeld is een anekdote uit Het stamt uit het boek Werk van Martin Schouten uit 1978, waarin vijftig mensen over de betekenis van hun baan worden geïnterviewd. Aan het woord is een Amsterdamse huisvrouw. ‘Het naarste is dat je altijd bezig bent, ook als je niet bezig bent. Dan ben je in gedachten nog bezig met de dingen die je eigenlijk nog had moeten doen, dag in dag uit. Mijn man, die metselaar is, doet in een middag een muurtje en dan zegt iedereen: oh wat mooi zeg, dat muurtje, prachtig. Maar als jij ramen gezeemd hebt - dan ben ik een halve dag bezig en dat is nog levensgevaarlijk ook op drie hoog - dan is er nooit iemand die zegt: potverdikkie zeg, wat heb je die ramen prachtig schoon gemaakt. Maar het is toch veel meer werk dan dat muurtje en over twintig jaar zeggen ze nog steeds: mooi muurtje. Wat jij hebt gedaan is inmiddels alweer tachtigduizend keer smerig geworden en opnieuw weer schoon gemaakt.’

De belangrijkste les uit dit onderscheid in activiteiten is dat om ontplooiing te vinden in arbeid, alle drie de activiteiten er in moeten voorkomen. Daarbij is vooral het handelen en de zichtbaarheid daarvan heel belangrijk. Men zou er dus op moeten richten om alle drie de activiteiten in banen te waarborgen en niet het handelen onzichtbaar of stiekem maken. Achterhuis situeert deze plannen vervolgens in context. We kijken tegenwoordig te snel naar hoe dingen moeten of zouden moeten zijn, zonder aandacht te besteden aan het pad dat ons naar de huidige situatie gebracht heeft. In het politieke debat, bij zowel Bos als na het afschudden van de ideologische veren door Kok, leek het vaak alsof er geen linkse alternatieven zijn. Die zijn er zeker wel, maar links presenteert het alleen nooit als alternatief, alleen als kanttekening bij.

Dat is ook de kritiek die Achterhuis heeft op de recente Kerdijk-lezing van Job Cohen: in de introductie is hij veel te lief voor de Nederlandse liberalen. Die verdienen helemaal geen lieve woorden: Rutte noemt Ayn Randt en Von Hayek als grote geesten die veel invloed hebben gehad op hem. Die “grote geesten” hebben een snoeiharde agenda voor een minimale staat. Daarom is een veel scherpere ideologische strijd nodig. Alternatieven moeten zichtbaar worden gemaakt. Achterhuis sluit af met een anekdote om het gevaar van de huidige crisis te laten zien. De christelijke vakbond ACV uit België bezat een groot pakket Dexia-aandelen. Nu Dexia failliet is, kunnen vakbondsleden naar hun geld fluiten. De les is dat we goed moeten oppassen wat er in de crisis gebeurt, want de kans is groot dat we gepakt worden. Het risico is dat de crisis wordt misbruikt als shocktherapie.

Uit de zaal komt de opmerking dat Wim Kok in zijn Den Uyl-lezing helemaal geen afstand nam van ideologie. Achterhuis geeft toe dat hij toentertijd geen kritiek op de lezing had, maar nu wel.

Een andere vraag is of de sociaal-democratie een correctie is op het liberalisme. Volgens Achterhuis moeten de sociaal-democratie een alternatief bieden, geen correctie.

Vervolgens verteld Dorien over haar ervaringen als verzorgende. Ze herkent veel in het verhaal van Achterhuis: zorg is vooral arbeid, het keert steeds weer terug. Ze werkt voor twee werkgevers: Buurtzorg en een intern uitzendbureau bij een grote instantie. Het verschil is groot. Bij buurtzorg werkt ze in een klein team zonder managers. Het team is zelfsturend en doet veel zelf. Planning en indicatiestellingen worden allemaal in overleg gedaan. Bij het uitzendbureau is het heel anders. Het werk is opgedeeld in niveaus en voor elk niveau is een andere medewerker met een andere scholing nodig. Niveau 2 is helpende, niveau 3 is thuiszorg, niveau 4 is verpleging en niveau 5 is Hbo-V. Niveau 4 en 5 doen de planning, niveau 3 de medicatie en niveau 2 zorg. Complexere zorg mag alleen door niveau 4 en 5 worden gedaan. Hierdoor is de zorg erg opgedeeld, wat het onpersoonlijk maakt en dus de kwaliteit van de zorg en het werk verarmd. Bij Buurtzorg is het werk niet opgedeeld: ook de Hbo-V’ers doen basiszorg, waardoor er geen vervreemding plaats vindt. Hierdoor is er veel meer tijd en ruimte om het werk zelf in te richten.

Bij het uitzendbureau werkt Dorien vaak als invalkracht. Doordat ze de patiënten dan niet kent, heeft ze eigenlijk meer tijd nodig om zich in te lezen, maar die krijgt ze niet. Als ze aanbelt, weet ze alleen de naam van de patiënt. Er is namelijk geen tijd om het dossier in te lezen. De zorg is erg onpersoonlijk geworden: een patiënt had kort geleden opgeschreven hoeveel verschillende verpleegsters ze aan haar bed had. In drie weken bleken dit er 19 te zijn geweest. Daar wordt ook op gestuurd: zo kan er geen persoonlijke band ontstaan. Bij Buurtzorg is het team zelf verantwoordelijk voor de continuïteit, waardoor er aan vertrouwensrelaties met patiënten kan worden gewerkt. Als het aan Dorien zou liggen, zouden morgen alle managers uit de zorg weg mogen. Momenteel organiseren ze de zorg namelijk kapot: ze praten alleen maar en sturen elkaar constant emails, alles er op gericht om planningen en schema’s te maken. Buurtzorg laat zien dat het ook anders kan. De uitvoering wordt daar gedaan door goed opgeleide mensen en het kan uit!

Na Dorien is Mariëtte Hamer aan de beurt. Zij heeft in het verleden een treurig Tinnemans-momentje gehad met ballet. Verder maakt ze zich ook zorgen over de onpersoonlijkheid in de zorg. Ze vindt dat zeggenschap in je werk heel belangrijk is; kunnen meedenken over het verbeteren van de zorg en het persoonlijk houden. Je wilt immers geen onbeduidend onderdeel zijn van, maar meedoen in het hele proces. Daar haal je als werknemer voldoening uit, maar ook de patiënten profiteren hier van. De politiek en de bestuurlijke top organiseren de zorg momenteel kapot. Te veel politici hebben boter op hun hoofd en zien de ernstige gevolgen voor patiënten en werknemers niet. In de politiek wordt vaak gedacht dat regelgeving problemen oplost, maar telkens maar weer regelgeving op regelgeving lost niks op. Het creëert zelfs meer problemen.

Uit de zaal: hoe denkt Mariëtte Hamer dan over de postmotie die deze week is aangenomen. Hamer: In de motie stond dat 80% van de TNT-medewerkers onder de CAO moet komen te vallen. Nu is dat velen malen minder en hebben veel medewerkers bijna geen rechten. Deze motie heb ik daarom dus gesteund.

Carine Bloemhoff: De politiek zegt dat iedereen een betere opleiding moet volgen, om zo een betere baan te krijgen. Daarmee sluit je aan de ander kant bepaalde mensen uit, puur omdat zij een lage opleiding hebben gevolgd. Dat is een kwalijke zaak waar de politiek te makkelijk aan voorbijgaat.

Uit de zaal: Werk is verworden tot een aantal losse handelingen en daarmee geen beroep meer. De beroepstrots die je vroeger aan een baan ontleende is daarmee volledig verdampt.

Hamer: Het is de opdracht van de politiek om opnieuw na te denken over de kwaliteit van werk. Mariëtte is destijds lid geworden van de PvdA omdat zij de kans bieden om te emanciperen. Dat in tegenstelling tot veel andere partijen. Je moet namelijk ook in je werk kunnen emanciperen. Dat is iets waar de PvdA zich veel meer op zou moeten richten de komende jaren.

Afsluiting door Job Cohen:
Cohen vond het al met al een mooie avond. Omdat er gedurende de avond meerdere keren hardop is gevraagd waarom de PvdA mee is gegaan in de neoliberalisering en de voortschrijdende marktwerking geeft Job tekst en uitleg. Zijn lichtende voorbeeld is het aanvragen van een PTT aansluiting ruim 20 jaar geleden. Een dergelijke aanvraag duurde minimaal zes weken en kostte je tientallen telefoontjes. De overheid zat op veel terreinen muurvast en op sommige terreinen was marktwerking destijds zeker niet slecht. Er werd echter niet (genoeg) nagedacht over de nadelen van liberalisering. De PvdA had, maar heeft ook boter op het hoofd. We wilden destijds niet over de hele linie marktwerking, maar desondanks is het wel voor een groot deel gebeurd. Dat is van onze kant een fout geweest. Om het tij te keren en de liberalisering terug te draaien moet de PvdA tot actie overgaan. De wethouder moet bijvoorbeeld op de deur kloppen van scholen en vragen waarom ze de schoonmaak uitbesteden. Waarom hebben scholen er niks meer over te zeggen, waarom heeft de politiek er niks meer over te zeggen? Hoe is dat gekomen en wat vinden schoolbesturen en ouders van de huidige situatie? Als voorbeeld noemt hij Lodewijk Asscher in Amsterdam en zijn aanpak van zogenaamde ‘slechte scholen’. Aanvankelijk had hij niets over onderwijs te zeggen, maar door steeds maar weer op de deur te kloppen en te praten met iedereen heeft hij zich er tussen gewurmd. In samenwerking met alle betrokken partijen heeft hij het onderwijs uiteindelijk kunnen verbeteren. Gewoon door de stoute schoenen aan te trekken. Je moet als wethouder of politicus dus net een stapje extra zetten.

Vervolgens komt Cohen terug op de uitholling van de zorg. Zijn vrouw heeft MS en krijgt daarom een PGB. Door het PGB is er de ruimte om telkens dezelfde verzorgers langs te laten komen. Zijn vrouw heeft een hechte band met die verzorgers. Als ze elke week een andere verzorger zou hebben, zou ze dat verschrikkelijk vinden. En datzelfde geldt voor iedereen die zorg geniet. Je wil niet altijd een ander naast je bed hebben staan. Je wil graag door dezelfde verzorgers geholpen worden, die je vertrouwd en waar je van op aankunt. Dat het kabinet Rutte zomaar het PGB wil afpakken is daarom onmenselijk.

Ten slotte geeft Job een reactie op het verhaal van Marcel van Dam. De PvdA voerde door al die jaren heen campagne voor ‘veilig werken’ en nu is het al werk in Nederland veilig: dit is een verworvenheid en daar moeten we trots op zijn. Onlangs was Job in een kartonfabriek in Hoogeveen die tot sociale werkplaats was verworden. De directeur was blij dat er ruim 300 mensen gedetacheerd waren uit de sociale werkplaats, anders had de fabriek al lang moeten sluiten. We moeten dit soort werk dan ook niet uitbesteden aan India of China, wat het kabinet Rutte wel van plan is. Al deze mensen komen dan niet meer aan het werk. En juist uit dat werk halen ze voldoening en plezier. Dat kan je niet zomaar afpakken.